Wiegedood — Op zoek naar symptomen en oorzaken
„Wiegedood is verantwoordelijk voor circa 2 sterfgevallen per 1000 levendgeborenen in de Verenigde Staten, wat neerkomt op 7500 tot 10.000 sterfgevallen per jaar.” — „The New England Journal of Medicine”, 30 april 1987.
PAS de laatste jaren heeft wiegedood bekendheid gekregen als aanduiding van een doodsoorzaak. In vorige generaties ging dit soort dood verloren in alle andere statistische gegevens over de diverse doodsoorzaken die bij zuigelingen voorkwamen. Door de vooruitgang in de medische wetenschap is nu met zo veel vroegere doodsoorzaken bij zuigelingen afgerekend dat wiegedood opvalt, en zelfs in die mate dat de Wereldgezondheidsorganisatie nog in 1979 „Wiegedood” als nieuwe categorie in haar Internationale ziektenclassificatie heeft opgenomen. Niettemin zijn sommige medische deskundigen van mening dat er tot in bijbelse tijden voorbeelden van wat wij nu wiegedood noemen te vinden zijn!
Zij halen het geval aan van de twee vrouwen die voor koning Salomo verschenen en beiden beweerden de moeder te zijn van een levende baby en niet van de baby die was gestorven doordat de moeder „op hem had gelegen” (1 Koningen 3:16-27). De patholoog Bernard Knight schrijft: „’Op het kind gelegen’ was tot voor kort de klassieke opvatting over de oorzaak van wiegedood.” Er is echter één factor die het twijfelachtig maakt of hier in de bijbel wel sprake was van een geval van wiegedood — de baby stierf toen hij nog maar drie dagen oud was, „wat te jong is voor een echte wiegedood”, schrijft Knight.
Hoewel het waar is dat er baby’s gestorven zijn doordat zij per ongeluk door hun slapende moeder zijn gesmoord, is het ook waar dat het in veel van deze gevallen in de loop der eeuwen een kwestie is geweest van wat men thans wiegedood noemt.
Het raadsel van de wiegedood
Wiegedood is een internationaal probleem. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld worden elk jaar naar schatting 1000 tot 2000 sterfgevallen bij zuigelingen aan wiegedood toegeschreven. Het gemiddelde in ontwikkelde landen is ongeveer één baby op de 500. Uitgaand van een geschatte groei van de wereldbevolking met 83 miljoen per jaar, komt dit neer op minstens 166.000 slachtoffers jaarlijks. Maar het impliceert ook miljoenen bezorgde ouders die er in stilte bang voor zijn. Zoals Phyllis, een Newyorkse moeder van even in de 30, bekende: „Iedere keer dat ik mijn baby naar bed breng, bid ik dat hij weer wakker mag worden.”
Wiegedood stelt de medische onderzoekers en pathologen nog steeds voor een raadsel. In een artikel in het tijdschrift Pediatrics werd onlangs wiegedood bij tweelingen besproken. Er werden 32 gevallen onder de loep genomen en „ondanks een volledig postmortaal onderzoek werd er geen doodsoorzaak gevonden”. Tien andere gevallen van wiegedood bij tweelingen werden onderzocht door universiteitsklinieken in Antwerpen, Parijs en Rouaan. De bevindingen? „De oorzaak van wiegedood bleef ook na een volledige autopsie onverklaard.” De oorzaak — of oorzaken — blijft een raadsel.
In een ander rapport wordt er echter op gewezen dat bij 11 van de 42 tweelingen die vergeleken werden, „het toekomstige wiegedood-slachtoffer meer dan 300 gram lichter was dan het broertje of zusje dat wel in leven bleef”. De conclusie was dat de enige punten waarop de wiegedood-zuigelingen verschilden van de controle-zuigelingen, een „lager gemiddeld gewicht en een kortere gemiddelde lengte bij de geboorte [waren], al eerder voorgekomen cyanose [blauwe verkleuring van huid en slijmvliezen door gebrek aan zuurstof in het bloed] of bleekheid tijdens de slaap, en herhaaldelijke hevige transpiratie ’s nachts”.
In een rapport over 16 gevallen van wiegedood in Engeland verklaarde een groep artsen: „Wiegedood komt gewoonlijk voor op de leeftijd van 1 tot 6 maanden, met een hoogtepunt bij 2 tot 4 maanden. . . . Andere eerder met wiegedood in verband gebrachte factoren zijn roken door de moeder tijdens de zwangerschap, jeugdige leeftijd van de moeder bij de geboorte, ongehuwde staat, groot gezin [en] lage sociaal-economische positie.” Daaraan voegen zij toe: „Van wiegedood is ook vaker sprake bij mannelijke zuigelingen en het komt meer voor in de herfst- en wintermaanden.” Bernard Knight waarschuwt echter: „Beklemtoond moet worden dat wiegedood in elk gezin kan toeslaan — iets wat door de praktijk wordt bevestigd — ongeacht de positie op de maatschappelijke ladder.”
Pathologen proberen het raadsel te ontwarren
Als een zuigeling sterft zonder duidelijke oorzaak, zal de lijkschouwer er meestal een patholoog-anatoom bij halen om het lijkje te onderzoeken en sectie te verrichten. Op die manier wil men trachten de precieze doodsoorzaak vast te stellen en deze kennis gebruiken om toekomstige gevallen te voorkomen. Wat hebben de pathologen in veel van deze gevallen geconstateerd?
In de loop van de jaren heeft men verschillende sporen gevolgd. Er was een tijd dat wiegedood geweten werd aan verstikking door kussens, beddegoed en een verkeerde houding. Die mening werd verworpen toen bewezen werd dat baby’s zich normaal gesproken uit elke verstikkingshouding vrijworstelen. En beddegoed is gewoonlijk wel zo poreus dat ademhalen mogelijk is. Daarna dacht men dat flesvoeding en het gebruik van koemelk de oorzaak was. Maar ook baby’s die borstvoeding kregen, stierven door wiegedood. Lange tijd kreeg apnoe, onderbroken ademhaling, de schuld. Nu heeft men ook dat grotendeels als primaire oorzaak laten vallen.
Enkele jaren geleden geloofden sommige pathologen „oprecht dat een infectie van de ademhalingsorganen de onderliggende doodsoorzaak was . . . Hoewel men nu [in 1983] algemeen de mening is toegedaan dat de infectie veeleer de aanleiding vormt dan de onderliggende oorzaak, lijdt het geen twijfel dat bij een groot aantal gevallen van wiegedood een lichte ontsteking van de luchtwegen een rol speelt.” — Sudden Death in Infancy.
Professor Knight concludeert dat „het nu duidelijk lijkt dat er geen enkelvoudige oorzaak van wiegedood is” maar dat „er verscheidene factoren zijn die zich op een bepaald moment bij een bepaalde baby in combinatie voordoen en de dood veroorzaken. Sommige factoren kennen wij maar andere niet.” Zo gaat het speurwerk door met het zoeken naar meer aanwijzingen. Onlangs heeft men echter een nieuwe ontdekking gedaan.
Afwijking in de hemoglobine — oorzaak of symptoom?
Deze ontwikkeling werd gerapporteerd in The New England Journal of Medicine van 30 april 1987. Er stond in: „Een langdurig verhoogd gehalte aan foetale hemoglobine (hemoglobine F) bij wiegedood-zuigelingen zou kunnen duiden op onvoldoende toevoer van zuurstof naar gevoelige weefsels.”a Het rapport gaf te kennen dat normaal gesproken na de geboorte van een baby de foetale hemoglobine wordt vervangen door hemoglobine A, die door het lichaam van de baby wordt aangemaakt — zijn eigen zuurstoftransporterende hemoglobine dus. Een opmerkelijk aantal slachtoffers van wiegedood echter had nog steeds een hoger gehalte aan minder effectieve foetale hemoglobine dan normaal was. Welke conclusie trokken de artsen daaruit?
„Onze interpretatie van deze ontdekking is dat wiegedood-zuigelingen gekenmerkt worden door een uitgesproken vertraging in de overschakeling van hemoglobine F op hemoglobine A — een verschijnsel dat een onderliggende chronische aandoening kan verraden.” Hoe komt dit? „De reden voor de abnormaal lange aanwezigheid van hemoglobine F is onzeker.”
Hoewel zij dit niet zagen als een oorzaak van wiegedood, beschouwden zij het wel als een nuttige indicatie bij het bepalen welke baby’s vatbaarder zouden kunnen zijn voor wiegedood, „vooral de baby’s met een postconceptionele leeftijd van meer dan 50 weken”.
De artsen die deze studie verrichtten, verklaarden dat „studies van wiegedood een verband met een laag geboortegewicht, voortijdige geboorte, vertraagde groei-ontwikkeling en roken door de moeder suggereren”.
Dit laatste punt verdient aandacht. Dr. Bernard Knight van de Universiteit van Wales in Cardiff schreef: „Er is een zeer sterk verband tussen roken en wiegedood aangetoond, hoewel het ook nu moeilijk vast te stellen is of dit een direct verband is of slechts een samenhang met maatschappelijke factoren.” Niettemin citeert hij wel statistische gegevens die onthullend zijn. In een onderzoek naar 50.000 geboorten in de stad Cardiff was het wiegedood-cijfer bij moeders die nooit hadden gerookt of met roken waren opgehouden 1,18 per 1000 levendgeborenen. Maar bij moeders die meer dan 20 sigaretten per dag rookten, gaf het cijfer een stijging tot 5,62 per 1000 levendgeborenen te zien — een vijfvoudige toename!
Sommige moeders vragen: „Hoe staat het met borstvoeding? Biedt die grotere bescherming tegen wiegedood?” Dr. Bergman, in de Verenigde Staten een vooraanstaand onderzoeker op het terrein van wiegedood, verklaarde: „Toevallig geloof ik in borstvoeding en ik denk dat het om heel wat redenen beter is; maar ik denk niet dat mensen die een baby door wiegedood verloren hebben, gesuggereerd mag worden dat hun baby misschien nog in leven zou zijn als zij maar borstvoeding hadden gegeven.”
Is er met het oog op het voorgaande iets wat ouders kunnen doen om de wiegedood-dreiging af te wenden? Is wiegedood te voorkomen?
[Voetnoten]
a Hemoglobine is het bloedbestanddeel dat rode bloedlichaampjes hun kleur geeft; het is een verbinding van proteïne en zuurstof. Het transporteert zuurstof van de longen naar de rest van het lichaam.
[Kader op blz. 6]
Ouders met wantrouwen bekeken
Het raadsel rond de wiegedood heeft de ouders soms onnodige pijn en smart bezorgd. Hoe dat zo? Omdat buitenstaanders, de politie en medisch personeel soms incluis, de dood als hoogst verdacht beschouwden, vooral als die bij tweelingen gelijktijdig toesloeg. En volgens een onderzoek naar 47.000 geboorten in Cardiff (Wales) was er tussen 1965 en 1977 bij tweelingen een vijfmaal zo groot wiegedood-risico. Dr. John E. Smialek schreef in het medische tijdschrift Pediatrics over twee uitzonderlijke gevallen die met een tussenpoos van vijf jaar in de Verenigde Staten plaatsvonden, in Wayne County (Missouri) en in Detroit (Michigan).
Hij schrijft: „De bekendmaking van de dood van de eerste tweeling riep een sfeer van hevig wantrouwen tegenover de ouders op . . . bij leden van de medische wereld en bij leken die niet op de hoogte waren van het bestaan van dit verschijnsel [wiegedood].” Dat is begrijpelijk als wij bedenken dat wiegedood pas sinds 1975, toen de Amerikaanse regering het verstrekken van informatie en adviesprogramma’s over het onderwerp bevorderde, veel publiciteit heeft gekregen. Toen er vijf jaar later in Detroit een tweeling door wiegedood stierf, heerste er veel minder wantrouwen. Deskundigen en het publiek raakten beter ingelicht.
Maar zelfs thans, nu er zo veel meer over het onderwerp bekend is, geeft dr. Smialek toe: „Hoewel wiegedood nu wijd en zijd wordt geaccepteerd als een aandoening die ouders niet kunnen voorzien of voorkomen, is de gelijktijdige dood van een zuigelingentweeling een verschijnsel dat nog steeds verbijstering en wantrouwen oproept.”
Waarom zouden tweelingen echter vatbaarder zijn voor wiegedood? De patholoog Bernard Knight antwoordt: „Zij worden heel vaak te vroeg geboren en zijn vaak onder het normale geboortegewicht. Zij moeten vaker het eerste deel van hun leven op speciale intensive care-afdelingen van verloskundige klinieken doorbrengen. . . . Al deze factoren maken hen vatbaarder voor wiegedood.”
[Illustratie op blz. 4]
’Er is geen enkelvoudige oorzaak van wiegedood.’ — Professor Knight
[Illustratie op blz. 7]
„De gelijktijdige dood van een zuigelingentweeling [is] een verschijnsel dat nog steeds verbijstering en wantrouwen oproept”