Kambodja — De nachtmerrie overleefd
Zoals verteld door Khem Sou
VELE jaren heerste er in Kambodja (of Kampuchea) vrede. Toen greep in 1970 luitenant-generaal Lon Nol de macht. Als gevolg hiervan kwamen de communisten, bekend als de Khmer Rouge of Rode Khmer, in opstand. Lon Nol mobiliseerde in heel Kambodja iedereen die hij mobiliseren kon voor de strijd tegen de communisten.
Ik studeerde destijds rechten en medicijnen aan de Universiteit van Phnom Penh en werkte tevens als schrijver. Mijn eerste boek, Tranen van wezen, had ik al geschreven toen ik nog maar 15 jaar was. Het was hoofdzakelijk een samenvoeging van fragmenten uit de dagboeken die ik sinds mijn zevende had bijgehouden. Het boek verkocht heel goed, en daar ik het geld niet nodig had, schonk ik de auteursrechten aan het weeshuis.
Terwijl ik op de universiteit zat, genoot ik bekendheid als schrijver, tekstschrijver van liederen en zanger. Bij elkaar heb ik zo’n 20 boeken en vele liederen geschreven. Mijn voorliefde voor schrijven is misschien te danken aan de invloed van mijn moeder, die Franse literatuur doceerde aan de Universiteit van Phnom Penh. Zij wilde dat ik jurist zou worden.
Toen Lon Nol echter het land mobiliseerde om tegen de communisten te strijden, moest ik mijn studies afbreken en werd ik voor de keuze geplaatst of ik in het leger of bij de politie zou gaan. Hoewel mijn stiefvader een van de hoogstgeplaatste generaals was, wilde ik niets met het leger te maken hebben. Ik ging daarom bij de politie, en tegen 1973, toen ik 22 jaar was, had ik de rang van inspecteur verworven.
Niettemin groeide, terwijl ik mijn politiewerk verrichtte, mijn ontevredenheid met het leven. Ik werd er zelfs toe bewogen een boek te schrijven met als titel Het leven is zinloos. Droevig genoeg was dit mijn oordeel nadat ik veel had nagedacht over het boeddhisme en de leer van een aantal Franse filosofen, en nadat ik een carrière had nagestreefd als schrijver en politieman.
Vroege achtergrond
Op heel jonge leeftijd had ik bij mijn grootmoeder, een oom en twee tantes gewoond — echter niet bij mijn ouders. Mettertijd hertrouwde mijn moeder, en toen ik 12 was, kon ik eindelijk bij mijn moeder, mijn stiefvader en mijn twee zusters gaan wonen.
Mijn grootmoeder had mij als boeddhist grootgebracht. Toen ik tien jaar was, werd ik voor drie maanden naar een klooster gestuurd voor religieus onderricht. Buiten het klooster, zo merkte ik, liepen de monniken rond met hun hoofden gebogen en schenen zij de verpersoonlijking van zachtaardigheid te zijn, maar binnen ging er geen dag voorbij zonder dat zij met elkaar ruzieden.
In onze pagode bevond zich een klein gouden beeld van Boeddha dat van tijd tot tijd niet op zijn plaats stond. Waar was het bij die gelegenheden? De monniken zeiden dat het beeld kon vliegen en dat het verschillende pagoden in de buurt bezocht. Toen ik er zorgvuldig op ging letten, ontdekte ik dat een monnik het beeld verwijderde en het verborg. Het deed mij verdriet dat de monniken aan een dergelijk bedrog deelnamen. Toen ik het aan mijn grootmoeder vertelde, werd zij heel boos op mij omdat zij in het vliegende beeld wilde geloven.
Na die tijd in het klooster groeide mijn ongeloof. Op de middelbare school leerde zelfs de godsdienstleraar dat het boeddhisme verdeeld is in vele scholen en dat het slechts een filosofie is. Ik richtte mij op de leringen van verscheidene Franse filosofen, in de hoop daar antwoorden te vinden op mijn vragen over het leven. Maar deze filosofieën vergrootten zelfs mijn twijfels aan het bestaan van God. Wat moest ik geloven? Ik wist het niet, maar ik vroeg mijzelf herhaaldelijk af wat de reden was voor mijn bestaan.
Het einde van Lon Nols regering
Gedurende 1973 en 1974 nam de beroering van de oorlog toe, en steeds meer mensen, uit alle lagen van de bevolking, werden gekweld door de onrechtvaardigheden die zij zagen. Aangezien ik als politieman weinig kon doen aan de grieven, trachtte ik als schrijver iets te doen. Ik schreef een maatschappijkritische roman, De duistere hemel.
Dat was het laatste boek dat ik ooit geschreven heb. Ik ging ervoor naar de gevangenis. Ik werd veroordeeld tot twee jaar, maar dank zij mijn verwantschap zowel met de koninklijke familie als met een van Kambodja’s ambassadeurs in een nabijgelegen Aziatisch land werd ik na slechts enkele dagen vrijgelaten. De ambassadeur had zijn invloed ten behoeve van mij aangewend.
Natuurlijk verkoos ik de vrijheid boven gevangenisstraf, maar ik voelde mij niet werkelijk vrij. De gevestigde orde, die iedereen een bepaalde denk- en levenswijze trachtte op te dringen, wekte in mij een bijna even grote weerzin op als gevangenisstraf. Het leven in de hoofdstad Phnom Penh, mijn geboorteplaats, scheen zo onnatuurlijk. De corrupte, materialistische en genoegens najagende hogere kringen deden mij walgen en ik wilde dat alles ontvluchten. Omdat ik niet langer in het politiekorps wilde dienen, nam ik ontslag.
Spoedig daarna verhuisde ik naar de provincie Pailin, nabij de grens met Thailand. Om de kost te verdienen, ging ik werken voor een onderneming die edelstenen dolf. Het leven op het platteland trok mij meer, maar ik kon er niet lang van genieten. Dit kwam omdat in april 1975 de communistische Rode Khmer Phnom Penh binnenrukte, Lon Nol verstootte en onmiddellijk probeerde een volkomen nieuwe maatschappij te creëren.
Hiertoe moesten alle personen die onder het vorige regime in overheidsdienst waren geweest, zich melden om voor herscholing naar speciale kampen te worden gestuurd. Ik meldde mij niet, omdat ik niet opnieuw politieagent wilde worden. Dat ik mij niet meldde, redde mij het leven. Ik vernam later dat „herscholing” in werkelijkheid executie betekende. Allen die zich meldden, werden gedood.
Een tijd van verschrikking
Volgens schattingen werden in de daaropvolgende maanden tussen de één en twee miljoen Kambodjanen ter dood gebracht. Ik ben persoonlijk getuige geweest van executies, ik heb massagraven gezien, ik heb rivieren en meren gezien die letterlijk rood waren van het bloed en vol lijken lagen. Gezinnen werden uiteengerukt en uit hun huis en van hun land verdreven. Een revolutie zonder weerga vaagde de meer dan tweeduizend jaar oude Kambodjaanse tradities weg. Geen enkele Kambodjaan had ooit zo’n radicale verandering voor mogelijk gehouden.
Ontdaan en vervuld van afgrijzen vroeg ik mij af of het nog enige zin had om in zo’n onmenselijke maatschappij te leven. Ik besloot naar het buitenland te vluchten. De Rode Khmers hadden al naar mij gezocht; ik stond op hun zwarte lijst. Sinds ik de politie had verlaten, had ik onder een schuilnaam geleefd, en dit had tot dusver verhinderd dat zij mij vonden. Maar omdat ik bekend was als tekstschrijver en auteur, wisten veel mensen wie ik was en noemden mij zelfs bij mijn echte naam. Daarom besefte ik dat ik in groot gevaar verkeerde.
Nochtans was de beslissing om naar Thailand te vluchten in geen geval gemakkelijk. Ongeacht het regime dat aan de macht was, hield ik nog steeds van mijn moederland. Ik wist ook dat als ik eenmaal was weggegaan, ik nooit zou mogen verwachten terug te keren om mijn ouders, mijn broer en mijn zusters te bezoeken. Bovendien kon ik er met geen mogelijkheid achter komen welke routes naar Thailand leidden. Ik kon het niet vragen. Ik had het lijk van een man gezien die men had doodgeschoten en had laten liggen omdat het bekend was geworden dat hij van plan was het land uit te vluchten.
De vlucht — en geloof in God
PRECIES twee maanden nadat de Rode Khmer de macht greep, probeerden een andere man en ik te vluchten. Wij verdwaalden echter en moesten terugkeren. Maar ik gaf het niet op. Een paar dagen later ging ik er opnieuw op uit met een voormalige collega van de politie. Later voegden zich nog zeven anderen bij ons, onder wie zich een kind van drie jaar bevond.
In het oerwoud hoorden wij het bloedstollende gebrul van tijgers. Maar nog vreeswekkender dan tijgers en giftige slangen waren de ondersteuners van de Rode Khmer, die voortdurend het oerwoud uitkamden op zoek naar vluchtelingen. Soms zagen wij hen. Het geringste geluid zou hun aandacht hebben getrokken en zou de dood hebben betekend. Soms konden wij niet slapen van angst.
Op de derde dag van onze vlucht dachten wij ten onrechte dat wij de grens over waren. Wij waren zo blij dat wij alle rijst die wij hadden, kookten en opaten. Dat was een ernstige vergissing! De volgende vier dagen hadden wij geen voedsel. Toen wij zowel onze hoop als onze kracht begonnen te verliezen, zagen wij plotseling een troep apen van boom tot boom springen met trossen bananen. Hongerig als wij waren, bedelden wij de apen om hun bananen. En of u het wilt geloven of niet, één aap wierp ons een banaan toe! Toen begonnen de anderen hem te imiteren, zodat zij ons in totaal 20 bananen gaven.
Vanwege de opwindende gebeurtenissen van die dag kon ik die nacht maar moeilijk slapen. Ik staarde omhoog naar de wolkeloze lucht en zag een volle maan staan aan een hemel van donkerblauw fluweel. Myriaden sterren schitterden. Het zou een onvergetelijke nacht voor mij worden.
Mijn gedachten hadden geruime tijd stilgestaan bij vragen betreffende het bestaan van God. Wanneer ik alle wonderbaarlijke en ingewikkelde processen in de natuur gadesloeg, vroeg ik mij af of wij hier niet een wijze Schepper de eer voor moesten geven. Nu, terwijl ik de schoonheid van die nacht bewonderde, voelde ik de drang om te bidden. Wetend dat God zich ver boven de sterrenhemel moest bevinden, keek ik omhoog naar de hemel, en voor de eerste keer in mijn leven bad ik vanuit mijn hart tot God, met hetzelfde innige gevoel als sprak ik tot mijn eigen vader. Dat gebed bleek een belangrijk keerpunt te zijn.
Nadat ik de deur van mijn hart voor God had geopend, begonnen de stukjes op hun plaats te vallen en raakte ik ervan overtuigd dat (1) God wel degelijk bestaat en dat (2) het leven wel degelijk zin heeft. Mijn redenatie was dat alle processen in de natuur blijk geven van een intelligent ontwerp. Zou de Bron van deze betekenisvolle wetten de mens daarom niet met een bepaald doel op aarde hebben gezet?
Vervolgens diende zich de volgende vraag aan: Als God klaarblijkelijk de macht en de wijsheid bezit om menselijk lijden te beëindigen, waarom heeft hij dan tot in onze tijd zoveel ellende toegestaan? Ik wilde ook weten welke religie werkelijk de levende God aanbidt. De speurtocht naar de antwoorden op deze brandende vragen zou prioriteit in mijn leven krijgen. Ik kon niet geloven dat God zo liefdeloos zou zijn dat hij de mens de antwoorden zou onthouden.
Terwijl wij onze moeizame tocht door het oerwoud voortzetten, dacht ik aan mijn moeder. Zij had enige belangstelling getoond voor het christendom. Zendelingen uit Frankrijk waren regelmatige bezoekers in ons huis geweest. Soms sprak Moeder met mij over die vreemde religie waarvan de volgelingen geen bloed aten. Zij sprak ook over „goed nieuws” dat ging over rechtvaardige, ja, paradijselijke omstandigheden die God zou teweegbrengen. Toentertijd had ik daar geen woord van geloofd. Maar nu vroeg ik mij af: ’Heb ik redenen om er niet in te geloven? Is mijn moeder geen intelligente vrouw die deze dingen afweegt en onderzoekt?’ Ik wilde het weten. Maar eerst moest ik levend Kambodja uit zien te komen.
Ik was schamel gekleed, droeg slechts een sarong. Inmiddels waren mijn blote voeten en benen ernstig gezwollen. Wij waren allen uitgeput en half dood van de honger. Wij kauwden op boombladeren om in leven te blijven. Op de tiende dag van onze trektocht moesten wij een berg beklimmen. Vanaf de top keken wij neer op wat naar wij meenden Thailand was. Tijdens het afdalen van de berg passeerden wij een hut die naar rottend vlees stonk. Binnen lag een half verrot menselijk lichaam en ook een skelet! Rond de keet zagen wij de onmiskenbare schoenafdrukken van de Rode Khmers. In doodsangst vluchtten wij! Nog waren wij niet veilig. Die lijken moeten van slachtoffers zijn geweest die hadden geprobeerd uit Kambodja te vluchten.
Verderop in het oerwoud kwamen wij aan een rivier die volgens ons eindelijk de grens moest zijn. Maar ongeveer 30 meter stroomafwaarts was een waterval! Er brak onenigheid uit tussen mijn vriend en mij. Met het oog op de risico’s stond hij erop dat alleen volwassenen zouden moeten proberen de rivier over te steken. Zonder echter naar hem te luisteren wachtte ik op de duisternis, en met het kleine meisje op mijn rug gebonden ging ik op weg naar de overkant. Het water was diep en ik ging kopje onder, maar ik haalde uiteindelijk de overkant! Wij waren allemaal in veiligheid!
De volgende dag kwamen wij bij een klein dorpje waar maïsvelden stonden. Om onze honger te stillen, hielpen wij onszelf en aten de maïs rauw. Niet ver daarvandaan stond een kleine hut, en daarin vonden wij een pakje lucifers. Uit het etiket bleek dat het in Thailand was gemaakt, niet in Kambodja. Kunt u zich voorstellen hoe wij ons voelden? Hier was het bewijs! Wij waren in Thailand!
Hoe prachtig zagen de bergen en rivieren er nu voor ons uit! Kort daarop kreeg ik hoge koorts en raakte drie dagen bewusteloos. Blijkbaar had ik in het oerwoud malaria opgelopen. Desondanks vonden wij onszelf de gelukkigste mensen op aarde.
Het doel van het leven gevonden
IN HET vluchtelingenkamp in Thailand waren wij met nog 200 andere Kambodjanen. Hier was ik in staat de bijbel te bestuderen met een lid van een protestantse denominatie genaamd Kinderen van God. Deze groep bemerkte mijn belangstelling voor het christendom en wilde mij prompt dopen. Ik weigerde te worden gedoopt omdat het mij nog steeds ontbrak aan overtuiging. Veel Kambodjanen lieten zich snel dopen omdat zij na hun doop kleren ontvingen.
Van de „Kinderen van God” kreeg ik een bijbelvertaling in mijn eigen Kambodjaanse taal. Ik leerde eruit dat God de persoonlijke naam Jehovah heeft en dat deze God, die zich op bijzondere wijze aan de joden in de oudheid had onthuld, ook de God van de christenen is. Deze God wilde ik nader leren kennen.
In december 1975, na vijf maanden in Thailand te zijn geweest, hielp het Internationale Comité van het Rode Kruis mij naar Oostenrijk te emigreren. Eerst werd ik in een vluchtelingenkamp ondergebracht waar ik Duits leerde. Na zes maanden werd ik overgebracht naar Linz waar ik in een appartement ging wonen. ’s Avonds zette ik mijn studie van het Duits voort en overdag werkte ik in een emballagefabriek.
Gedurende deze periode had ik contact met de evangelische en katholieke kerken, maar er was niemand die mij bevredigende antwoorden kon geven op vragen zoals: „Wat gebeurt er na de dood?” en „Wat is het koninkrijk Gods?” Ik vroeg een katholieke priester naar de betekenis van het „goede nieuws” en of er zo iets bestond als een „goed nieuws-religie”. Hij had geen antwoord. Ik vroeg mij af wat dat goede nieuws was waarover mijn moeder mij had proberen te vertellen.
Tweemaal, toen ik alleen thuis was, bad ik tot God, en elke keer vond ik na gebeden te hebben een strooibiljet onder mijn deur geschoven. Het waren uitnodigingen voor bijeenkomsten in een plaats die Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen heette. De naam Jehovah betekende reeds iets voor mij, maar wie waren „Jehovah’s Getuigen”? En waarvan waren zij getuigen? Vol vragen en vol nieuwsgierigheid ging ik er beide keren op uit om de Koninkrijkszaal te vinden. Beide keren belandde ik in een kerk. De Koninkrijkszaal bevond zich op de eerste etage boven een disco, en ik slaagde er niet in haar te vinden.
Enkele dagen na mijn tweede poging was ik op visite bij een vriend uit Thailand toen twee personen die zich bekendmaakten als Jehovah’s Getuigen aan zijn deur kwamen. Toen ik zag dat mijn vriend hen wegstuurde, zei ik hem dat ik wel met hen wilde praten. Allereerst vroeg ik hun wat Gods koninkrijk is. Zij verklaarden aan de hand van de bijbel dat het een hemelse regering is in handen van Christus die over de aarde zal regeren. Zij gebruikten opnieuw de bijbel om mijn volgende vraag over de toestand van de mens na de dood te beantwoorden. Ik was diep onder de indruk van hun logische, op de bijbel gebaseerde antwoorden en vroeg onmiddellijk om een bijbelstudie. Op dezelfde dag gingen mijn vriend en ik naar de vergadering in de Koninkrijkszaal.
Hoewel ik naar de lezing luisterde, ging het grootste gedeelte ervan aan mij voorbij daar ik nog steeds bezig was Duits te leren. Ik begreep echter dat het over het goede nieuws ging, het goede nieuws van Gods koninkrijk. Door middel van Jehovah’s koninkrijk zou de aarde in een paradijs veranderen waar mensen niet langer tranen van droefheid zullen vergieten en waar God „alle dingen nieuw” zal maken (Openbaring 21:3-5). Ik herinnerde mij dat mijn moeder mij eens deze zelfde woorden uit de bijbel had voorgelezen. Een wereld bevrijd van al het kwaad van deze wereld was precies wat ik van een machtige en rechtvaardige God verwachtte.
Nu wilde ik echter weten waarom Jehovah niet lang geleden reeds zo’n wereld had geschapen. Deze en vele andere vragen werden in de loop van geregelde bijbelse besprekingen volkomen bevredigend beantwoord. Ik was blij een religie gevonden te hebben die geen blind geloof van mij vroeg. Bovendien spraken Jezus’ leringen en levenswijze mij heel erg aan.
In scherp contrast met mijn ervaring met de „Kinderen van God” vroegen de Getuigen mij niet of ik mij, na een korte tijd van onderricht, wilde laten dopen. Ik begreep dat de doop een christelijk vereiste was en vroeg hun daarom of zij mij wilden dopen. Ik verwachtte dat zij dat zouden doen voor ik van gedachte zou veranderen. Tot mijn verrassing wilden zij dat ik de tijd zou nemen om te beslissen of ik die stap werkelijk wilde nemen. Ik realiseerde mij dat kwaliteit bij de Getuigen zwaarder woog dan kwantiteit. Ten slotte, na ongeveer zeven maanden bijbelstudie in het Duits, werd ik in juli 1977 op het congres van Jehovah’s Getuigen in Linz gedoopt.
Het doel van het leven begrijpen
Op ditzelfde congres werd een nieuw boek vrijgegeven. Vier jaar daarvoor had ik mijn boek, getiteld Het leven is zinloos, uitgegeven. Nu publiceerden Jehovah’s Getuigen, bijna in antwoord op het mijne, het boek Het leven heeft wel degelijk een doel. Erkennend welke onzin ik had geschreven, verwelkomde ik dat nieuwe boek met heel mijn hart.
Wat verlangde ik ernaar dit goede nieuws bekend te maken aan het in droefheid gedompelde Kambodjaanse volk! Dit goede nieuws zou hun een onfeilbare hoop en een wonderbaarlijk doel in het leven bieden. Aangezien het niet mogelijk was naar dat land terug te keren, deed ik mijn best om het goede nieuws te verkondigen onder de in Oostenrijk woonachtige Kambodjanen. Ik bad zoals Jesaja deed: „Hier ben ik! Zend mij” en hoopte dat Jehovah mij zou gebruiken om mijn landgenoten te helpen. — Jesaja 6:8.
In 1980 trouwde ik met een Japanse Getuige uit Wenen. Ik ontmoette haar op een bruiloft van Jehovah’s Getuigen. Ook mijn vrouw had datgene gevonden waarnaar zij had gezocht toen een Japanse medestudent aan de Weense Muziekacademie, een Getuige, haar hielp de bijbel te begrijpen. Nadat ons tweede kind was geboren, kreeg mijn vrouw gezondheidsproblemen, en leek het het beste dat zij naar Japan terugkeerde. Wij verhuisden in 1983 en vestigden ons in Tokio.
Mijn oprechte verlangen om Kambodjaanse vluchtelingen te helpen is niet veranderd. Er wonen er ongeveer 600 in Japan, de meesten van hen verspreid in de voorsteden van Tokio. Het schenkt mij veel vreugde om onder hen te werken en hen te helpen Jehovah’s liefdevolle voornemen voor de mensheid te begrijpen. Ik heb het grote voorrecht om te mogen assisteren bij ongeveer een dozijn huisbijbelstudies met Kambodjanen, waarbij ik hetzij zelf de studie leid of de Japanse studieleiders assisteer. Tweemaal per maand besteedt ons hele gezin een hele dag aan het prediken tot Kambodjanen. Hoewel dit betekent dat er bijna 300 kilometer gereden moet worden, worden wij enorm aangemoedigd doordat wij de gestage geestelijke vorderingen zien die sommigen van hen maken.
Na een lange poos waarin het contact met mijn familie in mijn thuisland verbroken was, ontving ik een antwoord op een brief die ik in 1981 had geschreven. Ik vernam dat mijn stiefvader en een zuster in de burgeroorlog waren gedood. Drie van mijn familieleden, mijn moeder, mijn broer en een zuster, leven nog. Wij zijn in staat om enkele malen per jaar te corresponderen, maar het is moeilijk om uit de brieven op te maken hoe de religieuze situatie in Kambodja is.
Ik kan met vertrouwen zeggen dat mijn speurtocht naar het doel van het leven beslist rijk is beloond. Nu ik het werkelijke doel en de werkelijke zin van het leven gevonden heb, ben ik heel blij dat ik een liefderijk gezin heb dat verenigd is in het dienen van onze grote God, Jehovah. Wat zie ik uit naar de dag waarop ik kan worden verenigd met mijn moeder, broer en zuster! Wat een voorrecht is het om in de tussentijd een aandeel te hebben aan het brengen van het goede nieuws van Gods koninkrijk aan de vertrapten en onderdrukten!
[Kaarten op blz. 16]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Kampuchea en omliggende landen, met in de inzet mijn vluchtroute naar Thailand
CHINA
VIETNAM
LAOS
THAILAND
KAMPUCHEA
Andamanse Zee
[Kaart]
THAILAND
Battambang
Pailin
KAMPUCHEA
[Illustratie op blz. 15]
Een van de gebouwen van het koninklijk paleis in Phnom Penh. Als jongen had ik hier voor de koning gedanst
[Illustratie op blz. 18]
Mijn vrouw en ik studeren met onze twee kinderen