Zij bereikte haar doel
Veel jongeren in deze tijd hebben geen doel in het leven. In tegenstelling daarmee stelde een tienermeisje in Italië zich een doel en bereikte dat ook, en wij willen haar ervaring graag met onze lezers delen.
OVER ongeveer een maand ben ik 14. Ik ben de oudste van vier broertjes en zusjes. Ons gezin is geestelijk verdeeld, aangezien mijn vader geen getuige van Jehovah is.
Mijn moeder werd een Getuige toen ik nog maar enkele maanden oud was. Van begin af aan nam zij haar verantwoordelijkheid ter harte om ons, kinderen, in de „ernstige vermaning van Jehovah” groot te brengen (Efeziërs 6:4; Spreuken 22:6). Ik kan mij niet anders herinneren dan dat zij geregeld de bijbel met ons bestudeerde, wij gezamenlijk de vergaderingen voorbereidden en wij haar elke week in de bediening van huis tot huis vergezelden. Wij gaven ook op school getuigenis van ons geloof.
Toen wij nog maar heel jong waren, trachtte Mams in ons hart reeds het verlangen naar de volle-tijddienst aan te kweken door ons ervaringen voor te lezen van Getuigen die al vele jaren volle-tijddienaren waren. Maar het allerbelangrijkste was het voorbeeld dat zij gaf. Mams verlangde in feite nooit iets van ons wat zijzelf niet deed.
Hoewel mensen wellicht graag naar kinderen luisteren die tijdens de bediening bij hen aan de deur komen, zijn zij soms onbeleefd tegen de volwassenen die hen vergezellen. Toen ik acht of negen jaar was, ging ik op een keer van huis tot huis in het gezelschap van een ouderling. Een mevrouw opende de deur en ik begon met mijn toespraakje. Op heel onbeleefde manier zei de mevrouw tegen de broeder: „U dwingt zelfs deze arme kinderen om te prediken!” „Neen, mevrouw”, antwoordde ik prompt. „Als ik hier sta, is dat omdat ik dat zelf wil!” Daarna nam de vrouw sprakeloos de lectuur die ik haar aanbood.
Toen ik tien was, besteedde ik tijdens de grote vakantie in juli al mijn tijd in de volle-tijddienst hoewel ik nog niet gedoopt was. Hiervoor moest ik een klein offer brengen, omdat ik dan niet naar het strand kon gaan. Maar ik heb er nooit spijt van gehad omdat ik mij aan het eind van die maand onbeschrijflijk gelukkig voelde.
Ik werd gedoopt in een junimaand, toen ik 12 1/2 jaar oud was. In de zomer van dat jaar nam ik opnieuw aan de volle-tijddienst deel, en later slaagde ik er met behulp van een goed schema ook in om de kerstvakantie zo goed mogelijk te benutten. Dit deed ik omdat ik mij aan het begin van het schooljaar een doel had gesteld. Ik had mij voorgenomen, en dat in gebed aan Jehovah verteld, om dat schooljaar met vlag en wimpel af te sluiten, mijn diploma voor mijn driejarige opleiding te halen en in de volle-tijddienst te gaan.
Vanaf het moment dat ik dit besluit had genomen, begonnen de problemen. Aangezien ik goed was in bepaalde vakken drongen de leraren er bij mij op aan verder te leren. De verleiding was heel groot omdat ik leren fijn vond, maar ik had mijn doel en mijn belofte aan Jehovah niet vergeten.
Toen onder de leraren het nieuws rondging dat ik niet verder zou studeren, nam de druk toe, zelfs van de zijde van een leraar die er nooit enige blijk van had gegeven dat hij mij mocht. Voor de zekerheid leverde ik negen maanden van tevoren mijn aanvraagformulier voor de volle-tijddienst al bij de ouderlingen in mijn gemeente in. De druk op school verminderde niet, maar nu liet het mij koud. Mijn vastbeslotenheid hielp mij ook om de druk van mijn klasgenoten te weerstaan.
In juni was eindelijk het schooljaar om, en in juli begon ik met de volle-tijddienst als hulppionier. Er waren veel zegeningen, maar toen deed zich een ander probleem voor. Er kwamen arbeidsplaatsen beschikbaar in de fabriek waar mijn vader werkte en hij wilde dat ik daar net als hij hele dagen zou komen werken. Ik wist gewoon niet wat ik moest doen, maar Jehovah hielp mij. Ik was toen nog net geen 14 jaar, waardoor zij mij de baan niet konden geven.
Toen zei mijn vader in augustus: „In oktober kom je wel bij ons werken.” Als ik in die fabriek was gaan werken, zou ik niet genoeg tijd voor de volle-tijddienst hebben gehad, en door de ploegendienst zou ik ook vergaderingen hebben moeten missen. Ik legde de kwestie in gebed aan Jehovah voor.
Jehovah’s antwoord liet niet lang op zich wachten — vrijwel onmiddellijk vond ik een part-timebaantje! En zo kon ik gelukkig op 1 september 1987 met de gewone pioniersdienst beginnen. Ik ben zo blij dat ik gewoon geen woorden kan vinden om mijn vreugde te beschrijven. Ik voel dat Jehovah dicht bij mij is, en ik bid dat hij mijn krachtsinspanningen zal blijven zegenen. — Ingezonden.