„Wij geven God niet de schuld”
TOEN jongstleden december door toedoen van terroristen vlucht 103 van de Pan American Airways met 259 mensen aan boord in het luchtruim explodeerde, richtte de rooms-katholieke bisschop van Galloway, Maurice Taylor, bittere woorden tot God:
„Vader, als Gij de God van liefde zijt, waarom hebt Gij dit dan laten gebeuren? Waarom hebt Gij toegelaten dat honderden onschuldige mensen om het leven kwamen? De tien die inwoners van Lockerbie waren? De vele tientallen die nog nooit van Lockerbie hadden gehoord maar aan wier leven op zo’n verschrikkelijke manier een einde kwam op de straten en velden in dit gedeelte van Schotland? En waarom staat Gij toe dat zoveel mensen de wrede, tragische last van een zwaar verlies moeten dragen?”
Onder de slachtoffers bevonden zich tientallen studenten van de Universiteit van Syracuse in de Verenigde Staten. Mildred Sachuck, moeder in een van de sociëteiten van deze universiteit, zei over de terroristen die de bom hadden geplaatst: „Wij moeten ze de hel inschieten.”
Eén persbericht luidde: „Steward Paul Garrett, 41 jaar, had na 15 dienstjaren bij de luchtvaartmaatschappij plannen gemaakt om een boetiek in Parijs te openen. ’De afschuwelijke tragedie is dat dit zijn laatste vlucht zou zijn’, aldus Jan MacMichael, een vriend van hem uit Millbrae (Calif[ornië], VS).”
De reactie van Pauls ouders, Ernest en Nadine Garrett, in Millbrae wonende getuigen van Jehovah, vormde een schril contrast met de reacties van de bisschop van Galloway en de moeder van de sociëteit in Syracuse. De reactie van Pauls ouders wordt weerspiegeld in een brief die zij als antwoord stuurden op een condoleantie van een mede-Getuige in de stad New York:
Een wereldomvattende broederschap
„Wat lief van je, Karl, om tijd van je drukke schema af te nemen en ons zo’n vertroostende brief te sturen. Het is er een van de vele. Wij hebben bericht ontvangen van Getuigen in Noorwegen, Italië, Frankrijk, Engeland en Kameroen — bijna 600 kaarten, telegrammen en brieven en meer dan 250 telefoontjes vanuit de hele wereld. Paul kende zoveel mensen, aangezien hij zoveel jaar als steward bij de Pan American-luchtvaartmaatschappij heeft gewerkt. Er werden in Parijs, San Francisco en Jacksonville (Florida) begrafenisdiensten gehouden met in totaal 1385 aanwezigen.
De plaatselijke Getuigen in onze eigen gemeente en in naburige gemeenten hebben ons huishouden overgenomen en boodschappen gedaan, eten klaargemaakt, ons huis schoongemaakt, om de beurt bij ons thuis geslapen en ons twee weken lang geen moment alleen gelaten, om er zeker van te zijn dat het goed was met ons. Ja, Jehovah’s Getuigen over de hele wereld hebben werkelijk ’liefde onder elkaar’. — Johannes 13:35.
De Pan American-vertegenwoordigster die de opdracht had ontvangen ons gezin te troosten en te condoleren, gaf het volgende commentaar: ’Ik kwam om jullie te troosten, maar in plaats daarvan werd ik getroost. Er is iets wat deze mensen doet verschillen van andere die ik bij dergelijke gelegenheden heb gadegeslagen.’ Toen haar werd gevraagd wat zij bedoelde, zei ze: ’Deze mensen geven werkelijk om elkaar.’
Wij zijn dankbaar dat wij de bijbel begrijpen en weten dat ’tijd en onvoorziene gebeurtenissen’ hun tol eisen (Prediker 9:11). Aangezien wij dit begrijpen, Karl, zullen wij deze tragedie nooit ten onrechte of op lasterlijke wijze aan God toeschrijven, zoals de katholieke bisschop van Galloway dit heeft gedaan. Nee, wij geven God niet de schuld van de dood van onze zoon. De bisschop zegt in feite dat Jehovah geen God van liefde is. — 1 Johannes 4:8.
Ook zijn wij niet op wraak tegen de terroristen uit, zoals de moeder van de sociëteit in Syracuse, die een lid van de gemeenschap bij de ramp had verloren en zei: ’Wij moeten ze de hel inschieten.’ Zulke kwesties laten wij berusten bij God, die zegt: ’Aan mij is de wraak; ik wil vergelden.’ — Romeinen 12:19.
En als laatste, maar daarom niet minder belangrijk, hebben wij de wonderbaarlijke opstandingshoop die ons tot aan het weerzien van onze geliefde zoon elke dag zal schragen. ’Kan een man als hij sterft opnieuw leven?’, vroeg de man Job lang geleden? Welnu, de bijbel heeft die vraag in Jesaja 26:19 beantwoord: ’Uw doden zullen leven . . . Zij zullen opstaan.’ Wij putten troost uit het feit dat onze zoon als een van Jehovah’s Getuigen in getrouwheid is gestorven en dat hij een goede naam bij God had, een naam die Hij ten tijde van de opstanding zal gedenken (Prediker 7:1, voetnoot; Johannes 5:28). Natuurlijk zijn wij bedroefd over het verlies van onze zoon, maar omdat wij de opstandingshoop bezitten, ’zijn wij niet bedroefd gelijk de overigen, die geen hoop hebben’.” — 1 Thessalonicenzen 4:13.
Pauls vrouw, Dominique, is nog in leven. Zij woont in Parijs, is een van Jehovah’s Getuigen en deelt de gevoelens van Pauls ouders. Ook zij geeft God niet de schuld voor haar tragische verlies en ziet de toekomst met moed en hoop onder de ogen.
Willen mensen werkelijk dat God goddeloosheid niet langer toelaat?
In de oudheid onderging een man genaamd Job rampspoeden die niet door Jehovah waren veroorzaakt, maar toch laakte hij Jehovah met de volgende vraag: „Is het goed voor u dat gij onrecht zoudt doen?” Jehovah antwoordde hem met een andere vraag: „Wilt gij mij schuldig verklaren opdat gij gelijk moogt hebben?” (Job 10:3; 40:8) Teneinde Job te onderrichten, liet God veel van Zijn scheppingswerken in de hemel en op de aarde waarin Zijn eigenschappen gerechtigheid, wijsheid, macht en liefde weerspiegeld werden, de revue passeren (Job hoofdstuk 38–41). Job zag in dat hij gedwaald had en met zichzelf bezig was geweest, en zei: „Ik [herroep], en ik heb werkelijk berouw in stof en as.” — Job 42:6.
Mensen brengen door hun eigen zondige handelwijze vele rampspoeden over zichzelf en anderen. Zij preken tegen Gods toelating van goddeloosheid terwijl zij zelf goddeloosheid niet alleen toelaten maar ook beoefenen. (Vergelijk Romeinen 2:1, 21-24.) Hun goddeloosheid neemt vele vormen aan — zij liegen, bedriegen, stelen, onderdrukken, hoereren, plegen overspel, beoefenen homoseksualiteit, moorden, maken vuurwapens en bommen, voeren oorlogen en ontketenen revoluties — en dit alles rijkelijk besprenkeld met zelfrechtvaardiging, huichelachtigheid en godslasterlijke uitspraken. Sommige sociologen hebben zelfs beweerd dat gemeenschappen, door hun vooroordeel en onderdrukking van bepaalde groepen, een bodem hebben geschapen waarin opstanden ontspruiten en wanhopige mensen op niet te rechtvaardigen wijze fanatieke terroristen kunnen worden die onschuldigen vermoorden. (Vergelijk Exodus 1:13, 14; 1 Koningen 12:12-14, 16, 19; Micha 7:3, 4; Matthéüs 7:12.) Wat in Prediker 8:9 staat, is beslist waar: „De ene mens [heeft] over de andere mens . . . geheerst tot diens nadeel.”
Als God hun goddeloosheid niet zou toelaten, als hij ter verhindering ervan krachtdadig zou ingrijpen, zou hun koor van protest dat er inbreuk op hun vrijheden gemaakt werd tot de hoogste hemelen opstijgen! In feite willen zij dat hij de door henzelf bedreven goddeloosheid toelaat, maar zij willen die kunnen zaaien zonder de consequenties ervan te oogsten. — Galaten 6:7, 8.
Zulke mensen missen de eerlijkheid en de nederigheid van Job, die berouw had toen hij begreep dat Jehovah niet de bron van zijn rampspoeden was. De huidige maatschappij wandelt niet met God en als gevolg hiervan oogst ze de rampspoeden van de weg die ze bewandelt, aangezien het „niet aan een man [staat] die wandelt, zelfs maar zijn schrede te richten” (Jeremia 10:23). Duizenden jaren menselijke geschiedenis bewijzen dat dit waar is.
Maar dit zal veranderen voordat het huidige geslacht zijn einde heeft bereikt, wanneer Christus’ koninkrijk de plaats inneemt van dit satanische samenstel van dingen (Daniël 2:44; Matthéüs 24:34; 2 Korinthiërs 4:4; 1 Johannes 5:19). Dan zal er ’geen rouw, geen verdriet, geen pijn en geen dood meer zijn’, want Jehovah God zegt: „Zie! Ik maak alle dingen nieuw.” — Openbaring 21:1, 4, 5; 2 Petrus 3:13.
[Illustratie op blz. 15]
Steward Paul Garrett