De vondst van mijn leven
MIJN optreden tijdens het Woodstock-muziekfestival in New York in 1969 was het opwindendste moment in mijn muziekcarrière. Zover het oog reikte, strekte zich een zee van mensen voor mij uit. Het was ontzagwekkend!
Ik was basgitarist en zanger bij Sly and the Family Stone, een van de bekendste muziekgroepen van die tijd. Met een overweldigende ovatie uit een half miljoen kelen vroegen de mensen ons om een toegift.
Dat was inderdaad een opwindend moment, maar het is inmiddels al lang niet meer het gedenkwaardigste moment in mijn leven. Ik heb een uitzonderlijke schat gevonden, de vondst van mijn leven. Maar laat ik u, voordat ik u daarover vertel, eerst uitleggen welke dingen mijn leven hebben gevormd.
Ik word musicus
Ik ben in 1946 geboren als de enige zoon van een muzikaal gezin in Beaumont (Texas, VS). Mijn moeder was pianiste van het kerkkoor en mijn vader was jazzgitarist. Niet lang daarna verhuisden wij naar Oakland in Californië, waar ik op mijn vijfde begon met tapdansen. Twee jaar later leerde ik pianospelen onder leiding van mijn grootmoeder, die in deze jaren van mijn jeugd voor mij zorgde.
Toen ik elf jaar was, gaf mijn vader mij zijn gitaar en versterker, en gretig probeerde ik dit nieuwe instrument onder de knie te krijgen. Later leerde ik drummen en klarinet en saxofoon spelen. Rond mijn dertiende had ik mijn eigen professionele rock en rollband genaamd The Five Riffs. Op mijn vijftiende begon ik in nachtclubs te spelen als deel van het Dell Graham Trio, met mijn moeder als pianiste, ik als leadgitarist en een drummer.
Later vormden mijn moeder en ik een duo. Om het gemis van een drummer goed te maken, bonsde en tokkelde ik op de bassnaren van mijn gitaar om het ritme te accentueren. Op deze manier ontwikkelde ik mijn kenmerkende bonzende en tokkelende speelstijl op de basgitaar. Een plaatselijke caféhoudster was zo onder de indruk dat zij een discjockey, Sly Stone, opbelde en er bij hem op aandrong naar mij te komen luisteren. Het resultaat was dat ik in 1966 een aanbieding kreeg om als basgitarist te komen spelen bij een uit zeven leden bestaande groep die bekendheid verwierf onder de naam Sly and the Family Stone.
Onze plaat „Dance to the Music” werd een internationale hit en wij werden de populairste zwarte groep van die tijd. Er volgden snel andere hits, met inbegrip van „Hot Fun in the Summertime”, „Everyday People” en „Thank You for Letting Me Be Myself Again”. Toen kwam het Woodstock-muziekfestival waar wij naast andere wereldberoemde musici speelden. Later speelden wij voor 300.000 mensen op het eiland Wight in Groot-Brittannië en voor 350.000 op een muziekfestival in West-Duitsland.
In 1971 werd ik bedreigd met een moordaanslag. Tijdens een optreden in het Los Angeles Coliseum, zo werd mij verteld, zou ik worden doodgeschoten als het geluid van de muziek en de toejuichingen van het publiek een hoogtepunt hadden bereikt. Ik stond doodsangsten uit. De elektronische apparatuur raakte echter defect waarop de organisator van het concert naar voren trad en het optreden afgelastte. Ik had het gevoel dat God op de een of andere wijze had ingegrepen en mijn leven had gered. In paniek rende ik het stadion uit naar mijn hotelkamer, waar ik haastig mijn spullen pakte en verliet de stad.
Deze angstaanjagende ervaring hield mij voortdurend bezig, zelfs nadat ik mijn eigen muziekgroep genaamd Graham Central Station had geformeerd. Op de hoes van mijn tweede langspeelplaat met deze groep stonden de woorden „Produced by God”. Dat was niet godslasterlijk bedoeld, maar de woorden gaven weer hoe ik mij voelde: God had mij gered.
Een keerpunt in mijn leven
In 1973 ontmoette ik Tina, een stewardess bij een internationale luchtvaartmaatschappij. Als zij voor een popconcert mijn haar vlocht, sprak ik vaak met haar over mijn geloof in God. Tegen deze tijd begon Tina’s moeder met Jehovah’s Getuigen de bijbel te bestuderen.
Op een dag vond Tina haar moeder in tranen. Zij huilde omdat geen van haar kinderen aanwezig zou zijn als zij op een districtscongres van Jehovah’s Getuigen in het Oakland Coliseum zou worden gedoopt. Tina beloofde dat als het zo veel voor haar betekende, zij bij de doop op vrijdag aanwezig zou zijn.
Tina was zo onder de indruk van wat zij op die dag in juli 1974 zag en hoorde, dat zij mij naderhand opbelde en mij ertoe probeerde over te halen het programma op zaterdag bij te wonen. Maar ik was te moe, omdat ik de avond daarvoor opnamen had gemaakt. Zondag belde Tina mij opnieuw op en drong er bij mij op aan ernaar toe te gaan. Ik was er benieuwd naar wat toch zo’n indruk op Tina had gemaakt, dus ging ik.
Een politieman zei dat ik, aangezien ik geen parkeerkaart voor het congres had, niet op het terrein mocht parkeren. Hij voegde eraan toe: „Je zou trouwens toch niet naar die onzin willen luisteren!” Ik was even uit het veld geslagen en reed weg. Maar later bedacht ik mij, keerde de auto en reed terug. Toen ik eindelijk het Coliseum bereikt had, restten er nog maar enkele minuten van de slottoespraak.
Daar ik het grootste deel van mijn leven artiest ben geweest, voel ik menigten goed aan. Ik was vele malen voor andere gebeurtenissen in het Oakland Coliseum geweest, maar dit was heel anders dan wat ik ooit had meegemaakt — 60.000 mensen van verschillende rassen en sociale achtergronden vredig bijeen. Alleen al het „gevoel” van de menigte overtuigde mij dat dit iets heel belangrijks was, ja, het was de vondst van mijn leven!
Toen ik het Coliseum verliet, werd ik benaderd door een tienermeisje, dat er wegens mijn uiterlijk geen moeite mee had te zien dat ik geen Getuige was, en zij duwde mij een exemplaar van het boek Is dit leven alles wat er is? in de hand. Dat was precies wat ik nodig had! Bij mijn auto aangekomen, sloeg ik bladzijde 24 open en zag een illustratie van een zwaan, een schildpad, een boom en enkele mensen. Na de vaststelling dat een zwaan 80 jaar, een schildpad 150 jaar en een boom duizenden jaren kan leven, werd in het boek de vraag gesteld: „Waarom is de levensduur van de mens zo kort?” Ik werd onmiddellijk getroffen door de boodschap die door deze illustratie werd overgebracht.
Later stelde ik Tina vele vragen, maar zij wist weinig meer over de bijbel dan ik. Daarom besloten wij de vrouw op te zoeken die met Tina’s moeder had gestudeerd. Toen wij haar huis verlieten, zei ik tegen Tina: „Die vrouw houdt ons voor de gek! Niemand kan zo aardig zijn! Je zult zien, volgende week is ze heel anders!” Maar week na week bleef zij precies hetzelfde, en beantwoordde kalm al onze vragen aan de hand van de bijbel.
Tina en ik begonnen met een geregelde bijbelstudie uit het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Maar kort daarop brak de tijd aan dat ik met mijn groep op tournee moest. Ik werd aangemoedigd om de plaatselijke gemeenten op te bellen in elk van de vele, over heel Amerika verspreide steden die wij zouden aandoen en te vragen of iemand met mij het hoofdstuk uit het Waarheid-boek dat aan de beurt was, zou willen bestuderen.
Ik bezocht gemeenten van de westkust tot de oostkust en van het noorden en het midden-westen tot aan Texas en de zuidelijke staten. Degenen die de bijbelstudies leidden, hadden allerlei raciale en sociaal-economische achtergronden. Maar overal waar ik kwam, was de boodschap dezelfde. Het maakte een enorme indruk op mij dat ik niet slechts een plaatselijk verschijnsel in de omgeving van Oakland Bay had gevonden, maar een landelijke organisatie die in geestelijk opzicht werkelijk verenigd was.
Een volkomen verandering van levensstijl
Tijdens onze rondreis door Europa nadat wij onze tournee in de Verenigde Staten hadden afgesloten, zette ik mijn studie voort met de Getuigen daar. Toen wij in Parijs aankwamen, belde ik Tina op en vroeg haar ten huwelijk. Enkele weken later, in februari 1975, trouwden wij in Nevada. Toen wij nog maar vijf dagen getrouwd waren, begonnen wij aan een andere tournee door Amerika, maar deze keer ging Tina met mij mee.
In Brooklyn (New York) bezochten wij het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen. Wij waren buitenissig gekleed, geheel in het zwart met op de broekspijpen en op de rug van onze jasjes glanzende rode en zilveren draken, en bij de gedachte daaraan schamen wij ons nog steeds. Maar wij werden vriendelijk behandeld en niemand maakte opmerkingen over onze kleding.
Tina en ik werden gedoopt op een districtscongres in Oakland in juli 1975, precies één jaar nadat wij in diezelfde plaats ons eerste congres waren binnengewandeld. Wat de gelegenheid zelfs nog vreugdevoller maakte, was het feit dat Tina’s twee zusters, Denise en Shelia, en mijn eigen moeder — die allen al gauw nadat wij met studeren waren begonnen ook studie hadden genomen — terzelfder tijd werden gedoopt. Enkele jaren later werd ook mijn grootmoeder, op de ’prille’ leeftijd van 82 gedoopt.
De dingen die ik leerde, hadden een uitwerking op de platehoezen van enkele lp’s die mijn groep uitbracht. Op de hoes van de lp Mirror, die in 1976 verscheen, stonden foto’s van mij en de andere leden van de band. Aan de ene kant stonden wij met lang haar, zonnebrillen en buitenissige kleding, terwijl ons ’spiegelbeeld’ aan de andere kant bescheiden geklede en verzorgde mensen met korter haar liet zien.
Een van de songs was getiteld „Forever”. Hij was opgedragen aan de hoop mijn vader in de opstanding terug te zien, met eeuwig leven in het verschiet. De tekst van één lied verwoordde mijn gevoelens als een pasgedoopte Getuige.
Anderen helpen
Wij hebben vele gelegenheden gehad om ons geloof uit te dragen. Een organist en een drummer reageerden gunstig en droegen hun leven aan Jehovah op. Die drummer is nu ouderling en gewone pionier in de gemeente Hollywood-West.
Tijdens een tournee in 1975 nam ik onze organist, die voor het eerst ging prediken, mee van huis tot huis in een rijke, geheel blanke buurt in Atlanta (Georgia). Plotseling kwamen er politiewagens met gierende banden tot stilstand. Er sprongen politieagenten uit te voorschijn die bevelend vroegen wat wij daar aan het doen waren. Terzelfder tijd verscheen er een politiehelikopter die een metertje of wat boven ons hoofd bleef hangen. Klaarblijkelijk waren bij de politie meldingen binnengekomen over „verdachte figuren” die in de buurt rondliepen, maar na te hebben uitgelegd dat wij hier als Jehovah’s Getuigen werkten, liet de politie ons met rust. Dat was voor onze organist meteen de vuurdoop in het getuigeniswerk!
Op deze tournee, de eerste nadat wij waren gedoopt, brachten wij een audiovisueel programma met gebruikmaking van gigantische schermen van 4,6 meter hoog. Dit was het hoogtepunt van de show. Voor het transport waren twee grote opleggers en twee autobussen nodig. De audiovisuele show bracht de verschrikkingen van de wereldtoestanden in beeld en wees vervolgens op de oplossing door middel van Gods koninkrijk. Onder de dia’s bevonden zich ook beelden van het congres in het Oakland Coliseum en onze eigen doop. Het geheel was op muziek gezet, en ik gaf tussen de liederen door commentaar.
Tijdens één tournee was ik in Hollywood (Florida) in de velddienst, en degene die de leiding over het groepje had, wees ons waar wij van huis tot huis konden werken. Plotseling hoorde ik dat in een woning in de buurt een van mijn platen werd gedraaid. Ik klopte er aan en drie jonge mannen die bezig waren ’high’ te worden van drugs waren met stomheid geslagen toen zij plotseling de zanger van het lied waarnaar zij luisterden, voor de deur zagen staan! Naderhand vernam ik dat twee van deze mannen Getuigen zijn geworden.
In 1979 verhuisden wij naar Los Angeles, naar een groot huis met een zwembad en een prachtig aangelegde tuin met een uitzicht over de stad. Naast het huis bouwde ik mijn eigen 24-sporen opnamestudio. De eerste plaat die ik daar opnam, droeg de titel „One in a Million You”, waarvan er meer dan een miljoen werden verkocht. Kort daarna kreeg ik het voorrecht als dienaar in de bediening te dienen, en in 1982, één week voordat onze dochter Latia werd geboren, werd ik aangesteld als ouderling.
Toen ik op een zondag de Wachttoren-studie leidde, kwam er een jonge Hawaiiaanse man de Koninkrijkszaal binnenlopen die mij vol verbazing aanstaarde. Hij had mij in 1975 op Hawaii gezien als een langharige popartiest, daarom was hij zo geschokt nu hij mij in bescheiden kleding de Wachttoren-studie zag leiden. Hoewel hij naar Los Angeles was verhuisd met het doel een carrière op te bouwen in de muziekwereld, stemde hij ermee in met mij te studeren. Nu dient hij in onze gemeente als gewone pionier.
Onze levensstijl vereenvoudigen
Tina en ik kunnen naar waarheid zeggen dat wij het meeste geluk hebben ervaren vanaf het moment dat wij in 1982 als pioniers in de volle-tijddienst zijn gegaan. Een verdere ontwikkeling in onze geestelijke groei was de vereenvoudiging van onze levensstijl. Negentig procent van onze tijd brachten wij door in slechts twee kamers van een groot huis, waarvoor de diensten van tuinlieden en dienstmeisjes nodig waren om goed te kunnen functioneren. Wij maakten slechts weinig gebruik van de Lincoln Town Car, de Thunderbird uit 1955, de Cord, de Mercedes-Benz, de 7,6 meter lange kampeerauto, een busje, alsmede verschillende motorfietsen. Daarom verkochten wij na het districtscongres in 1985 ons huis en de meeste voertuigen.
Nu wonen wij in een bescheiden woning in de stad, die Tina naast het pionieren gemakkelijker kan onderhouden. Hoewel ik nog steeds in beperkte mate als musicus werk, is mijn werkelijke geluk nu gelegen in mijn pioniersdienst en in het zien van de geestelijke vorderingen die ons dochtertje maakt. Hoewel zij nog jong is, heeft zij zich vaste doeleinden gesteld en praat zij voortdurend over het moment waarop zij haar opdracht aan Jehovah kan symboliseren.
Een andere zegening waarnaar ik uitzie, is mijn moeder in de opstanding terug te zien en haar te vertellen over de dingen die zijn gebeurd sinds zij in april 1987 na een getrouwe dienst als gewone pionierster gestorven is. Ja, in plaats van te streven naar de opwinding die een optreden voor honderdduizenden muziekfans geeft, vind ik thans werkelijke voldoening door naar mijn beste vermogen de woorden van de psalmist te gehoorzamen, die zei: „Looft Jah! Zingt Jehovah een nieuw lied, zijn lof in de gemeente van loyalen” (Psalm 149:1). — Zoals verteld door Larry Graham.
[Illustratie op blz. 13]
Op het Woodstock-festival speelde ik voor een half miljoen mensen
[Verantwoording]
John Dominis, LIFE MAGAZINE © Time Inc.
[Illustratie op blz. 15]
Samen met mijn vrouw en dochter