Vervolging overleefd in nazi-Duitsland
GRAAG zou ik u mee terugnemen naar het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog, waar de weg werd bereid voor een dramatische periode van christenvervolging.
In 1919 trouwden mijn ouders en datzelfde jaar droegen zij hun leven op om Jehovah te dienen. Ik werd het jaar daarop geboren, mijn broer Johannes in 1921, Eva in 1922 en ten slotte George in 1928. Wij waren de enige kinderen van Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s Getuigen destijds genoemd werden, in onze stad Wittenberge.
Toen de nationaal-socialisten of nazi’s in 1933 de macht overnamen, werden veel onderwijzers lid van de partij. Omdat ik weigerde te groeten met „Heil Hitler!” werd ik voortdurend getreiterd door klasgenoten die lid waren van de Hitlerjugend. Dit bereikte een climax toen ik niet meedeed aan het zomerzonnewendefeest, waarbij door de nazi’s verboden lectuur, met inbegrip van bijbels, in het openbaar werd verbrand.
Omstreeks dezelfde tijd werd mijn broer Johannes in het bijzijn van heel de klas in zijn gezicht geslagen omdat hij weigerde „Heil Hitler!” te zeggen. Mijn moeder betwistte de onderwijzer het recht dit te doen en citeerde de wet op de vrijheid van aanbidding en meningsuiting, waarvan, in dat vroege stadium van het nazi-bewind, Rudolf Hess en Reichsminister dr. Frick zich openlijk voorstanders betoonden.
De onderwijzer negeerde haar woorden echter en schreeuwde: „Hoe durft u zo te spreken! De Führer heeft de macht overgenomen en iedereen moest maar liever zo snel mogelijk in de pas gaan lopen!” Vervolgens snauwde hij: „Ik zal ervoor zorgen dat u en uw gezin in de goot belanden!”
Moeder keek hem recht in de ogen en antwoordde: „Dat, Herr Sienknecht, zal Jehovah, de God van hemel en aarde, beslissen, en niet u!”
Ons gezin wordt vervolgd
Niet lang daarna kwam Vader thuis en zei plompverloren: „We zitten in Daniëls leeuwekuil!” Hij was op staande voet ontslagen. Dit betekende in feite dat wij het zonder enige zichtbare ondersteuning moesten stellen. Wat moesten wij nu beginnen?
Welnu, mensen van wie wij het ’t minst verwacht hadden, brachten ons eten; sommigen kwamen in alle omzichtigheid ’s avonds naar ons huis. Vader ging later stofzuigers verkopen en verspreidde tegelijkertijd de nu verboden lectuur van het Wachttorengenootschap.
In 1936 namen onze christelijke broeders buiten Duitsland een resolutie aan waarin de Hitlerregering gewaarschuwd werd op te houden met het mishandelen van Jehovah’s Getuigen. Op 12 december 1936, tussen 5.00 en 7.00 uur ’s ochtends, verspreidden de Getuigen in Duitsland de resolutie in het hele land. Bij die gelegenheid ging ik voor het eerst in de velddienst.
In december van dat jaar kregen mijn ouders een dagvaarding om voor het Sondergericht (een speciale rechtbank) in Berlijn te verschijnen. De aanklacht: het verspreiden van de lectuur van een verboden organisatie. Enkele dagen later kwam er een dagvaarding voor ons kinderen om alle vier voor de plaatselijke rechtbank in Wittenberge te verschijnen. Waarom? Er werd beweerd dat wij geestelijk verwaarloosd werden door onze ouders. Wat absurd!
De rechtbankfunctionarissen stonden versteld toen zij ons, kinderen van 16, 15, 14 en 8 jaar, ons geloof aan de hand van de Schrift hoorden verdedigen. Wij vertelden dat „Heil Hitler” „Redding komt van Hitler” betekent, en dat wij die leus niet konden gebruiken omdat redding slechts van Jehovah God komt door bemiddeling van Christus Jezus. Niettemin verordende de rechtbank dat wij bij onze ouders weggehaald en naar een opvoedingsgesticht in Strausberg bij Berlijn gestuurd moesten worden.
Voordat wij opgehaald konden worden, brachten mijn ouders ons naar het station en stuurden ons naar Wolfenbüttel, naar onze grootmoeder. Zij deden dit omdat hun rechtszaak nog hangende was en zij de uitslag vreesden. Op het perron zei Moeder, met tranen in haar ogen, vol overtuiging: „Jehovah kan jullie beter beschermen dan wij.” Onze ouders omhelsden ons voor wat naar zij dachten wel eens de laatste keer kon zijn en citeerden Jesaja 40:11: „Als een herder zal hij zijn eigen kudde weiden. Met zijn arm zal hij de lammeren bijeenbrengen, en aan zijn boezem zal hij ze dragen.” Wij voelden ons enorm getroost.
Totaal onverwacht werd de zaak tegen onze ouders afgewezen wegens gebrek aan bewijs.
Aan de nazi’s ontkomen
Spoedig waren de nazi’s ons jongeren weer op het spoor. Zij troffen onmiddellijk regelingen om ons te zien en ons „standpunt” te controleren. Om hen te ontlopen, verlieten wij onze grootmoeder in Wolfenbüttel en gingen uiteen; wij gingen elk in een andere plaats wonen. Ik nam een baan aan als receptionist in de Duisburger Hof, een hotel in het Rheinland.
Op een dag heerste er grote opwinding in het hotel: propagandaminister Joseph Goebbels en zijn staf werden verwacht. Bij hun aankomst bracht iedereen in de lobby de gebruikelijke groet onder het roepen van „Heil Hitler!” — iedereen behalve ik. Een van de hoge functionarissen merkte dat op en riep mij later in een achterkamer ter verantwoording. Ik dacht: „Nu is het zover!” Maar plotseling werd hij weggeroepen. Klaarblijkelijk had dr. Goebbels hem onmiddellijk nodig. Ik verdween snel in een van de vele gangen van het reusachtige hotel en liet mij de rest van de dag niet meer zien.
Tegen het einde van 1943 namen de Geallieerde luchtaanvallen op de grote steden toe, en voor het eerst werden er gevangenen uit de concentratiekampen gebruikt om te helpen bij de opruim- en herstelwerkzaamheden na bombardementen. In het hotel moesten wat ramen en deuren worden gerepareerd en dus kregen gevangenen de opdracht dit werk te doen. Ik was opgewonden toen ik op hun gestreepte jasjes de paarse driehoeken zag die hen als Jehovah’s Getuigen identificeerden! Toen ik met hen probeerde te praten, pakten de SS-bewakers helaas hun geweren op, richtten op mij en schreeuwden: „Doorlopen!” Ik was diepbedroefd.
Met het oog op de verschrikkelijke wereldtoestanden destijds dachten velen van ons dat dit alles op Armageddon zou uitlopen. Maar toen begon er informatie door te sijpelen dat de Geallieerde strijdkrachten Duitsland binnentrokken. Wij begonnen ons te verheugen omdat wij wisten dat het spoedig gedaan zou zijn met de nazi-tirannie.
De naoorlogse periode
Nadat de stofwolken van de overwinning door de Geallieerden opgetrokken waren, gingen de broeders gretig aan de slag om de openbare prediking te reorganiseren. Ons gezin was nu herenigd — wij waren tien lange jaren gescheiden geweest — en wij woonden in Hannover in het noorden van Duitsland. In dat eerste naoorlogse jaar, 1946, hielden wij de Gedachtenisviering in ons huis, dat groot genoeg was voor al de ongeveer vijftig broeders in Hannover. Wat een gedenkwaardige viering, om zo bijeen te zijn met broeders die pas vrijgelaten waren uit de concentratiekampen en te zien dat de gezalfden van de symbolen gebruikten! Het maakte een onvergetelijke indruk op mij.
In 1946 hielden wij ook ons eerste grote naoorlogse congres in Noord-Duitsland. Er werd menige vreugdetraan vergoten. Zelfs de sprekers moesten af en toe hun lezing onderbreken om hun gevoelens de baas te worden. Het werd hun gewoon te veel toen zij zo velen van hun geliefde broeders vredig bijeen zagen om van het onderricht te genieten zonder omgeven te zijn door prikkeldraad! Hierna schaarde ik mij in de pioniersgelederen en werd toegewezen aan de naburige stad Lehrte.
Vandaar werd ik geroepen om op het Duitse bijkantoor in Wiesbaden te dienen. Toen ik daar in 1947 aankwam, telde de Bethelfamilie nog geen twintig leden. Wij werkten tijdelijk in een grote villa en de ruimte was beperkt. In 1952 werd ik uitgenodigd om de Wachttoren-Bijbelschool Gilead te bezoeken en ik gradueerde met de negentiende klas. Daarna werd ik opnieuw aan Wiesbaden toegewezen om er mijn werk als vertaler voort te zetten.
In 1954, op 34-jarige leeftijd, besloot ik te trouwen. Edith was pionierster en had ook nog wat contractuele verplichtingen als operazangeres. Na verloop van tijd werden wij echter als speciale pioniers naar Lohr, een middeleeuwse stad, gezonden.
Spoedig kwam er weer een verandering van toewijzing. Edith raakte in verwachting van onze zoon Markus, zodat wij de volle-tijddienst moesten verlaten. Later verhuisden wij naar Canada. Daar werd ons nog een zoon, Reuben, geboren. Deze zoons zijn nu 34 en 30 jaar. De een dient als ouderling en de ander als dienaar in de bediening in de gemeente Thornhill in Ontario, ten noorden van Toronto, waar ik als presiderend opziener dien.
Jehovah zegent hen die volharden
Met Jehovah’s hulp heeft zijn volk de verschrikkingen van het nazi-regime overleefd en werd het gereorganiseerd voor meer theocratische dienst. Merk daarentegen eens op wat er met de nazi’s is gebeurd. Hun eerste overwinningen in de vooroorlogse beginjaren hadden zij op de Zeppelinwiese in Neurenberg gevierd. Maar nu konden wij over diezelfde plek beschikken voor een gedenkwaardig congres in september 1946. Het echte hoogtepunt kwam op maandag 30 september. De kantoren, winkels en restaurants in de stad waren de hele dag gesloten.
Maar waarom waren de zaken die bepaalde maandag gesloten? Omdat de doodvonnissen van de nazi-oorlogsmisdadigers in Neurenberg uitgesproken zouden worden. Oorspronkelijk had de uitspraak op 23 september plaats moeten vinden, maar ze was uitgesteld tot 30 september. En dus waren ten tijde dat onze vroegere vervolgers zich in hechtenis bevonden en het vonnis aanhoorden, ja, op dezelfde dag, op wat eens de paradeplaats van diezelfde nazi’s was geweest, wij, de eens vervolgden, gelukkig bijeen voor het aangezicht van onze God!
Terugblikkend kan ik vol vertrouwen zeggen dat wij ons nooit zorgen hoeven te maken wanneer het lijkt alsof de voorzegde naderende vernietiging van dit onrechtvaardige en onderdrukkende stelsel ’op zich laat wachten’. „Het zal zonder mankeren uitkomen”, juist zoals God heeft beloofd. „Het zal geen leugen vertellen.” Jehovah is loyaal. Hij is heer en meester over de tijd. De „bestemde tijd” moet dan ook komen dat hij „zonder mankeren” zijn vijanden zal verdelgen, tot heerlijkheid van hemzelf en tot redding van degenen die hem aanbidden. „Het zal niet te laat komen”! (Habakuk 2:3) — Verteld door Konstantin Weigand.
[Illustratie op blz. 18]
Konstantin Weigand, hier met zijn gezin, overleefde de vervolging van Jehovah’s Getuigen in nazi-Duitsland
[Illustratie op blz. 21]
Nazi’s groeten Hitler in 1937. In 1946 gebruikten Jehovah’s Getuigen dit stadion in Neurenberg voor een congres terwijl de nazi-leiders ter dood werden veroordeeld
[Verantwoording]
U.S. National Archives