De voogdij — Mag religie daarbij in het geding komen?
KARON „heeft liefde voor de kinderen en doet haar best goed voor hen te zorgen. Haar geloofsovertuigingen als Jehovah’s Getuige komen echter op de eerste plaats, en door haar daden en geloofsovertuigingen brengt zij de gezondheid, het welzijn en de beste belangen van de kinderen in gevaar.”
Deze uitspraak van een rechter bij een arrondissementsrechtbank trof Karon als een donderslag. Het betekende dat zij de voogdij over haar twee kleine kinderen — van wie er één een baby van elf maanden was — kwijtraakte. Haar echtgenoot, die vóór de scheiding gehoond had: „Òf Jehovah’s Getuigen òf ik!”, was nu met de voogdij belast. Karon mocht haar dochtertjes nog maar om het andere weekeinde zien.
„Mijn advocaat had mij verzekerd dat mijn kinderen niet van mij konden worden afgenomen vanwege mijn religie, maar dat bewezen zou moeten worden dat ik geen goede moeder was”, legde Karon, een huisvrouw in de staat Missouri (VS), uit. „Ik was er kapot van.” En geen wonder, aangezien ten overstaan van de rechtbank het onweerlegbare bewijs werd geleverd dat zij een liefhebbende moeder was die ’geregeld welbestede tijd met haar dochtertjes doorbracht’.
Karon moest nu naar een stad op 160 kilometer afstand reizen om haar dochtertjes te bezoeken. „Elke keer als ik na zo’n bezoek weer wegging, moesten de ouders van mijn ex-man, die voor de meisjes zorgden, hen letterlijk van mijn benen af trekken zodat ik kon gaan”, vertelde Karon. „Zij schopten en schreeuwden: ’Waarom kunnen wij niet met jou mee naar huis?’ Er waren tijden dat ik onderweg naar huis langs de kant van de weg moest gaan staan vanwege mijn tranen en moest bidden of Jehovah mij kracht gaf.” Karon ging in hoger beroep.
In een unanieme uitspraak wezen de zes rechters van het hooggerechtshof van Missouri haar dochtertjes weer aan haar toe. Appelrechter John Bardgett gaf te kennen er „vast van overtuigd te zijn dat de rechtbank ongelijk had” met haar conclusie „dat de leden van de religie van Jehovah’s Getuigen, als klasse en vanwege de leerstellingen van dat geloof, onbekwaam zijn om de voogdij over kinderen te hebben”.a
Ook enkele lagere rechtbanken in Australië, de Bondsrepubliek Duitsland, Japan, Canada, Zuid-Afrika en andere landen hebben ouders de voogdij ontzegd wegens hun geloofsovertuigingen. Hoewel veel van deze vonnissen door hogere rechtbanken herroepen zijn, vinden zulke onrechtvaardigheden nog steeds plaats.
Ouders die niet met het gezag over hun kind belast zijn, zijn eveneens het slachtoffer van religieus vooroordeel geworden. Een rechter bij een lagere rechtbank in Massachusetts ging zo ver dat hij voorschreef dat een vader tijdens het bezoek van zijn kinderen „niet met de kinderen [de] bijbel mocht lezen en hen niet mee mocht nemen naar kerkdiensten (en zelfs de Tien Geboden niet voor hen mocht opzeggen)”.b Een journalist gaf als commentaar: „De hele affaire zal u misschien lachwekkend voorkomen — tenzij het uw eigen geloofsovertuigingen betreft.”
Ja, als het nu eens uw geloofsovertuigingen waren? De implicaties die het heeft wanneer een rechtbank gaat oordelen over de religieuze banden van een ouder zijn onheilspellend. „Sommigen die zich weinig aan Jehovah’s Getuigen gelegen laten liggen, vragen zich toch af of het de taak van een rechtbank is om een vader op te leggen dat hij de Tien Geboden niet mag opzeggen of de bijbel niet aan zijn kinderen mag voorlezen”, aldus de Los Angeles Times.
De vraag die hierdoor wordt opgeworpen, is: In hoeverre mag de staat zich in de privé-aangelegenheden van zijn burgers mengen? Een juridisch commentator waarschuwde in feite dat zulke praktijken zouden kunnen „uitlopen op aanneming van een voor ieder gezin geldende gerechtelijke maatstaf voor een orthodoxe kinderopvoeding”. Zou u willen dat een rechter, een die misschien een andere religieuze overtuiging is toegedaan, dit voor u zou beslissen?
De rechtbank en religie
Rechtbanken hebben zelf het kleine bestek erkend waarbinnen ze strikt genomen een gerechtelijk onderzoek naar religieuze overtuigingen en praktijken kunnen instellen. In zijn commentaar op een zaak verklaarde rechter Jeffers van het hooggerechtshof van de staat Washington: „Wij betwijfelen niet of de staat het recht heeft om religieuze praktijken die gevaar opleveren voor de moraal en, naar men mag aannemen, ook die welke niet bevorderlijk zijn voor de openbare veiligheid, de gezondheid en de goede orde, te verbieden, maar voor zover uit het getuigenis in deze zaak blijkt, kunnen de leringen van Jehovah’s Getuigen naar onze mening niet tot een van deze categorieën gerekend worden.”c
Dus wanneer religieuze praktijken „de openbare veiligheid, de gezondheid en de goede orde” niet aantasten en er niet „feitelijk is vastgesteld dat het tijdelijke welzijn van het kind door de beoefening van de religie in onmiddellijk en wezenlijk gevaar wordt gebracht”, mag de rechtbank niet de religie van een van de ouders begunstigen. Het hof van appel van Ontario (Canada) verklaarde kort en bondig: „Het staat niet aan het hof een keuze te maken tussen de twee religies.” Een ouder de voogdij ontzeggen vanwege zo’n partijdigheid is „een zware straf voor de beoefening van een geloof dat noch illegaal noch immoreel is”.d
Zo nu en dan zijn religieus bevooroordeelde „deskundigen” tot discriminatie overgegaan. Beschouw bijvoorbeeld dit getuigenis van een psycholoog eens: „Ik zeg dat het ongezond is voor dit kind om als een getuige van Jehovah te worden grootgebracht. . . . Omdat zij in deze maatschappij leeft, moet zij zich aan de heersende culturele stroming aanpassen. Zij groeit niet op in een land van Jehovah’s Getuigen. Als de meerderheid van de bewoners van dit land Jehovah’s Getuige was, zouden wij geen enkel probleem hebben.”
Als zo’n advies werd opgevolgd, zou het betekenen dat elke ouder die tot een religieuze minderheid behoort, de voogdij over zijn of haar kinderen ontzegd moet worden! Het is schokkend dat enkele rechters in de staat Florida er door die verklaring toe gebracht werden de moeder niet tot voogd over haar vierjarige dochtertje te benoemen, ondanks het onbetwiste getuigenis dat het meisje „bijzonder sterk aan haar moeder gehecht was”.
Het is veelzeggend dat rechter Baskin weigerde deze onrechtvaardige beslissing waartoe de andere twee rechters van het hof van appel van Florida (Derde Arrondissement) kwamen, te onderschrijven. Rechter Baskin verklaarde: „Uit het verslag komen duidelijk de persoonlijke vooroordelen van de deskundigen tegen de religie van de moeder naar voren. Hun verachting voor de religie van de moeder bracht hen ertoe te speculeren over de mogelijke toekomstige schade voor het kind, ook al bestond er geen bewijs voor een dergelijke schade. De rechtbank had zich blijkbaar door hun verre van objectieve beschouwingen laten overtuigen . . . en het vonnis mag niet gehandhaafd blijven.”e
Wat door deze rechtbank in de Verenigde Staten werd gedaan, is vergelijkbaar met wat er in een totalitair land gebeurde tijdens het bewind van Hitler. In 1937 werden door een arrondissementsrechtbank in nazi-Duitsland van een gezin dat tot een religieuze minderheid behoorde, de kinderen afgenomen. Hoe werd dit gerechtvaardigd? De rechtbank verklaarde: „Als ouders hun kinderen door hun eigen voorbeeld een levensfilosofie onderwijzen die hen tot onverzoenlijke tegenstanders maakt van de ideeën die de overgrote meerderheid van het Duitse volk is toegedaan, dan vormt dit een misbruik van de ouderlijke macht . . . [zodat] de kwalijke educatieve invloed van de ouders geëlimineerd en tenietgedaan [dient te worden].”f
De kinderen groeien voorspoedig op
Ondervinden kinderen er psychische schade van wanneer zij verbonden zijn met een minderheidsgroep? In het eerder genoemde geval van Karon speculeerde de rechter-commissaris dat de ’ontwikkeling van haar dochtertjes tot produktieve burgers’ en ’hun aanpassing op school en in de gemeenschap’ belemmerd zouden worden doordat zij opgevoed werden in de minderheidsreligie van hun moeder. Had hij gelijk? Beschouw de situatie nu eens, tien jaar later.
De schoolrapporten van de meisjes, die nu actieve Getuigen zijn, spreken luid en duidelijk. Op het rapport van de elfjarige Monica, dat hoge cijfers vertoonde, stond vermeld dat haar „persoonlijke/sociale ontwikkeling” „bevredigend” was. Haar lerares schreef op het rapport: „Monica is een lief kind en ze is heel betrouwbaar. Ik vind het prettig haar in mijn klas te hebben.” Karons oudste dochter, de dertienjarige Shelly, heeft van de president van de Verenigde Staten een onderscheiding gekregen wegens „uitnemende schoolprestaties”. Zij werd ook tot „Burger van de maand” gekozen vanwege haar goede „persoonlijke betrekkingen met de staf en de leerlingen, en haar goede studiegewoonten”. Klinkt dat alsof het hier om slechtaangepaste kinderen gaat?
Voor een geloofsovertuiging opkomen, is bevorderlijk voor iemands karakter en geestkracht. Opperrechter Struckmeyer van het hooggerechtshof van Arizona gaf in een andere voogdijzaak waarbij een Getuige betrokken was het volgende commentaar: „Wij zijn ons ervan bewust dat afwijking van het normale vaak spot en kritiek oproept. . . . Kritiek is de vuurproef waardoor een karakter wordt getoetst. Conformiteit verstikt de verstandelijke vermogens, wat tot decadentie leidt.”g
Ja, kinderen die reeds op jonge leeftijd worden opgeleid om redenen te geven voor hun geloofsovertuiging leren hun verstand te gebruiken. In plaats van ’hun verstandelijke vermogens te verstikken’, is deze opleiding zeer nuttig, zoals blijkt uit de verrassende uitkomst van een studie van 394 twaalfjarigen. „Een onevenredig groot aantal zeer creatieve kinderen was Jehovah’s Getuige”, onthulden de Australische onderzoekers. „Het meisje dat de hoogste score behaalde bij de [creativiteits]tests en het meisje dat als enige van zowel de jongens als de meisjes op alle vijf de prestatieterreinen tot de beste 20 procent behoorde, waren beiden Jehovah’s Getuigen.” — Journal of Personality, maart 1973.
Juist vanwege hun religieuze overtuiging vatten ouders die Jehovah’s Getuigen zijn de noodzaak om „hun kinderen lief te hebben” en hoge morele maatstaven te bevorderen, ernstig op (Titus 2:4, 5). Veel rechtbanken hebben deze hoogstaande zorg opgemerkt. Om een voorbeeld te geven: In een voogdijzaak die in 1986 te Muscatine (Iowa, VS) diende, begonnen de vader en de zogenaamde deskundige die gevraagd was te getuigen, de religie van de moeder, die een Getuige was, in een kwaad daglicht te stellen. Rechter Briles bleef onpartijdig en verklaarde: „Het hof kan geen partij kiezen.”
Hoewel rechter Briles de vader een ruim bezoekrecht toekende, benoemde hij de moeder tot voogd, want, zo zei hij: „Het hof is ervan overtuigd dat deze kinderen tot niets anders dan gelukkige kinderen zullen opgroeien wanneer zij bij de [moeder] blijven, ook al schijnt haar religie af te wijken van wat in Amerika gangbaar is. Het hof is er ook van overtuigd dat de beste belangen van de kinderen geschaad zouden worden als zij de liefde, geborgenheid en beginselvastheid van een dergelijke hoogstaande zorg zouden moeten missen.” Deze uitspraak werd door het hof van appel van Iowa bevestigd.h
Brengen religieuze verschillen kinderen in verwarring?
In een ander voogdijgeschil bevestigt de ervaring van Julie de wijsheid van de bovengenoemde uitspraak. Julie behield het contact met beide ouders, die gescheiden waren toen zij zes was. Nu, op twintigjarige leeftijd, legt zij uit: „Ik vind het een uitgesproken voordeel. Ik kon met eigen ogen het verschil zien tussen het katholieke geloof en de Getuigen. Mijn broer en ik gingen met Mams mee naar de Koninkrijkszaal, maar op zondag gingen wij met Paps naar de kerk omdat wij de weekeinden bij hem waren.”
Men heeft geconstateerd dat ook al worden zulke kinderen aan tegenstrijdige religieuze zienswijzen blootgesteld, zij er weinig of geen schadelijke gevolgen van ondervinden. Een studie door de Canadese onderzoeker James Frideres wees uit: „Er is weinig verschil merkbaar tussen kinderen uit [religieus] verdeelde en uit homogame huwelijken. De gegevens dienaangaande leveren geen bewijzen op voor eerder onderzoek waarbij werd gesuggereerd dat kinderen uit gemengde huwelijken psychisch ’minder stabiel’ zouden zijn.” — Jewish Social Studies, 1973.
Een kind heeft het recht de religieuze zienswijzen van beide ouders te begrijpen. Wanneer hij meerderjarig wordt, kan hij zijn eigen keus maken. In Julies geval bleef de rechtbank bij haar juiste neutrale standpunt ten aanzien van religie en had slechts oog voor de beste belangen van het kind. Er wordt recht gedaan wanneer rechtbanken toestaan dat beide ouders een inbreng hebben in verband met de kinderen en dat dezen uiteindelijk in religieuze kwesties hun eigen beslissing nemen. Wat zou het fijn zijn als rechtbanken dit standpunt zouden blijven innemen!
[Voetnoten]
a Waites v. Waites, 567 S.W.2d 326 (Mo. 1978).
b Felton v. Felton, 383 Mass. 232, 418 N.E.2d 606 (1981).
c Stone v. Stone, 16 Wash. 2d 315, 133 P.2d 526 (1943).
d Osier v. Osier, 410 A.2d 1027 (Me. 1980); In re Custody of Infants Bennett, (1952) 3 D.L.R. 699 (Ont. Ct. App.); Quiner v. Quiner, 59 Cal. Rptr. 503 (Ct. App. 1967).
e Mendez v. Mendez, 85-2807 (Fla. Dist. Ct. App., 28 april 1987).
f Arrondissementsrechtbank, Waldenburg, Silezië, 2 november 1937 (VIII, 195). Uittreksel uit Deutsche Justiz (bulletin van het Duitse Departement van Justitie) van 26 september 1937.
g Smith v. Smith, 90 Ariz. 190, 367 P.2d 230 (1961).
h In re Deierling No. 36651, (Scott County Dist. Ct., 12 nov. 1986), bekrachtigd, 421 N.W.2d 168 (Iowa Ct. App. 1988).
[Kader op blz. 7]
Zijn de geloofsovertuigingen van Jehovah’s Getuigen schadelijk? — Wat rechters zeggen
◼ „Er is geen basis om te concluderen dat de religieuze opvoeding van de twee kinderen in [het geloof van] de Jehovah’s Getuigen nadelig blijkt te zijn geweest voor hun gezondheid of hun emotionele conditie.” — Koerner v. Koerner, No. 002793 (Gerechtshof in Connecticut, 2 oktober 1979).
◼ „Ik kan niet inzien dat zij eronder zullen lijden wanneer zij hun vader bij zijn openbare prediking vergezellen. . . . Ik heb in deze zaak geen bewijzen kunnen vinden die mij ervan overtuigen dat een getuige van Jehovah door de beoefening van zijn religie onze maatschappelijke orde dreigt te verwoesten.” — Evers v. Evers, 19 F.L.R. 296 (Hooggerechtshof van New South Wales, Australië, 1972).
◼ „Mevr. Ayers de voogdij ontzeggen . . . zou neerkomen op de uitspraak dat de levensstijl die wordt aangehangen door niet-Jehovah’s Getuigen te verkiezen is boven die van Jehovah’s Getuigen; dat Jehovah’s Getuigen geen goede ouders zijn. Zo’n veronderstelling is duidelijk absurd en zou een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van godsdienst zijn.” — Ayers v. Ayers, (Provinciale rechtbank van British Columbia [Canada], Afdeling Familierecht, 8 april 1986).
[Kader op blz. 9]
Komen de kinderen iets te kort?
In Quebec (Canada) beweerde een vader dat zijn kinderen als gevolg van de geloofsovertuigingen van zijn ex-vrouw, die een Getuige was, te kort gedaan werd en dat zij emotioneel mishandeld werden. Hij vroeg de rechtbank om tussenbeide te komen. De kinderen moesten getuigen. Let eens op de antwoorden van zijn zestienjarige dochter:
V.: Wat voor leven heb je als Getuige?
A.: Ik denk dat ik hetzelfde leven leid als alle andere tieners. Ik kom niets te kort. Ik bezie mijzelf niet als anders dan anderen.
V.: Wat steek je op van die vergaderingen in de Koninkrijkszaal?
A.: In de eerste plaats geeft het mij een doel in mijn leven. Ik weet waarop ik mijn toekomst moet baseren in overeenstemming met mijn geloofsovertuigingen. In de tweede plaats heb ik daar veel vrienden met wie ik kan omgaan.
V.: Zijn die vergaderingen een hulp bij je schoolwerk?
A.: Ja, want wij houden op onze vergaderingen toespraakjes van vijf minuten voor alle aanwezigen. Wanneer wij op school een spreekbeurt moeten houden, zijn veel leerlingen zenuwachtig. Maar omdat ik al toespraakjes houd, heb ik zogezegd een voorsprong.
„Welke uitwerking heeft het beoefenen van zo’n religie?” vroeg de rechter in zijn uitspraak. „De rechtbank heeft positieve dingen ontdekt in plaats van het bewijsmateriaal dat [de vader] in zijn argumentatie wilde geven.” Nadat de rechter de zaak ten gunste van de Getuige-moeder had beslist, zei hij in besloten kring tot beide advocaten: „Ik wou dat ik zulke kinderen had!”
[Illustratie op blz. 8]
Vanwege haar geloof werd Karon aanvankelijk de voogdij over haar twee dochtertjes ontzegd