Mijn safari in Afrika — Ik heb het wild te zien gekregen — Zal het er nog zijn voor mijn kinderen?
„JAMBO!” Opgeschrikt wreven wij ons de slaap uit de ogen en riepen terug: „Jambo!” Het is ons weksignaal, Swahili voor „Nog wat nieuws?” Na maanden van voorbereiding en een reis van duizenden kilometers bevonden wij ons in een tent in een Keniaans wildreservaat — op safari in Afrika!
Het avontuur begon in werkelijkheid de dag tevoren. Toen wij arriveerden, nam onze gids ons mee op een wildrit. „Gazellen!” schreeuwde een van ons toen wij voorthotsten in onze twee terreinvoertuigen. Haastig werd er naar camera’s, natuurgidsen en kijkers gegrepen.
Onze gids, een opgewekte kleine Engelsman, grinnikte over onze opwinding. „Grant-gazellen om precies te zijn. Prachtige beestjes, vindt u niet?”
Sierlijk, fijntjes getekend, en kennelijk toch beschikkend over een groot uithoudingsvermogen en gebouwd op snelheid, overal waren deze prachtige kleine dieren en de nog kleinere Thomson-gazellen te zien. Tijdens dit eerste uitstapje zagen en fotografeerden wij ook de reuzenelandantilope, de oryx en de gerenoek of girafgazelle, en wij zagen zelfs de zeldzame grote koedoe en bergrietbok.
Door een bocht gaande verrasten wij een kudde impala’s. Vanuit stilstand sprongen ze anderhalve tot twee en een halve meter de lucht in, alsof ze werden gelanceerd door verborgen springveren. „Zoals u zich kunt voorstellen, brengt dit springen een roofdier behoorlijk in verwarring”, zei onze gids. Vervolgens gingen de impala’s ervandoor, met sprongen van wel negen meter.
Wij zagen zebra’s, die er heel markant uit zagen met hun opvallende zwarte en witte strepen, en wij werden herinnerd aan het verslag in het bijbelboek Job dat zegt dat zebra’s niet kunnen worden getemd (Job 39:5). Ik informeerde daarnaar bij de gids. „Enkele Amerikanen maakten hier een tijdje geleden een film”, zei hij. „Zij hadden een tamme zebra nodig waarop een actrice moest rijden, maar konden er geen vinden omdat er geen tamme zebra’s zijn. Zij moesten strepen schilderen op een paard.”
Toen wij die eerste dag naar het kamp terugkeerden, zagen wij een struisvogel. Toen ze ons zag, rende ze weg en met behulp van haar krachtige poten was ze snel over een heuveltop verdwenen. De struisvogel kan snelheden bereiken van boven de 60 kilometer per uur, met passen van 7,5 meter. Haar snelheid deed mij denken aan een andere bijbeltekst in Job: „Ze [lacht] om het paard en zijn berijder” (Job 39:18). Ze lacht ook om onze terreinwagens, dacht ik, terwijl wij voorthotsten.
Maar vanochtend, toen wij wakker werden gemaakt met de kreet „Jambo!”, hadden wij het gevoel dat onze safari werkelijk was begonnen. Terwijl wij op onze paarden over een uitgestrekte steppe met hier en daar een acacia reden, bewonderden wij de Mount Kenya in de verte. Plotseling gebaarde onze gids ons stil te zijn en wees. Daar, boven de boomtoppen uitstekend, waren een paar koppen te zien — giraffen, knabbelend aan acaciabladeren!
De giraffen, ’s werelds hoogste dieren, gaven ons de indruk dat ze vriendelijke, gemoedelijke en zelfs weerloze dieren waren. Schijn bedriegt echter; hun lange nek komt niet alleen van pas om van de boomtoppen te knabbelen, maar geeft hun ook een uitkijkpunt van waar uit ze met hun grote, ver ziende ogen hun jongen en hun kudde in de gaten kunnen houden, of gevaar kunnen zien aankomen. Het leek alsof ze zich gracieus in slow motion bewogen, maar een giraffe kan 50 kilometer per uur rennen en een trap uitdelen die een leeuw de ribben kan breken. Hij kan zijn kop ook als een voorhamer gebruiken. Een giraffe in een dierentuin gaf op een keer een 500 kilo wegende eland zo’n klap dat het dier met een gebroken schouderblad door de lucht vloog!
Wij reden midden tussen hen door. Als wij te voet waren geweest, zouden ze zich verspreid hebben, maar te paard beschouwden ze ons gewoon als een andere kudde grazende dieren. Enkele gazellen en elandantilopen stonden in de buurt, alsook zebra’s die er heel anders uit zagen dan de dieren die wij gisteren hadden gezien — groter, met smallere strepen en prachtige, grote ronde oren.
„Grévy-zebra’s”, vertelde onze gids ons. „Deze variëteit neemt gestadig in aantal af, voornamelijk als gevolg van hun prachtige huid. Mensen vinden dat mooi in de huiskamer, en er worden topprijzen voor betaald.” Hoe droevig dat de mens zo veel van deze dieren en hun woongebieden vernietigt. Maar er stond ons nog meer droevig nieuws te wachten.
In een truck bezochten wij een neushoornreservaat, een gebied van 2000 hectare, omsloten door een drie meter hoge, onder stroom staande afrastering en bewaakt door gewapende opzichters. Het is het tehuis van dertien zwarte neushoorns en één witte. Toen wij behoedzaam stilhielden naast een van deze formidabele dieren, schenen onze trucks plotseling broos en klein.
„De neushoorn kan heel slecht zien”, zei de gids. „Als de ossepikkers op zijn rug beginnen te krijsen en gealarmeerd opvliegen, kan de neushoorn niet zien wat ze heeft opgeschrikt, en hij stormt los op wat het dan ook is, om er de reuk van te pakken te krijgen. Hij leeft in een wereld van geuren. Nu wordt er zo hevig op de neushoorn gejaagd dat hij op de rand van totale uitroeiing staat.”
In de schemering reden wij zwijgend naar ons kamp terug. Die avond, toen wij rond het kampvuur zaten en over het lot van de neushoorn spraken, werden wij opgeschrikt door een schor, ritmisch gebrul. Het werd door andere stemmen beantwoord.
„Leeuwen”, zei onze gids, terwijl hij kalm in het vuur porde. „Ze, eh, lijken wel erg dichtbij, denkt u niet?” vroeg ik nerveus. „Helemaal niet. Mijlen hiervandaan. Het gebrul van leeuwen kan wel acht kilometer of verder dragen.” Gerustgesteld gingen wij slapen, met de hoop enkele van deze grote katten te zullen zien in het Masai Mara Reservaat, onze volgende stop. Wij werden niet teleurgesteld.
De grote katten van Mara
Terwijl wij over de open steppen reden van deze noordelijke uitloper van de grote Serengetivlakte, maakte opwinding zich van ons meester toen de chauffeur zijn kreet slaakte: „Simba!” Voorzichtig stopten wij en zagen niet slechts één leeuw, maar een hele troep — zo’n 40 in totaal. Enkele leeuwinnen lagen nonchalant in kleine groepjes bijeen. Meer leeuwinnen, vergezeld van welpen, kwamen uit het kreupelhout te voorschijn. Verscheidene leeuwen verdrongen zich rond een kleine regenpoel om te drinken. Welpen stoeiden met elkaar en zaten elkaar achterna.
Wij verlangden ernaar uit te stappen om met ze te spelen, maar bedwongen onszelf toen wij een blik wierpen op de spieren die zichtbaar waren onder de huid van de leeuwinnen, en twee grote mannetjes met weelderige manen opmerkten die uitgestrekt lagen in een sfinxhouding — grote goudgele katten die tevreden met hun gele ogen knipperden in de laatste zonnestralen. De tijd om met leeuwewelpen te stoeien ligt nog in de toekomst. — Jesaja 11:6-9.
„Leeuwen rusten ongeveer 20 uur van de 24”, zei onze gids. „De mannetjes zelfs nog langer. Het grootbrengen van de welpen doen de wijfjes vrijwel alleen en ze nemen 90 procent van het jagen voor hun rekening, niettemin eten de mannetjes altijd het eerst.” De vrouwen in onze groep schenen deze feiten vermakelijk en veelbetekenend te vinden! Maar er zou weinig van het grootbrengen van welpen en van vredige maaltijden komen zonder beschermende mannetjes in een troep. Als ze als schadelijk wild worden afgeschoten door herders of ten slachtoffer vallen aan trofeeënjagers, valt de troep vaak uiteen, en worden de welpen in de steek gelaten.
Terwijl de leeuw zich momenteel weet te handhaven tegen de dreiging van uitroeiing, vergaat het de cheetah niet zo goed. De volgende morgen kruisten wij toevallig het pad van twee van deze elegante en sierlijke dieren. Het was een moeder die haar zoon inwijdde in de jacht. Beide wandelden op hun gemak op een kudde Thomson-gazellen toe, maar terwijl de moeder tot een behoedzame sluipgang overging, schoot haar overhaaste zoon meteen achter de Tommies aan. Hij versnelde in enkele seconden tot zijn befaamde sprint van 120 kilometer per uur en veranderde in een goud-met-zwarte streep. Tevergeefs! Cheetahs kunnen hun topsnelheid slechts gedurende korte tijd volhouden, en zo ontkwamen de Tommies, en verspreidden zich.
Hij probeerde het opnieuw en faalde andermaal. Ten slotte liet hij gefrustreerd en hijgend zijn moeder voordoen hoe je zo iets moet aanpakken. Ze sloop op de gazelle af totdat ze er heel dichtbij was, en buitte toen haar sprintsnelheid goed uit. Ze deelde de kleine vangst met haar zoon.
„Kijk!” riep de gids uit, terwijl hij wees. Een hyena was als uit het niets te voorschijn gekomen. Hij rende op de cheetahs af, verjoeg hen van hun moeizaam verkregen buit en ging ermee aan de haal.
„Ah, de schurk!” sputterde onze gids. Hij was er helemaal voor de hyena op te jagen om de buit van de cheetah terug te halen, maar de dief was verdwenen. Hyena’s zijn heel impopulair bij mensen. Niettemin heeft de hyena nooit enige diersoort met uitroeiing bedreigd. Konden mensen maar hetzelfde zeggen!
Grappige families
Naast de grote katten zagen wij uiteenlopende gezinstafereeltjes in het Mara Reservaat. Een struisvogelfamilie schreed voorbij, de 2,10 meter grote ouders die een troep sjofel uitziende jongen hoedden. Ook knobbelzwijnfamilies waren er in overvloed, komisch in hun lelijkheid. Bewonderenswaardig snel en schrander, trippelen ze voort met hun op een laadschop gelijkende, van slagtanden voorziene snuiten hoog opgeheven. Hun dunne staartjes wijzen, als autoantennes, recht omhoog.
Onze Masai-chauffeur stak zijn wijsvinger omhoog en lachte: „Dat is de manier waarop meneer Knobbelzwijn wil zeggen: ’Ik ben hier nummer één.’”
Apenfamilies waren ook een constante bron van verrukking. Pezige groene meerkatten met zwarte gezichten sprongen en kwetterden in de bomen terwijl daaronder hun baby’s in wilde spelletjes leerden klimmen. Colobusapen die boven onze hoofden wat luchtacrobatiek ten beste gaven, leken in hun sombere zwart-witte jasjes een stelletje krankzinnig geworden priesters. Bavianenfamilies zag men er ook overal; de baby’s reden vaak als kleine jockeys op moeders rug mee. Bavianen zijn zeer onstuimig en ontzettend nieuwsgierig. In Tanzania moesten mijn vrouw en ik er zelfs een onze hotelkamer uit jagen!
Afrika’s grootste dieren
In een van de bossen van Mara zagen wij olifanten, grote grijze gestalten die zich geluidloos tussen de bomen voortbewogen. Het was een kudde van acht koeien, met tussen hen in een kalfje van drie maanden dat aan de leidende koe, de matriarch, behoorde. De kudde beschermde dit kleine kereltje voor onze blikken terwijl hij onbevreesd tussen de op pilaren lijkende poten door drentelde, van tijd tot tijd zijn moeder zocht en bij haar dronk. De kudde, zo vernam ik, zal haar tempo aanpassen aan dat van het kalf en zich eromheen opstellen om het te beschermen. De leidende koe viel zelfs bijna onze chauffeur aan — hij trok zich snel in de vrachtwagen terug!
De bullen zwerven vaak alleen rond. In de Ngorongorokrater in Tanzania zagen wij een oud mannetje met lange, glanzend witte slagtanden. Hij kan ze gebruiken om gaten te graven op zoek naar zout en mineralen of zelfs om watergaten te graven die in het droge seizoen ook door andere dieren worden gebruikt. Ironisch genoeg hebben deze prachtige werktuigen, die duidelijk ontworpen zijn om de olifant te helpen overleven, de menselijke hebzucht zo aangevuurd dat ze wellicht zijn ondergang zouden kunnen betekenen!
In grootte onmiddellijk op de olifant volgend komt het enorme nijlpaard. (Volgens sommigen is de witte neushoorn het op één na grootste landzoogdier.) Wij stopten in de buurt van een kleine rivier waar wij een hele kudde van deze nijlpaarden zagen die al snurkend en geeuwend en zich koesterend in de zon de dag doorbrachten.
„Het nijlpaard”, zo vertelde de gids ons, „luiert de hele dag in het water om te voorkomen dat hij door de zon verbrandt, en komt ’s nachts aan land om te grazen. De olie op zijn huid beschermt hem tegen al te veel zon en water. Verrassend genoeg”, vervolgde hij, „doodt het nijlpaard meer mensen dan elk ander Afrikaanse dier. Het zijn geen carnivoren, maar zwem of peddel te dicht bij ze in de buurt — en met één hap is het gedaan!”
Toen wij hen observeerden, begrepen wij waarom het boek Job zegt dat zelfs een overstromende rivier die tegen de bek van deze behémoth tekeergaat, hem niet in paniek zal brengen. Zijn kop alleen al kan een ton wegen! — Job 40:23.
De vlakten van de Serengeti
Wij reisden zuidwaarts naar Tanzania en brachten een bezoek aan de spectaculaire Ngorongorokrater, een 19 kilometer brede kom waarin het wemelt van het wild. Van een afstand leek iets boven het wateroppervlak van een van de ondiepe zoutmeren een roze wolk te hangen. Het meer was overdekt met kleine flamingo’s, de kleinere, roze variëteit. Al murmelend en snaterend stapten ze in het gedrang elegant rond, hun poten een dicht woud van helderrode rietjes die zich bogen en strekten.
De vlakten van de Serengeti ten noordwesten van de krater zijn grote uitgestrekte zeeën van gras met hier en daar verspreid eilandjes die kopjes heten. Dat zijn enorme, door de zon geblakerde rotsformaties, waarop het krioelt van kleine, zachtbehaarde klipdassen en felgekleurde hagedissen. In het nabijgelegen kreupelhout zagen wij de dik-dik, een vijf kilo wegende, dertig centimeter hoge antilope wiens enige verdediging erin bestaat dat hij zich weet te verstoppen.
Wij reden midden tussen een kudde wildebeesten die de steppe overal waar wij keken tot over de horizon bedekte. Ze groepeerden zich voor hun jaarlijkse trek, loeiend en clowneske capriolen makend. Ik glimlachte bij het zien van hun overweldigende aantallen en het horen van hun overdonderende lawaai en dacht: ’Eindelijk een dier dat nu eens niet door de mensheid wordt uitgeroeid!’
Onze gids was opgewonden. „Dit jaar zijn het er gegarandeerd twee miljoen. Nu zijn ze op weg naar de dichtstbijzijnde slagregen — ze kunnen er een voelen op zo’n 50 kilometer afstand!”
Op een keer waren wij laat op de middag op de savanne vogels aan het observeren, en waren opgewonden dat wij tot dusver bijna 200 soorten hadden gezien, alle even prachtig.
„Nee maar!” zei mijn zuster naar adem snakkend terwijl zij met haar vinger wees. Ik keek om in de veronderstelling een heel bijzondere vogel te zien, en ontdekte in plaats daarvan een luipaard, vorstelijk gedrapeerd over de takken van een acaciaboom, nog geen 20 meter van ons vandaan. Hij keek ons kalmpjes aan en geeuwde, en leek volkomen op zijn gemak. Ook leeuwen kunnen in bomen klimmen, maar omdat ze tweemaal zo zwaar zijn als luipaarden, doen ze dat maar zelden, alleen wanneer ze willen ontkomen aan de hitte en de vliegen. De leeuwen die wij in een boom hadden gezien, lagen er zo onhandig en ongemakkelijk bij, dat wij er allen om moesten lachen. Maar de luipaard eet, slaapt, ja leeft praktisch in bomen.
„Is hij niet fantastisch?” zei onze gids enthousiast. Helaas vervolgde hij met te zeggen dat „de meeste toeristen tegenwoordig naar huis gaan zonder een luipaard gezien te hebben. Vanwege hun prachtige vacht wordt er door stropers veel op ze gejaagd.” Al onze camera’s klikten en zoemden terwijl de zon over de savanne onderging. Ik vraag mij af of die luipaard nu, nog maar een paar maanden later, nog leeft.
Zullen ze er nog zijn voor onze kinderen?
Toen ons vliegtuig huiswaarts vertrok, keek ik op de Serengeti neer en voelde mij verdrietig. In de eerste plaats bedroefde het mij dit prachtige gebied te moeten verlaten. Het had mijn hart volledig veroverd. Maar enkele tijdens de safari steeds terugkerende thema’s stemden ook verdrietig.
De snelheid van de cheetah bijvoorbeeld, de slagtanden van de olifant, de nek van de giraffe, de eigenschappen van elk schepsel dat wij zagen, wijzen alle op de Ontwerper die schoonheid en bruikbaarheid, vorm en functionaliteit in al zijn werk weet te combineren. Menselijke ontwerpers worden met lof overstelpt wanneer hun werk een dergelijke harmonie zelfs maar benadert. Toch wordt de Ontwerper van deze oneindig veel grotere werken nog maar heel zelden als ontwerper erkend. In plaats daarvan schrijft men alles toe aan een blinde kracht van miljarden toevalstreffers die men evolutie noemt. Een droeve zaak.
Erger nog, de werken zelf worden gestadig en moedwillig vernietigd. Ondanks de heroïsche krachtsinspanningen van degenen die zich inzetten voor het behoud ervan, blijven verschrikkelijke vragen betreffende de wildstand in Afrika steeds terugkeren. Zullen de wilde dieren, ondanks de voortdurende stroperijen en de druk van de gestadig slinkende leefgebieden, kunnen overleven? Zullen ze er nog zijn voor onze kinderen, onze kleinkinderen?
Verontrustende vragen, inderdaad. En toch leiden zulke vragen voor nadenkende mensen onvermijdelijk tot een nog belangrijker vraag: Zal de intelligente Ontwerper van de aarde en alle schepselen daarop werkeloos toezien totdat alles is verwoest? Neen; hij belooft „hen te verderven die de aarde verderven”. Beter nog, hij belooft dat er spoedig een tijd zal aanbreken waarin de mensheid in vrede zal leven met de dieren. — Openbaring 11:18; Jesaja 11:1-9.
Ja, de Schepper verschaft voortreffelijke, betrouwbare antwoorden op onze meest verontrustende vragen. Het nadenken over zijn beloften verdrijft mijn droefheid over de benarde positie waarin Afrika’s wilde dieren zich bevinden. Ze zijn er niet alleen nu; ook in de toekomst zullen ze er nog zijn. — Ingezonden.