Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g87 8/10 blz. 10-14
  • Ik overleefde de ondergang van de Bismarck

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik overleefde de ondergang van de Bismarck
  • Ontwaakt! 1987
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De „Bismarck” aangevallen
  • De „Bismarck” — een gemakkelijk doelwit
  • Drie dagen alleen op de oceaan
  • Terug op droge grond
  • Thuiskomst
  • In het Franse Vreemdelingenlegioen
  • Een veranderd leven
  • Angst op zee
    Ontwaakt! 1972
  • Vastbesloten om Jehovah te dienen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
  • Overleving op zee!
    Ontwaakt! 1978
  • Ik zal de oorlog niet meer leren
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1984
Meer weergeven
Ontwaakt! 1987
g87 8/10 blz. 10-14

Ik overleefde de ondergang van de Bismarck

EEN enorme vlam rees op van het achterdek van het Britse oorlogsschip Hood. Toen schoot er een kolom van vuur omhoog waaruit zich op misschien wel 300 meter hoogte een donkere rookwolk losmaakte. Terwijl de wolk bolde en zich verspreidde, vielen er witgloeiende brokstukken uit in zee.

Toen de wolk oploste, was de 42.000 ton metende Britse slagkruiser Hood, de trots van de Royal Navy, verdwenen. Een granaat van het Duitse slagschip Bismarck had een munitiemagazijn geraakt. Zo kwamen op 24 mei 1941, om zes uur in de morgen, voor de kust van IJsland meer dan 1400 Britse zeelieden om — slechts drie overleefden het.

Vriend of vijand, niemand die deze verschrikkelijke scène aanschouwde, kon er onverschillig onder blijven. Weliswaar was de bemanning van de Bismarck, waarop ik het bevel voerde over een luchtdoelbatterij, opgetogen over de overwinning. Ik merkte echter dat enkele zeelui om mij heen tranen in hun ogen hadden toen het Britse schip zonk. Zij hadden medegevoel met de zeelui die hun leven verloren.

De „Bismarck” aangevallen

In de avond van 18 mei waren wij vertrokken uit Gotenhafen, de hedendaagse Poolse havenstad Gdynia aan de Oostzee. Ons eskader had de opdracht gekregen strooptochten uit te voeren op de Geallieerde handelsconvooien in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan. Dit maakte deel uit van de door de Duitse admiraliteit uitgewerkte „Operation Rheinübung”.

Het bevel over onze missie had admiraal Lütjens. Zijn vlaggeschip was de trots van de Duitse marine, een van de machtigste oorlogsbodems die er bestonden, de Bismarck. Het schip had een waterverplaatsing van meer dan 50.000 ton en een meer dan 2000-koppige bemanning. Toen bekend werd dat wij de Atlantische Oceaan hadden bereikt, voeren enkele dagen later Britse schepen uit om de Bismarck te onderscheppen.

Toen wij op 24 mei de Hood tot zinken hadden gebracht, werd ieder beschikbaar Britse schip ingezet om de Bismarck tot zinken te brengen. Die avond lanceerde het Britse vliegdekschip Victorious een aanval met vliegtuigen die waren uitgerust met torpedo’s. Ik had het commando over een 20-mm-luchtdoelbatterij in de buurt van de stuurboordboeg. Nu nog zie ik die Britse vliegtuigen vlak boven het water scheren, recht op ons krachtige vuur aan vliegend. Wij werden door één torpedo geraakt die slechts geringe schade veroorzaakte. Wij slaagden erin om 30 uur lang de achtervolgers af te schudden.

In de morgen van 26 mei werden wij opnieuw ontdekt door een Catalina, een Brits verkenningsvliegtuig. De Britse vliegtuigcarrier Ark Royal zond twee aanvalsgolven waarbij 13 torpedo’s werden gelanceerd. Deze keer werd de Bismarck door twee torpedo’s getroffen, waarvan één het roer ernstig beschadigde. Als gevolg daarvan konden wij niet langer koers houden en begonnen wij in een enorme cirkel te varen. Desondanks was ik ervan overtuigd dat er niets ernstigs met ons kon gebeuren. Maar de daaropvolgende uren zouden mijn ongelijk aantonen.

De „Bismarck” — een gemakkelijk doelwit

In de morgen van 27 mei werden wij omsingeld door Britse oorlogsschepen. Deze openden het vuur, en lieten letterlijk dood en verwoesting op ons neerregenen. Wij werden door minstens acht torpedo’s en verscheidene honderden granaten getroffen. Hoewel wij louter een schietschijf waren geworden, bleef de Bismarck koppig drijven.

De situatie aan boord was wanhopig. De reddingsboten waren onbruikbaar, zwaar beschadigd als ze waren door herhaalde granaatsalvo’s en luchtaanvallen. Alle dekken vertoonden een aanblik van verwoesting. Verwrongen metaal lag overal verspreid. Gapende gaten in het dek braakten zwarte rook uit. Branden woedden onbelemmerd. Overal lagen doden en gewonden.

Er werd bevel gegeven het schip te verlaten. De overlevenden kropen allen samen op het achterdek, reddingsvesten aan en veiligheidslijnen stevig vastgesjord. Ik was bij degenen die in zee sprongen, met de wind in de rug om te vermijden dat wij door de golven tegen de romp zouden worden gesmakt. Eenmaal in zee was onze enige gedachte zo snel mogelijk weg te zwemmen zodat wij niet zouden worden meegezogen met het schip dat langzaam zonk en ten slotte verdween.

Drie dagen alleen op de oceaan

Onze groep werd spoedig door de deining uiteengedreven. De dag liep ten einde. De Britse schepen verdwenen aan de horizon. In alle richtingen, zo ver het oog kon zien, dreven brokstukken. Toen de avond viel, waren alleen Hermann, die in de machinekamer had gewerkt, en ik nog samen in het water over.

De zee werd ruwer en de golven werden hoger. Plotseling drong het tot mij door dat ik Hermann kwijt was. Hij was nergens meer te bekennen. Ik raakte in paniek. Ik had het koud en was angstig. Onze opleiding had ons erop voorbereid voor het vaderland te sterven, maar op dat moment trok het idee van een heldendood mij in het geheel niet aan. Ik wilde leven, zelfs al was ik alleen midden in een deinende, vijandige, zwarte oceaan.

Een stroom van herinneringen speelde mij door de geest. Ik herinnerde mij mijn jeugd in Recklinghausen, een mijnwerkersdorp in Nordrhein-Westfalen. Ik dacht aan mijn dierbare vader, die een mijnwerker was, en aan mijn moeder, mijn zuster en mijn drie broers. Ons gezin was protestants, maar Vader zei altijd dat de kerken de bijbelse leerstellingen niet in praktijk brachten. Toen ik een tiener werd, ging ik bij mijn oom op het platteland wonen, en hij stuurde mij naar een landbouwschool, waar ik afstudeerde.

Toen de oorlog uitbrak, werd ik bij de marine ingelijfd en nam in Gotenhafen mijn militaire opleiding een aanvang. Toen ik aan boord ging van de „Bismarck”, was ik de enige zoon uit het gezin die nog over was. Eén van mijn broers was aan een ziekte gestorven, een andere verloor het leven in de mijnen, en nog een andere werd gedood bij de invasie van Polen.

De koude bracht mij tot de werkelijkheid terug. Daar was ik, midden op de oceaan. Ik voelde een plotselinge drang om te bidden, want ik wilde niet sterven. Door vrees overmand en over mijn hele lichaam pijn hebbend, herinnerde ik mij dat mijn grootmoeder mij het Onze Vader had geleerd. Het was het enige gebed dat ik kende, en ik herhaalde het onophoudelijk die nacht. Met het verstrijken van de uren nam mijn angst af en kwam er een kalmte over mij.

Toen eindelijk de morgen aanbrak, was ik volkomen uitgeput. De zee werd ruwer en ik begon over te geven. Toen begon ik, overmand door vermoeidheid, weg te doezelen en viel ik ten slotte in slaap. Nog een dag sleepte voorbij in een afwisseling van waken en slapen. Toen begon de tweede nacht. Tegen die tijd had ik een verschrikkelijke dorst, mijn ledematen waren stijf van de kou, en ik begon krampen te krijgen. Ik dacht dat de nacht nooit voorbij zou gaan.

Ik begon weer te bidden, God smekend om mij te helpen overleven. Ten slotte kwam de dageraad, waarmee de derde dag aanbrak. Ik zakte weg in een gedeeltelijke coma, verloor elk besef van tijd en in die staat kon ik nog net het geluid van een motor onderscheiden voordat ik helemaal het bewustzijn verloor.

Terug op droge grond

Ik kwam bij in een onbekende omgeving. Langzaam werd alles helderder, en ik onderscheidde een verpleegster die zich over mij heen boog en vaag hoorde ik haar zeggen: „Je hebt drie dagen geslapen. Je zult vast wel iets willen eten.” Het drong langzaam tot mij door dat ik nog leefde. Zes dagen waren er voorbijgegaan: drie in de oceaan waar ik 75 mijl had voortgedobberd voordat ik door een Duits schip werd opgepikt en nog eens drie in een hospitaal in La Baule-Escoublac, een Frans badplaatsje aan de Atlantische kust.

Het duurde een maand voordat mijn lichaam tot normale proporties was teruggekeerd; ik was helemaal opgezwollen na drie lange dagen in de oceaan. Ik werd met verlof gestuurd en op de terugweg naar Duitsland vernam ik dat slechts 110 van de meer dan 2000 bemanningsleden van de Bismarck het hadden overleefd. De meesten waren door de Britse kruiser Dorsetshire gered.

Thuiskomst

Toen ik dichter bij huis kwam, begon mijn hart wild te slaan. Ik was mij er niet van bewust dat de autoriteiten mijn ouders hadden meegedeeld dat ik op zee werd vermist. Mijn vader kreeg mij als eerste in het oog. Hij omarmde mij krachtig, nam mijn gezicht in zijn ruwe handen, en zei: „Mijn zoon, je was dood, en nu ben je bij ons teruggekomen!” Hij barstte in tranen uit en omarmde mij snikkend. Hij nam mij mee naar mijn moeder die op de sofa lag, verlamd. Niet in staat zich te bewegen of een woord te uiten, zeiden haar lippen: „Mijn zoon, mijn jongen . . . ” Ik viel op mijn knieën naast haar neer en huilde als een kind.

In de daaropvolgende drie jaar volgde ik een patroon van thuiskomen met verlof en terugkeren naar de oorlog. Toen werd op 24 november 1944 mijn regiment, een infanterie-eenheid bestaande uit voormalig marinepersoneel, door de Amerikanen krijgsgevangen gemaakt. Ik bleef in gevangenschap tot 1947 en keerde bij mijn vrijlating naar huis terug. Vier dagen later stierf Moeder. Het was alsof zij kans had gezien lang genoeg in leven te blijven om mij weer te zien alvorens te sterven.

In Duitsland merkte ik vele veranderingen op. Honger en werkloosheid heersten alom. De zwarte markt hield de mensen in zijn greep. De inflatie vloog omhoog. Armoede was ons dagelijks deel gedurende een aantal jaren.

In het Franse Vreemdelingenlegioen

Ten slotte nam ik in 1951 een beslissing die de volgende 18 jaar mijn levensloop beïnvloedde. Ik nam de trein naar Straatsburg, aan de Franse kant van de Rijn. Daar nam ik dienst in het Franse Vreemdelingenlegioen. Ik kreeg een parachutistenopleiding en werd naar Indo-China gestuurd, waarvan het huidige Vietnam deel uitmaakte.

In juli 1954 vertrok ons regiment naar Algerije waar de onafhankelijkheidsoorlog dreigde. Wij werden overal gedropt, zowel bij dag als bij nacht, om de soldaten van het Franse contingent bij te staan. In 1957 raakte ik gewond en moest drie maanden in een ziekenhuis in Constantine (Oost-Algerije) doorbrengen. In mei 1961 werd mijn regiment uit Algerije teruggetrokken en wij gingen scheep naar een nieuwe bestemming, Madagaskar.

Een veranderd leven

Mijn leven op Madagaskar was totaal anders dan mijn ervaringen in de voorgaande 20 jaar. Ik was bijna vergeten hoe het was om in vrede en rust te leven. Ik begon het leven opnieuw te waarderen. Ik kreeg weer belangstelling voor mijn omgeving: de blauwe zee met zijn scholen veelkleurige vissen, de plantages en de majestueuze bergen. Hier ontmoette ik Marisoa, het meisje dat mijn vrouw zou worden.

Toen ik in 1969 mijn militaire pensioen ontving, vestigden wij ons op het kleine eiland Nossi-Bé, acht kilometer ten noordwesten van Madagaskar. Wij bleven daar vijf jaar, maar moesten toen wegens familieomstandigheden terugkeren naar Frankrijk. Wij gingen wonen in Saint-Chamond, een industriestadje op zo’n 50 kilometer van Lyon.

Niet lang daarna aanvaardde Marisoa een bijbelstudie met twee jonge getuigen van Jehovah die haar bezochten. Ik zat gewoonlijk in een zijkamertje te luisteren naar alles wat er werd gezegd. Doch als mijn vrouw mij uitnodigde om erbij te gaan zitten, zei ik haar altijd: „Ik heb zo veel slechte dingen gedaan. Ik weet gewoon dat God mij nooit kan vergeven voor wat ik als soldaat heb gedaan.” Korte tijd later gaf mijn vrouw mij een bijbel in het Duits, mijn moedertaal, en zorgde voor een abonnement op De Wachttoren.

Maar ik weigerde stelselmatig de christelijke vergaderingen bij te wonen, denkend dat slechts mensen die geringe zonden hadden begaan, ze mochten bijwonen of God in gebed konden naderen. Marisoa drong er echter op aan dat ik haar vergezelde naar de Gedachtenisviering van Christus’ dood, die eens per jaar gehouden wordt. Ik gaf ten slotte toe, maar liet haar beloven dat zij het onderwerp niet weer ter sprake zou brengen als wij eenmaal weer thuis waren gekomen. Ik moest echter toegeven dat ik diep geroerd was door het warme welkom dat ik die avond ontving.

Vanaf die tijd ging ik, in strijd met al mijn voornemens, met mijn vrouw naar de bijeenkomsten in de plaatselijke Koninkrijkszaal. Waarom? Omdat ik mij bij deze mensen op mijn gemak voelde. Ik was onder de indruk van hun warme liefde voor elkaar en van hun op de bijbel gebaseerde onderwijs. Ik aanvaardde een bijbelstudie, en in 1976 symboliseerden mijn vrouw en ik onze opdracht aan Jehovah door de waterdoop. Nadien bleef mijn geest minder vaak stilstaan bij vroegere ervaringen, en ik besteedde mijn tijd om anderen te helpen de bijbelse waarheden te leren kennen. Met het plan om onze predikingsactiviteit uit te breiden, keerden wij in 1978 naar Madagaskar terug.

Er zijn maar heel weinig wegen in sommige delen van het eiland, maar wij gingen blijmoedig op weg langs de stoffige paadjes, wetend dat wij bij aankomst op onze bestemming vele horende oren zouden vinden. Wij liepen tussen de 8 en 16 kilometer per dag in temperaturen van boven de 40° Celsius. Soms waren tegen de tijd dat wij thuiskwamen onze magen en lectuurtassen leeg! In drie maanden verspreidde ik duizend boeken, en wij hielpen verscheidene personen ons geloof te delen. Helaas moesten wij Madagaskar in 1982 wegens gezondheidsproblemen verlaten, en wij keerden naar Frankrijk terug.

De verschrikkingen die ik heb ervaren, spoken mij soms nog door de geest. Maar ik weet dat de tijd zal komen waarin zulke herinneringen, met inbegrip van die verschrikkelijke dagen en nachten die ik tijdens en na de ondergang van de Bismarck doormaakte, niet langer in mijn geest zullen opkomen. Jehovah’s belofte zal worden vervuld: „Want ziet, ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vroegere dingen zullen niet in de geest worden teruggeroepen, noch zullen ze in het hart opkomen.” — Jesaja 65:17. — Zoals verteld door Wilhelm Wieck.

[Illustratie op blz. 13]

Mijn vrouw en ik lezen samen in de bijbel

[Illustratieverantwoording op blz. 10]

Foto’s: Bundesarchiv, Koblenz, Duitsland

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen