Mijn speurtocht naar een doel
IK HAD bijna een maand in het vissersdorpje op Sri Lanka doorgebracht. Het was er kalm en rustig, echt idyllisch. Ik had een kleine hut, en voor een luttel bedrag per dag voorzag een buurman mij van rijst en groenten en zo nu en dan wat vis.
Op een morgen kwam er als uit het niets een door de zon gebruinde man over het zand naar mij toegelopen. Mijn eerste reactie was dat hij misschien net als ik een Nieuwzeelander was, maar aan zijn begroeting merkte ik meteen dat hij een Australiër was.
„Heb je al ergens onderdak?” vroeg ik, verbaasd hoezeer ik de oosterse gastvrijheid al had overgenomen.
Hij scheen blij met mijn uitnodiging en begon zijn weinige bezittingen uit te pakken en zich te installeren. Mijn oog viel op een gebonden groen boek.
„Wat is dat?” vroeg ik.
„Een bijbel.”
Nu kom ik uit een kerkelijk gezin en ik dacht dat ik alles wat de „westerse religie” te bieden had wel kende. Bovendien had ik ze als volkomen huichelachtig verworpen.
„Waarom neem je de moeite om zo’n zwaar ding mee te sjouwen?” vroeg ik nogal cynisch.
„Er staan een paar prima dingen in”, antwoordde Adrian. „Het spreekt zelfs over het einde van de wereld zoals wij die kennen!”
Ik was sceptisch. „Kun je me dat aantonen?”
En dat kon hij. Ik was stomverbaasd!
Het begin van mijn speurtocht
Wat deed ik, een 21-jarige Nieuwzeelander, in november 1976 op Sri Lanka? Welnu, ik was bezig met een speurtocht naar kennis, en die voerde mij naar veel plaatsen: van zoele, maanverlichte nachten op tropische Aziatische stranden naar groezelige opiumkitten in Penang; van een bijna-schipbreuk voor de kust van Afrika naar de overvolle markten van Port Soedan.
In 1975 zei ik mijn ouders en mijn veelbelovende baan vaarwel en vertrok naar Australië. Mijn plan was geld te verdienen in de Australische mijnen om een reis rond de wereld te kunnen bekostigen. Het liep allemaal op rolletjes. Ik vond werk in een uraniummijn en verdiende goed. Maar al voordat ik aan mijn reis begon, kwam er een verandering in mijn denken. Ik vroeg mij af wat de zin van het leven was. In de hoop de antwoorden te vinden, begon ik boeken over filosofie en religie te lezen.
Eerste halte, Indonesië
Toen ik dacht dat ik in de mijn voldoende geld had verdiend, ging ik op weg naar mijn eerste stopplaats, Indonesië. Daar raakte ik erg gesteld op de Aziatische manier van leven. Het weinige belang dat men aan materiële dingen hechtte en het lang niet zo jachtige bestaan trokken mij aan. Natuurlijk was dit gemakkelijk voor mij — ik had geen last van de ondervoeding, de slechte hygiënische toestanden en de extreme armoede waarmee de plaatselijke bevolking te kampen had.
Ik reisde per bus, trein, boot, ossewagen en te voet over de eilanden van Indonesië, waaronder Bali, Java en Sumatra. Hoe langer ik reisde, hoe oppervlakkiger en leger de westerse manier van leven mij toescheen. Niettemin zag ik wel dat ook de oosterse levenswijze — hoewel minder materialistisch — niet het antwoord op mijn vragen vormde.
Van medereizigers kocht ik LSD. Ik gebruikte de drug niet om de kick. Ik zocht naar een of andere verborgen kennis, een vorm van verlichting. Onder invloed van de drug dacht ik een moment het leven te zien zoals het werkelijk was, met volmaakte klaarheid en begrip. Maar hierop volgde een verschrikkelijke misselijkheid, en toen die voorbij was, besefte ik dat ik geen concrete antwoorden had gevonden.
Van Sumatra reisde ik verder naar Maleisië — een prachtig land met vriendelijke bewoners. In het centrum van het Maleisische schiereiland ligt de staat Pahang, een hooggelegen regenwoudgebied waar wilde orchideeën gewoon langs de weg groeien en goed gedijen in de koele, vochtige lucht. Het monterde mij enorm op als ik te midden van deze onbedorven prachtige natuur liep.
Thailand, Birma en India
Van Maleisië trok ik verder naar Thailand en vandaar naar Birma. Elk van deze landen bracht mij in verrukking en fascineerde mij door zijn eigenaardigheden, voedsel, gebruiken en bevolking. Hoe intrigerend ze ook waren, werkelijke antwoorden op mijn vele vragen vond ik niet. Na slechts een kort verblijf in Birma besloot ik daarom over te steken naar India.
Ah! Oud, mysterieus, devoot India! Misschien was dit de plaats waar ik zou vinden wat ik zocht. De overvolle steden deprimeerden mij en daarom verhuisde ik zo gauw mogelijk naar het Indiase platteland. Hier scheen het leven weinig door de twintigste eeuw veranderd te zijn; overal was een sterke religieuze invloed merkbaar.
Ik keek gefascineerd naar een voorbijtrekkende hindoeprocessie. Iedereen droeg saffraankleurige kleding. Bloemendragers strooiden rode jasmijnbloemblaadjes voor de processie uit. Mensen kusten de grond. ’Heilige mannen’, gekleed in slechts een lendendoek, hun lichaam glanzend door een laagje geparfumeerde olie, zongen voortdurend. Maar opnieuw voelde ik mij teleurgesteld. Hoewel ik de devotie van de Indiase mensen bewonderde, vond ik nog steeds niet de antwoorden die ik zocht.
Naar Sri Lanka
De ontberingen van maanden reizen, gevoegd bij de drukkende hitte en slecht eten, eisten hun tol. Ik had een plek nodig waar ik op krachten kon komen. Meer nog, ik had een reden nodig voor wat ik aan het doen was, in feite een reden voor alles — een reden om te leven.
Ik had gehoord van de schoonheid van Sri Lanka, het peervormige eiland vlak voor de zuidpunt van India. Men had het mij beschreven als een tropisch eiland met zandstranden, koraalriffen in kristalhelder water, koele plateaus waar thee werd verbouwd en hoge bergtoppen. Een betere plaats voor rust en verdere meditatie was er niet!
Er was mij gezegd dat ik aan de oostkust precies datgene zou vinden wat ik nodig had, dus streek ik daar neer in een klein vissersdorpje. Hier vond mijn toevallige ontmoeting met Adrian plaats. Maar waarom was ik zo verbaasd toen Adrian mij in antwoord op mijn vraag uit de bijbel voorlas? Omdat de twee passages die hij mij toonde uit hoofdstuk 24 van Matthéüs en hoofdstuk 3 van 2 Timótheüs kwamen. Die had ik nooit in de kerk horen voorlezen. Hier werd nota bene voorzegd dat „de laatste dagen” gekenmerkt zouden worden door een toename van de misdaad, een verkoeling van de liefde, voortdurende schermutselingen tussen de naties, vrees onder de mensen, enzovoort! Ik kon mijn verbazing niet voor mij houden.
Adrian lachte. „O, er is nog meer”, zei hij.
Wij zaten op het strand onder een hemel vol sterren en zagen een reusachtige oranje maan uit de zee opkomen. Adrian legde uit wat hij van het grote voornemen van de Schepper met onze planeet af wist. Hoewel de verwezenlijking van dat voornemen om verschillende redenen op zich had laten wachten, zou het ten uitvoer worden gebracht, en wel heel spoedig.
Ik begreep niet alles wat Adrian zei, maar iets in dit hele gesprek raakte een gevoelige snaar in mij, zoals ik nooit eerder had ervaren. De volgende dag schreef ik in mijn dagboek: „Voor de eerste maal in al mijn contacten met het christendom bespeur ik waarheid. De profetieën zijn onmiskenbaar; het einde van het samenstel is ophanden.”
Het begon tot mij door te dringen dat als de almachtige God een voornemen had en wij in overeenstemming met dat voornemen handelden, wij ook een doel in ons leven konden hebben. De gedachte om voor eeuwig op een paradijsaarde te leven — hoewel mij dat nog steeds een beetje utopistisch toescheen — zou inderdaad een groots doel zijn, en ik besloot het nader te onderzoeken.
Toen werd ik volkomen verrast door een andere schriftplaats. Adrian vertelde mij dat God een persoonlijke naam heeft en liet mij Psalm 83:18 lezen: „Opdat men weet dat gij, wiens naam Jehovah is, gij alleen de Allerhoogste zijt over heel de aarde.” Nu begon ik te begrijpen dat deze Schepper niet slechts een kracht was maar een werkelijke persoon met een persoonlijke naam.
Een verandering in de plannen
Ik was van plan geweest naar India terug te keren als mijn gezondheid weer wat beter was, daarna naar de Himalaja te trekken en Nepal te bezoeken. Maar Adrian en ik besloten een gepensioneerd Amerikaans echtpaar te helpen dat een zeiltocht rond de wereld maakte. Zij hadden hulp nodig bij het zeilen van hun 17 meter lange jacht op de volgende etappe van hun reis, die hen over de Indische Oceaan naar Kenia voerde. Ik was blij met de gelegenheid te kunnen zeilen en kon nu bovendien meer over de bijbel leren door gesprekken met Adrian.
Maar waar had Adrian al de opzienbarende dingen die hij mij uit de bijbel toonde, geleerd? Hij legde uit dat hij in Australië met Jehovah’s Getuigen had gestudeerd. Hij was nog niet zo ver gevorderd dat hij zelf een Getuige was geworden, maar hij hoopte eens zo ver te komen. Achter in zijn bijbel stond een lijst met adressen waar men met Jehovah’s Getuigen contact kon opnemen. Wij zochten de lijst af.
„Daar staat het”, zei ik. „Nairobi, Kenia. Zo gauw wij Afrika bereiken, zoek ik hen op.”
Een andere profetie vervuld
Toen ik op een morgen als gewoonlijk opstond en aan dek klom om over de oceaan uit te kijken, zag ik tot mijn afschuw dat het water in plaats van het gebruikelijke diepblauw een donkere, koffiebruine kleur had. Overal dreven plakkaten bruine drab. Een dunne laag vieze smeer bedekte het oceaanoppervlak, zo ver het oog reikte. Wij waren in een plas ruwe olie verzeild geraakt!
Het bruine slijk kleefde aan de waterlijn van het jacht. Pas nadat wij die hele dag en een gedeelte van de volgende dag hadden gevaren, waren wij erdoorheen. De olievlek moet minstens 160 kilometer lang zijn geweest. De schipper legde uit dat supertankers die rond Kaap de Goede Hoop varen op weg naar de Perzische Golf voor hun aankomst hun ballasttanks leegspoelen. Veel van deze afvalolie drijft dan naar het Zuidpoolgebied, waar het schade toebrengt aan het plankton, de eerste schakel in de voedselketen in de oceaan.
Adrian maakte van de gelegenheid gebruik om mij bijbelverzen te tonen die laten zien dat de mensen in de laatste dagen ’de aarde zouden verderven’ maar dat God op zijn beurt „hen [zal] verderven die de aarde verderven” (Openbaring 11:18). ’Waar spreekt de bijbel eigenlijk niet over?’ dacht ik bij mijzelf.
Mijn eerste contact met de Getuigen
Na de Malediven en de Seychellen te hebben aangedaan, gingen wij voor anker in Mombasa, een grote zeehaven. Enkele dagen later bezochten wij het Keniase bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Nairobi. Wij werden warm verwelkomd en kregen een rondleiding door de gebouwen. Aan één muur hingen grote landkaarten van Oost-Afrika met een aantal gekleurde spelden erin gestoken. De coördinator van het bijkantoorcomité legde uit dat het hele gebied systematisch werd bewerkt door de Getuigen, die het goede nieuws van Gods koninkrijk predikten.
„Maar dat hele gebied is vergeven van de tseetseevliegen!” protesteerde ik. „En daar wonen alleen maar nomadische Masai-stammen!”
„Dat klopt”, zei hij. „Dat bewerken wij allemaal.”
Daarna opende hij de bijbel bij Matthéüs hoofdstuk 24, waarvan ik mij het eerste gedeelte kon herinneren omdat Adrian mij dat had getoond. Hij las mij vers 14 voor: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën, en dan zal het einde komen.” ’Nou,’ dacht ik, ’het lijkt erop dat deze mensen dat inderdaad doen!’
Kennis heeft effect
Door de dingen die ik leerde, verloor het zwerven over de aardbol veel van zijn aantrekkingskracht. Niettemin gingen Adrian en ik verder, bezochten Soedan, Egypte en kwamen ten slotte in Israël. Het was nu mei 1977 en wij besloten van boord te gaan. Wij waren blij dat wij dat hadden gedaan, want kort daarna zonk het jacht.
Adrian besloot naar Australië terug te keren omdat hij voelde dat hij verder moest gaan met Jehovah’s Getuigen. Het was echter niet hetzelfde zonder Adrian. Ik miste zijn vriendschap meer dan ik had verwacht. Ik bezocht Cyprus, Griekenland, Italië en Duitsland. Hoewel al deze landen intrigerend waren, scheen het voortdurende reizen mij minder bevredigend toe dan ooit. Ik besefte dat dit niet werkelijk de manier was om een doel in het leven te vinden.
Er zat maar één ding op: terugkeren naar een stabiel leven en er in alle ernst mee beginnen meer over Jehovah God te weten te komen door een geregelde bijbelstudie. Toen ik ten slotte in Londen arriveerde, kocht ik een vliegticket naar Australië. Kort daarop werkte ik weer in de uraniummijn — maar was ook gaan studeren. Eenmaal per week reed een Getuige uit de dichtstbijzijnde stad 60 kilometer naar mij toe om met mij te studeren.
Een doel in het leven gevonden
Het begin van 1979 bracht een vreugdevol weerzien met Adrian, deze keer in een gemeente van Jehovah’s Getuigen in Woy Woy, halverwege het kustgebied van New South Wales. In juli van dat jaar werden wij tegelijk gedoopt. Sedertdien hebben wij vorderingen gemaakt in de christelijke levenswijze. Wij zijn beiden met een fijn christelijk meisje getrouwd. Mijn vrouw Julie en ik hebben vervolgens het volle-tijd predikingswerk als pioniers ter hand genomen en ook Adrians vrouw is in de pioniersdienst gegaan.
Meer dan acht geestelijk produktieve jaren zijn er sinds onze doop verstreken. Wij hebben een aantal anderen kunnen helpen eveneens een doel in hun leven te vinden. Zo had een bijbelstudie met de leden van een rockband en enkelen van hun vrienden tot resultaat dat vijf van hen de waarheid aanvaardden en bij dezelfde gelegenheid werden gedoopt.
In 1986 verhuisden Julie en ik om in een gedeelte van New South Wales te dienen waar minder Getuigen zijn. Daar hadden wij de gelegenheid om kennis van de ware God Jehovah te verbreiden onder Aborigines, veeboeren en mensen in kleine plaatsen op het platteland. Dit betekende een hele aanpassing voor Julie, die nu een flink eind van haar ouders en zeven broers en zussen vandaan kwam te wonen. De wetenschap dat vijf andere leden van het gezin eveneens werkzaam zijn in het volle-tijd Koninkrijkswerk stemt haar echter gelukkig. In 1987 waren wij opgetogen toen wij een uitnodiging kregen om met de Australische Bethelfamilie in Ingleburn samen te werken en te helpen bij de uitbreiding van de drukkerij en het Bethelhuis.
De liefde voor het reizen zit Julie en mij nog steeds in het bloed. Maar wij zien uit naar de tijd waarin de aarde een prachtig paradijs wordt. Dan zal er tijd zijn om reizen te maken die veel lonender zullen zijn dan al wat wij nu zouden kunnen ervaren. Intussen ondervinden Julie en ik voortdurend Gods rijke zegen terwijl wij volhardend en vol vertrouwen het meest lonende doel van allemaal nastreven — het dienen van Jehovah, een liefdevolle God met een voornemen. — Zoals verteld door David Moffatt.
[Illustratie op blz. 23]
Het dorpje op Sri Lanka waar ik Adrian ontmoette
[Illustratie op blz. 24]
Met mijn vrouw in onze pionierstoewijzing in Moree (New South Wales)