Een keus die ik nooit heb betreurd
DE WIND had de zeilen van de mast afgescheurd en de sterke stroming voerde ons meedogenloos in de richting van gevaarlijke rotsen. Nog slechts enkele minuten, zo scheen het althans, en wij zouden schipbreuk lijden.
Het was december 1937, en wij zeilden op de Lichtdrager, een 16 meter lang jacht met twee masten, van Indonesië naar Australië. Drie jaar lang was het jacht gebruikt om de boodschap van Gods koninkrijk naar de eilanden van Indonesië te brengen.
Op het moment dat alles verloren scheen, herinnerde de stuurman zich gelezen te hebben dat hulpmotoren gewoonlijk krachtiger zijn in hun achteruit. Snel zette hij de motor in zijn achteruit, en tot onze verbazing en grote opluchting werkte het! Nog net op tijd werden wij van de rotsen weggerukt!
Dat was ruim 50 jaar geleden. Hoe kwam het dat ik mij als de enige vrouw aan boord van de Lichtdrager bevond?
Gedwongen een keus te doen
In 1926, toen ik 16 was, leerde ik door mijn grootmoeder de schitterende bijbelse beloften van een nieuwe wereld kennen. Mettertijd begon ik deze goede dingen met anderen te delen door in de omgeving van ons huis in Perth (Australië) van deur tot deur te prediken. Mijn vader was woedend omdat hij dit als een schande voor de maatschappij beschouwde. In 1929, het jaar waarin ik werd gedoopt, stelde pa mij voor de keus met mijn getuigeniswerk te stoppen of het huis uit te gaan.
Ik hield erg veel van ons gezin en hoewel ik wist dat ik mijn ouders, twee zussen en zes broers zou missen, ging ik het huis uit en begon de vreugden te smaken van de pioniersdienst, zoals de volle-tijdbediening wordt genoemd.
Moeilijke ervaringen van de jaren ’30
Een tijdje diende ik in de omgeving van Perth, de hoofdstad van West-Australië. Maar toen kreeg ik de uitnodiging me bij een groepje pioniers aan te sluiten die afgelegen delen van het land bewerkten.
Soms was ons leven moeilijk, want wij hadden vaak geen plaats om te slapen behalve in onze tenten in de rimboe. De wereldomvattende financiële crisis trof Australië in het begin van de jaren ’30, en veel farmers konden nauwelijks het hoofd boven water houden. Wij verspreidden onze lectuur dus in ruil voor eieren, vlees of groente.
In 1933 trok ons pioniersgroepje naar het noorden. Naarmate wij dichter bij Australiës centrale woestijn kwamen, werden de bomen kleiner en onvolgroeider, en het kreupelhout maakte plaats voor zand. Maar alles werd goedgemaakt doordat er na zelfs een beetje regen over kilometers afstand wilde bloemen te zien waren. Nu en dan moesten wij de auto gewoon tot stilstand brengen om vol diepe waardering naar de door God geschonken schoonheid overal om ons heen te kijken.
Om bij sommige farms te komen, moesten wij onze kousen en schoenen uittrekken en door rivieren en kreken waden. Wij spoorden mensen op die bezig waren met schapen scheren, ploegen, melken of koken. Gewoonlijk gaven degenen die wij op deze wijze ontmoetten, ons de gelegenheid uitvoerig met hen te praten. Zij vonden het moeilijk om niet te luisteren naar iemand die een wassende kreek had doorwaad enkel en alleen om bij hun farm te komen!
Huwelijk en een buitenlandse toewijzing
In 1935 arriveerde Clem Deschamp in Perth op weg naar een congres in Sydney. Hij was een jonge pionier die had geholpen het predikingswerk te openen op Java, het volkrijkste eiland van Indonesië. Hij trok vaak met ons pioniersgroepje uit in het getuigeniswerk. Ik was 25, en hij was 29. Ik vond hem een lange, donkere en knappe verschijning. Na elkaar te hebben leren kennen, dachten wij: ’Wat is er beter dan Jehovah samen te dienen?’ Wij besloten dus te trouwen en bezochten daarna als gehuwd paar het congres in Sydney. Ik was nog nooit zo gelukkig geweest.
Na het congres werden wij als pioniers aan Melbourne toegewezen. Later in dat jaar werd Clem als reizend opziener voor de hele staat Victoria aangesteld, en wij hadden het voorrecht elke gemeente in die staat te bezoeken. Vervolgens werden wij met geestdrift vervuld toen Clem de uitnodiging kreeg het opzicht te hebben over het predikingswerk in Indonesië. Wij zeilden langs de westkust van Australië en arriveerden ten slotte in juni 1936 in Soerabaja, een van Java’s grote steden.
Indonesië — een andere wereld!
Aan de ene kant van de weg zag men Cadillacs, mannen in witte pakken en vrouwen in sierlijke kleding. Aan de andere kant zag men huifkarren die door waterbuffels werden getrokken, terwijl de bestuurder vaak in de kar lag te slapen. Men zag welgevormde vrouwen in kleurrijke sarongs en mannen met een lange stok over hun schouders waaraan manden met voedsel en koperwerk hingen. Zij haastten zich voort met hun eigenaardige veerkrachtige en toch sloffende tred.
Wij riepen een taxi aan en gingen naar het huis van iemand die belangstelling voor de Koninkrijksboodschap had getoond toen Clem vroeger in Soerabaja was. Een grote man in een lang wit gewaad, die mij aan Mozes deed denken, begroette ons net zoals de patriarchen uit de oudheid met uitgestrekte armen. Zo’n hartelijkheid en enthousiasme maakten dat ik mij werkelijk welkom voelde.
Onze gastheer was miljonair geweest, maar door een snelle daling van de suikerprijzen verkeerde hij in financiële moeilijkheden. In weerwil hiervan was zijn enthousiasme voor het leven niet verflauwd, en hij had gretig de bijbelse waarheid aanvaard. Wij bleven slechts kort bij hem voordat wij ons naar de hoofdstad, Batavia, begaven, nu Djakarta genoemd. Daar nam Clem de kantoorwerkzaamheden over van Frank Rice, die vervolgens naar het destijds onder Frans bestuur staande Indo-China vertrok.
Een fascinerende toewijzing
Wij leerden getuigenis geven in het Nederlands en het Maleis, en wij predikten zowel in de huizen van de welgestelden als in de groepjes dicht op elkaar staande hutjes die kampongs worden genoemd. Als wij in deze dorpen getuigenis gaven, werden wij van deur tot deur soms door wel 50 schamel en armoedig geklede kinderen gevolgd. Er werden van het ene einde van Java tot het andere einde heel veel boeken verspreid.
Het jacht de Lichtdrager werd gebruikt om te prediken op de vele eilanden van Indonesië, met inbegrip van Celebes en Borneo. Bij het binnenlopen van elke kleine haven zette de bemanning de transcriptiemachine aan en speelde een van de lezingen van J. F. Rutherford, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap. Stelt u zich de verbazing van de bewoners van afgelegen Maleise dorpjes eens voor als zij een groot jacht in hun haven zagen komen en vervolgens zo’n luide, krachtige stem door de lucht hoorden klinken. Een vliegende schotel zou nauwelijks meer belangstelling hebben kunnen wekken.
Mettertijd boden de autoriteiten, opgehitst door de geestelijken, tegenstand tegen ons werk en werden alle havens van Indonesië voor de bezoeken van de Lichtdrager gesloten. Er werd dus besloten dat de boot naar Australië zou terugkeren. Daar wij het verlangen koesterden naar Sydney terug te keren voor het bezoek van broeder Rutherford, reisden wij terug op de boot. Het was op deze tocht dat wij bijna schipbreuk leden.
Rutherfords stimulerende bezoek
In de kranten verschenen vette koppen: „Jehovah’s Getuigen wordt stadsgehoorzaal van Sydney geweigerd — Judge Rutherford niet toegestaan te landen”. Natuurlijk landde hij wel, doch ondanks moeizame inspanningen werd ons het gebruik van de stadsgehoorzaal van Sydney geweigerd. Dat was eigenlijk maar goed ook, want de stadsgehoorzaal zou met haar 4000 zitplaatsen niet groot genoeg zijn geweest.
Alle onbillijke oppositie tegen ons had een averechtse uitwerking! Er werd een enorme belangstelling gewekt, zodat 25.000 mensen de bijeenkomst bijwoonden die uiteindelijk op het grote sportterrein van Sydney werd gehouden. Opgetogen door deze ervaring koesterden wij het verlangen naar onze zendingstoewijzing terug te keren.
Opwindend getuigeniswerk op Sumatra
Kort na onze terugkeer naar Indonesië besloot Clem dat het eiland Sumatra weer eens getuigenis moest krijgen. Dus werkten Clem en ik, samen met Henry Cockman, een andere Australiër, in teamverband en predikten wij overal in de bergen en op de rijstvelden van het eiland. Wij logeerden in reizigershotels. Hoewel sommige van onze accommodaties gerieflijk waren, lieten andere veel te wensen over.
Toen wij getuigenis gaven in een dorp dat hoofdzakelijk uit Chinese winkeltjes bestond, verspreidden wij in ongeveer een uur een hele doos Chinese boeken. De winkeliers hadden niet vaak een blanke vrouw gezien, en nooit had er één een bezoek aan hun nederige bedrijfjes gebracht. Of dit de reden was waarom ik in elk winkeltje een boek verspreidde, weet ik niet, maar ik verspreidde zo veel boeken dat Clem en Henry er bijna voortdurend mee bezig waren nieuwe voorraden voor mij uit de auto te halen.
Toen ik in een ander dorp naar de auto terugkeerde voor meer lectuur, zag ik dat de auto omringd was door schreeuwende, gebarende mensen. Het zag ernaar uit dat er moeilijkheden waren. Tamelijk bezorgd haastte ik mij erheen en was verrast Clem te zien, die half in en half buiten de auto stond en zo snel hij kon tijdschriften uitreikte. De bijdragen werden over de hoofden doorgegeven van de een naar de ander, waarop Clem een tijdschrift over de hoofden terugzond naar degene die het geld had gegeven. Het was een verbazingwekkend tafereel te zien hoe mensen zich praktisch verdrongen om lectuur te krijgen.
Op een avond arriveerden wij bij het stadje Bangko. Aangezien de overvaart met het vlot waarop men de rivier moet oversteken, voor die dag al was stopgezet, kregen wij onderdak in het plaatselijke gastverblijf. De eigenaar raadde ons aan onmiddellijk te gaan douchen, wat een vreemd verzoek leek van mensen die gewoonlijk zo beleefd waren. Clem vroeg of wij tijd hadden om eerst wat te drinken, maar de eigenaar drong erop aan dat wij zo vlug mogelijk gingen douchen omdat de douchegelegenheid buiten was.
Wij begonnen te denken dat hij twijfels omtrent onze persoonlijke reinheid koesterde, toen hij uitlegde: „Dit is een tijgerland, en de meeste avonden lopen er na het invallen van de duisternis buiten tijgers rond.” Wij stonden in de ontvangstruimte, waar zes grote tijgerhuiden tentoongesteld waren. De huiden waren intact, compleet met de van tanden voorziene grote koppen van deze majestueuze dieren. Onnodig te zeggen dat wij onmiddellijk gingen douchen, en waarschijnlijk was het de kortste douche die ik ooit heb genomen!
Tegen de tijd dat wij naar Djakarta terugkeerden, was Hitler Polen binnengevallen, waarmee de Tweede Wereldoorlog uitbrak. De politieke spanning in Indonesië was groot.
De tegenstand tegen ons werk neemt toe
Veel van onze lectuur werd verboden en als de autoriteiten een verboden boek te pakken kregen, werd het geconfisqueerd. Op een keer stond een politiebeambte erop de dozen met boeken te doorzoeken die wij in onze auto op de plaats van de achterbank opgestapeld hadden. De moed zonk ons in de schoenen, want wij hadden net een nieuwe zending van het verboden boek Vijanden ontvangen. Moeizaam doorzocht hij alle dozen van de bovenste laag maar vond geen van de verboden boeken.
Net toen hij aan de onderste laag dozen zou beginnen, waarin de boeken Vijanden zaten, begon het plotseling te stortregenen. De beambte en Clem renden naar een nabijgelegen schuilplaats, hoewel beiden zelfs in dat korte eindje kletsnat werden. Maar tropische regens houden even snel op als ze beginnen, dus haastte de beambte zich terug en vervolgde het doorzoeken van de dozen. Stelt u zich zijn teleurstelling en Clems grote verbazing eens voor toen er weer geen verboden lectuur werd ontdekt!
Ik durfde pas over dit „wonder” te spreken toen wij een heel eind daarvandaan waren — ik had de twee lagen dozen verwisseld en de dozen met de boeken Vijanden bovenop gelegd, waar de beambte al gecheckt had. Onwetend doorzocht hij dezelfde dozen dus tweemaal!
Aanvankelijk werd als reden voor het verbieden van onze publikaties opgegeven dat ze anti-Hitler waren. Nadat Duitsland Nederland was binnengevallen, raakte Hitler bij de Nederlandse beambten uit de gunst. Wij vroegen dus of onze vroegere publikaties vrijgegeven konden worden, en dat gebeurde ook. Maar de vrijheid om ons predikingswerk ongehinderd voort te zetten, duurde niet lang.
Op een morgen zat ik in het kantoor te typen, toen de deuren werden opengesmeten en er drie Nederlandse beambten binnenmarcheerden in vol militair ornaat — veren in hun mutsen, staatsiedegens en medailles. Reeds eerder was het werk in Australië verboden, en nu werd het in Indonesië verboden. In november 1941 raadde het Genootschap alle zendelingen aan naar Australië terug te keren; dus deden wij dat.
Wat was het een vreemd gevoel op vergaderingen te zitten en naar meer Engels te luisteren dan ik in jaren had gehoord! Een andere grote verandering vond plaats toen wij werden gezegend met een prachtige baby, een jongetje. Kort daarna werd Clem uitgenodigd naar Perth te komen om zorg te dragen voor het lectuurdepot van het Genootschap, vanwaar lectuur naar alle delen van de staat West-Australië werd verzonden, en wij bleven in de pioniersdienst.
Nogmaals een bezoek aan Indonesië
In 1971 keerden Clem en ik naar Java terug voor een congres. O wat een verschil was dat! In de eerste plaats was ik geen 31 meer; ik was 61. Wij waren verheugd zo veel oude bekenden te ontmoeten. Eén persoon herinnerde ons eraan dat Clem hem in een padieveld had gedoopt toen hij 16 jaar was. Nu, op 46-jarige leeftijd, kon hij ons voorstellen aan zijn kleinkinderen. Na het congres overnachtten wij bij oude vrienden. Alles was hetzelfde — wij logeerden in hetzelfde huis, in dezelfde kamer en sliepen in hetzelfde bed. Zelfs de goudvissen in de vijver zagen er hetzelfde uit. Het was alsof wij waren gaan slapen en 30 jaar later wakker waren geworden.
Bandoeng, 96 kilometer de bergen in, was de woonplaats van andere dierbare vrienden. De vrouw van het gezin vertelde mij dat zij heel blij was te zien dat ik gezond was gebleven! Zij zei dat zij zich er jaren geleden zorgen om had gemaakt dat zo’n slanke vrouw in de tropen moest werken. Ik moest lachen om de culturele verschillen die ten grondslag liggen aan onze opvatting over hoe dik iemand moet zijn.
Terwijl wij onze nostalgische tocht vervolgden, legde één vriend uit dat veel van de boeken die in die vroege dagen aan Nederlandse mensen waren verspreid, na het vertrek van de Nederlanders in tweedehandswinkels terecht waren gekomen en gekocht waren door mensen die leesmateriaal zochten. Sommigen die op deze manier aan lectuur kwamen, ontwikkelden een behoorlijk diep begrip van de bijbel en waren verheugd aan het predikingswerk deel te nemen zodra zij in contact kwamen met de Getuigen.
In één plaats ging een Getuige naar zijn vader om hem de bijbelse waarheden te vertellen die hij had geleerd. Zijn vader hield echter vol dat hij de ware religie reeds had gevonden. Hij had ongeveer 100 mensen bijeengebracht om te aanbidden op de wijze die hij had ontdekt. Stelt u zich de verbazing van de Getuige eens voor toen hij bemerkte dat deze groep de lectuur van het Wachttorengenootschap bestudeerde! Zij wisten helemaal niet dat er een wereldomvattende organisatie was die Jehovah reeds volgens dit patroon aanbad!
Blij met de keus die ik heb gedaan
Het is nu 60 jaar geleden dat ik gedoopt ben en daarvan heb ik 58 jaar de vreugde gesmaakt te pionieren. Mijn levensgezel, Clem, kreeg tragisch genoeg de ziekte van Parkinson en werd geleidelijk zwakker en apathisch tot hij heel veel hulp nodig had om het zelfs maar in een rolstoel uit te houden. In 1987 stierf hij vredig in zijn slaap. Ik ben blij dat hij uit zijn lijden verlost is, maar de leegte is groot. Ik mis hem verschrikkelijk.
Pionieren is nog steeds een grote vreugde en schenkt mij intens geluk en diepe voldoening. Ik heb een heel druk leven, maar als ik wel eens een vrij ogenblik heb, kan ik met liefde terugkijken op het uitermate rijke leven dat mijn lieve echtgenoot, Clem, en ik hebben gedeeld. Ik ben zo blij met de keus die ik 60 jaar geleden heb gedaan. — Zoals verteld door Jean Deschamp.
[Illustratie op blz. 11]
De Lichtdrager, januari 1935
[Illustratie op blz. 13]
Met Clem toen wij jong waren
[Illustratie op blz. 15]
Een recente foto van mij