Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g88 22/3 blz. 9-12
  • Ik ontvluchtte religieuze misleiding

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik ontvluchtte religieuze misleiding
  • Ontwaakt! 1988
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik was de voorganger van een pinkstergemeente
    Ontwaakt! 1976
  • Hoe zal ze zich verder ontwikkelen?
    Ontwaakt! 1982
  • Is „spreken in talen” voor hedendaagse christenen?
    Ontwaakt! 1978
  • Niet aan dovemans oortjes
    Ontwaakt! 1997
Meer weergeven
Ontwaakt! 1988
g88 22/3 blz. 9-12

Ik ontvluchtte religieuze misleiding

IK HERINNER me nog het eerste „wonder” dat ik zag. Ik was toen zes en een half jaar. Mijn moeder en ik waren op een bijeenkomst van de Pinksterbeweging die in een huis werd gehouden. De voorganger zong en hij kreeg de geest, zoals dat bij aanhangers van de Pinksterbeweging gebeurt als zij zingen. Het was winter en er stond een grote ronde kachel midden in de kamer. Ik zag hem in de kachel reiken, nog steeds zingend en zachte kreten slakend, en hij nam er een groot brok steenkool uit dat was verbrand tot een gloeiend hete sintel. Hij hield het met beide handen op en droeg het de kamer rond, alsmaar triomfantelijke kreten slakend en zingend. Al die tijd zongen en schreeuwden en dansten de anderen om hem heen. Na de bijeenkomst keek iedereen steeds weer naar zijn handen om te zien of ze verbrand waren. Er was geen vlekje te zien!

En dit was slechts één van de tekenen van deze pinkstergemeente in Kentucky waar mijn moeder heen ging. Zij geloofden in het zestiende hoofdstuk van Markus, te beginnen bij het zeventiende vers, waar gesproken wordt over het spreken in tongen, het genezen van zieken, het opnemen van slangen en het drinken van vergif. (Deze verzen zijn niet-authentiek: ze staan niet in de oudste bijbelhandschriften.) Niet alle pinkstergemeenten geloven in deze dingen. Maar als je ze ziet gebeuren, krijg je het gevoel dat God wel in zo’n kerk moet zijn die deze tekenen kan verrichten zonder dat mensen verwondingen oplopen.

Daarna verhuisden wij naar Indiana. Ik werd gedoopt toen ik twaalf was, in 1953. Ik leerde gitaar spelen en groepen begeleiden die op de bijeenkomsten zongen. Ik dacht dat dit deel uitmaakte van mijn dienst voor God — door dit gezang krijgen de aanhangers van de Pinksterbeweging de geest. Als ik de geest kreeg en in tongen sprak, wist ik niet wat ik zei, maar het gaf me een prettig gevoel.

Zelf heb ik nooit slangen in mijn handen gehad, maar ik herinner me een weekend dat ik op bezoek was in de kerk in Kentucky waar ik vroeger heen ging. Een voorganger die op bezoek was, kreeg de geest en haalde een grote ratelslang uit de doos die hij had meegebracht. Hij wond de slang rond zijn hand en schreeuwde het uit. Ik stond op het podium achter hem bij de zangers en ik herinner me dat ik zag hoe er bloed tussen zijn vingers door begon te sijpelen. Daarop kreeg de voorganger die ik jaren voordien met vuur in zijn handen had zien lopen de geest, en hij kwam naar voren en pakte de slang uit de hand van de andere voorganger en deed ze terug in de doos. Maar de man die gebeten was, werd niet ziek. Van drie mensen die ik gekend heb, herinner ik me echter dat zij door slangen werden gebeten en wèl stierven. Mijn schoonvader was een van hen.

Toen ik negentien was, trouwde ik met een jonge man die geacht werd gered te zijn. Maar hij was geen krachtig lid van de Pinksterbeweging. Ik heb hem eenmaal slangen zien opnemen, maar toch kwam zijn geest niet met de mijne overeen. Hij placht zich enige tijd goed aan ons geloof te houden maar hield het dan voor gezien, begon te roken en deed andere dingen waar wij geen voorstanders van waren. Die geestenkwestie was wel iets wat mij verontrustte. Als aanhangers van de Pinksterbeweging de geest kregen, waren de geesten niet altijd gelijk. Sommige waren sterker, sommige waren niet met elkaar in overeenstemming en sommige raakten zelfs met andere in conflict.

Het was iets wat ik maar niet kon begrijpen. Ik vroeg me dan ook af waarom er zo veel verschillende geesten waren. Ik herinner me dat ik al de tijd dat ik bij de Pinksterbeweging was, gebeden heb: „Dit is de enige godsdienst die ik ken, God, die juist kan zijn. Maar als ik u niet dien op een manier die u behaagt, God, wil ik dat weten. Als dit niet de ware godsdienst is, toon mij dan alstublieft welke het wel is.” Dat gebed heb ik vaak gebeden.

Het was tijdens dit eerste huwelijk dat ik de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! onder de ogen kreeg. Wij waren in 1962 naar Cincinnati verhuisd en daar kwamen Jehovah’s Getuigen bij ons aan de deur. Mijn man praatte graag met hen, maar ik wilde dat nooit. Als zij kwamen, bleef ik in de keuken. Mijn man nam een abonnement op de tijdschriften maar las ze nooit. Ik wel. Ik wist dat ik dat niet mocht en ik voelde me schuldig als ik het toch deed, maar als er iets in huis was, kon ik het niet opbrengen het niet te lezen. Soms gooide ik de tijdschriften in de vuilnisbak en haalde ze er dan later weer uit om ze alsnog te lezen!

Ik leerde uit De Wachttoren en Ontwaakt! dat de aarde eeuwig zou blijven bestaan — een aards paradijs bevolkt met rechtvaardige mensen. Het was het mooiste dat ik ooit gehoord had. Het maakte een verpletterende indruk op me omdat wij van de Pinksterbeweging dat niet over de aarde geloofden. Ik herinner me dat ik las over deze Paradijsaarde die voor eeuwig zou blijven en dan dacht: ’Dat is niet waar!’ Maar ik las het graag. Er woedde een oorlog in mijn binnenste. Ik legde het voor in gebed. Ten slotte vroeg ik mijn man de tijdschriften niet meer te nemen, en dat deed hij.

Mijn man knoopte betrekkingen met andere vrouwen aan en na zeven jaar huwelijk scheidden wij. Ik ging met mijn twee zoontjes bij Olene wonen, een oude vriendin die met mijn oom getrouwd was. Zij was een geweldige zangeres en wij gingen samen naar bijeenkomsten van de Pinksterbeweging en zongen in verschillende kerken. Olene was de dochter van de voorganger die met het vuur had rondgelopen.

Tweemaal werd ik „genezen”. De eerste keer was toen ik een miskraam had gehad en bloedvloeiingen had. Ondanks dat ging ik naar de bijeenkomst van de Pinksterbeweging. Ik was zo zwak dat ik bang was dat ik de zaal uit zou moeten. Toen hoorde ik dat Olene en haar vader begonnen te zingen. Zij kregen de geest. Zij pakten elkaar bij de schouders, kwamen naar mij toe en legden me hun handen op. Ik raakte onmiddellijk buiten bewustzijn. Toen ik bijkwam, voelde ik me prima! Geen bloedvloeiingen meer!

De tweede maal was toen ik een tandvleesaandoening had. Ik had sinds mijn vijftiende een kunstgebit gedragen. Nu, jaren later, begon mijn mond onder mijn bovengebit op te zetten. Ik liep drie maanden zonder tanden rond en gebruikte alleen vloeibaar voedsel. Ik werd wanhopig en ging naar de dokter. Hij keek in mijn mond. „U moet niet bij mij zijn; u moet naar een kaakchirurg.” Hij noemde de ziekte, papillomatosis, en beval een specialist aan.

Ik ben er nooit heen gegaan. Olene en ik waren op weg naar de kerk in Kentucky. Later die avond zong ik en raakte in geestvervoering. Olene legde mij de handen op, ik raakte bewusteloos en zonk op de grond neer. Nadat ik bijgekomen was, spuwde ik stukjes uit van iets wat op droog, uitgekauwd vlees leek. Tegen de tijd dat ik thuis was, kon ik mijn valse tanden weer indoen. Sindsdien heb ik er nooit weer last van gehad.

Olene las veel in de bijbel. Kort nadat ik bij haar ingetrokken was, riep zij mij naar de kamer waar zij zat te lezen. Zij had een vraag. Zij las me uit haar King James Version Prediker 1:4 voor: „Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid.” Toen zei ze: „Ik wil dat jij me deze schriftplaats uitlegt. Wij geloven dat niet. Waar gaat het dan over?” Ik raakte helemaal van streek.

„Ik wil weten”, eiste zij, „waarom je zo van streek raakt door deze tekst. Het staat in de bijbel en we moeten weten wat het betekent!” Dus vertelde ik haar: „Ik heb daarover gelezen in De Wachttoren en Ontwaakt! en ik wilde niet dat je zou weten dat ik die tijdschriften van Jehovah’s Getuigen heb gelezen.” Zij wilde onmiddellijk op zoek gaan naar de Getuigen.

„Doe geen moeite”, zei ik. „Als we hier maar lang genoeg wonen, staan ze op een keer voor de deur. Ze vinden je altijd.” Toen ik twee weken later van mijn werk thuiskwam, stond zij me aan de deur op te wachten, een en al glimlach. „Raad eens wie hier vandaag geweest zijn?” Ik had geen idee. „Jehovah’s Getuigen! Ik heb voor ons beiden een bijbelstudie afgesproken!” Ik was sprakeloos. Ik wilde helemaal niet met hen studeren. Ik was bang voor hen.

Maar wij studeerden toch. Zij nodigden ons uit voor de vergaderingen. Olene ging er niet graag heen, maar ik wel. Mijn jongste zoontje was toen een jaar of drie en wij gingen naar de Koninkrijkszaal. Tegen de tijd dat wij tijdens de huisbijbelstudie het hele Waarheid-boek doorgenomen hadden, beseften zowel Olene als ik dat de Pinksterbeweging niet het ware geloof was. Niettemin hield Olene met de studie op en dus stopte ik ook.

Dat was in 1972. In 1974 werd ik opgebeld door Olene — wij woonden toen niet meer bij elkaar. Zij vroeg me of ik met haar vader wilde trouwen — de man die ik met vuur had zien rondlopen toen ik zes en een half jaar was. Och, er was al ruim zeven jaar verstreken sedert mijn huwelijk met mijn eerste man was ontbonden, en dus trouwde ik in januari 1975 met de vader van Olene.

Hij woonde in Kentucky, bij dezelfde pinksterkerk waar ik als kind heen was gegaan. Toen ik met hem trouwde, zei ik hem dat ik nooit naar de Pinksterbeweging terug zou gaan en dat als ik me ooit weer bij een godsdienst zou aansluiten, het bij Jehovah’s Getuigen zou zijn. Hij stemde daarin toe. Wij waren echter nog maar een paar maanden getrouwd of hij wilde dat ik meeging naar zijn pinksterbijeenkomst. Ik ging er één keer heen, maar hield het er niet uit. De aanwezigheid van de demonen was overweldigend!

Intussen was ik te weten gekomen dat Satan, zijn demonen en zijn dienaren hier op aarde tekenen en wonderen konden verrichten en dat de strijd die een christen moet voeren, tegen zulke demonenkrachten in de hemelse gewesten gericht is (Exodus 7:11, 22; 8:7, 18, 19; 2 Korinthiërs 11:13-15; Efeziërs 6:11, 12). Ook was ik te weten gekomen dat de wonderbare gaven van de vroege christelijke kerk haar positie moesten bevestigen terwijl ze nog in de kinderschoenen stond en dat later, als de apostelen overleden zouden zijn, zulke gaven zouden ophouden. Over de gave van het spreken in tongen staat bijvoorbeeld geschreven: „Hetzij er talen zijn, ze zullen ophouden.” Liefde, geloof en hoop zijn nu de pijlers van de volwassen christelijke kerk. — 1 Korinthiërs 13:8-13.

Mijn man probeerde te bereiken dat ik weer naar de Pinksterbeweging zou gaan en met hem zou zingen en gitaar zou spelen. In plaats daarvan ging ik weer naar de Koninkrijkszaal. Als hij na een weekend prediken in pinksterkerken thuiskwam, zwaaide hij met een portefeuille vol bankbiljetten uit de collectes die de aanhangers van de Pinksterbeweging voor hem hadden gehouden. Hij lachte dan omdat mensen hem al dat geld gaven, terwijl hij er niets voor had gedaan.

Uiteindelijk ging mijn jongste zoon met mij naar de vergaderingen en werd een actieve Getuige. Mijn man werd woedend als ik laat van de vergaderingen thuiskwam. Op een avond kwam ik om een uur of tien thuis en sloot mijn man mij buiten. Mijn zoon en ik moesten de nacht in de auto doorbrengen. Dit gebeurde verscheidene malen. Hij had een geweer in zijn auto en als hij me zag lezen of studeren, pakte hij zijn geweer en schoot vier of vijf maal onder mijn stoel door. Als ik flesjes frisdrank naar de patio droeg, schoot hij de flesjes uit het draagkarton. Hij was er niet op uit mij te doden, maar probeerde me kwaad te maken. Maar ik bad tot Jehovah en bleef kalm, en dan werd hij kwaad.

Toen ik me op een dag klaarmaakte om naar de vergadering te gaan, vroeg hij: „Wil je echt een Jehovah Getuige worden? Ga je werkelijk langs de deuren sjouwen om te prediken?” En ik zei: „Ja, dat ga ik doen.” „Nu,” zei hij, „dan geef ik je twee weken de tijd om te vertrekken.” En dus verhuisden mijn zoon en ik. Wij trokken in een klein huis waar jarenlang niemand had gewoond. Geen stromend water, heel weinig meubels en geen geld.

Maar het was zo heerlijk vrij te zijn om naar een vergadering te gaan en me niet bezorgd te hoeven maken dat ik buitengesloten zou worden of beschoten, en in staat te zijn Jehovah te dienen door van huis tot huis te prediken (Handelingen 20:20). Als ik leden van de Pinksterbeweging aan de deur ontmoette, voelde ik vaak de aanwezigheid van de demonen. Dan zei ik: „Jehovah, ik weet dat u sterker bent dan de demonen. Ik weet dat u bij machte bent me te helpen en ik heb uw hulp nodig. Ik heb uw heilige geest nodig om hiertegen te vechten.” En hij hielp me altijd.

In september 1976 ben ik gedoopt. Mijn zoon werd in juli 1977 gedoopt. Mijn zus is een opgedragen Getuige. Mijn moeder is gaan studeren en is met de prediking van huis tot huis begonnen. Dus heb ik heel veel aanmoediging van mijn familie ontvangen en heel veel hulp van Jehovah en zijn volk. Jehovah is zo geduldig met mij geweest. Mag hij ook lankmoedig zijn tegenover de miljoenen anderen die ’de goedgunstige hoedanigheid van God tot berouw tracht te brengen’ (Romeinen 2:4). — Verteld door Ireta Clemons.

[Inzet op blz. 11]

Drie mensen die ik heb gekend, zijn door slangen gebeten en gestorven

[Inzet op blz. 12]

Intussen was ik te weten gekomen dat Satan, zijn demonen en zijn dienaren hier op aarde tekenen en wonderen konden verrichten

[Illustratie op blz. 10]

Ireta Clemons, nu een Getuige

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen