De pornoplaag — Een werkelijke bedreiging!
WAT u hieronder kunt lezen, is een staaltje van de hedendaagse porno. Schokt het u? Wordt u er onpasselijk van? Toch is het ontleend aan publikaties die een milde beschrijving geven van de inhoud van momenteel circulerende porno. Hoewel de aangehaalde bronnen taal gebruikten die volgens hen geschikt was voor publikatie, moest Ontwaakt!, om u te sparen, van die taal nog het een en ander kuisen.
Te zeggen dat ’pornografie er altijd al is geweest en wij ons daarom nergens zorgen over hoeven te maken’, verraadt derhalve dat men zich niet bewust is van de opmerkelijke verandering van de inhoud in recente jaren. Het is niet langer slechts naaktheid of seksuele gemeenschap die wordt afgebeeld. Tegenwoordig bestaat pornografie uit een walglijke stortvloed van smerigheid, perversiteiten en bruut geweld. Afbeeldingen van heteroseksuele en homoseksuele verkrachting; lesbische, homoseksuele, orale, anale seks; groepsseks; incest; bestialiteit; marteling, verminking en moord — waarbij vaak kinderen onder de dertien betrokken zijn. Het is belangrijk dit in gedachte te houden wanneer wij de door sommigen gehuldigde opvatting gaan beschouwen dat pornografie onschuldig is en daarom voor u geen bedreiging vormt.
Schadelijk of nuttig?
Er zijn twee algemene theorieën over de uitwerking van porno. Eén theorie is het idee van een „catharsis”, een „afreageren”. De voorstanders ervan beweren dat pornografisch materiaal geen slechte uitwerking heeft op normale mensen, maar wel een veilige uitlaatklep biedt aan seksueel agressieve personen en daarom onschuldig is en zelfs nuttig kan zijn. Natuurlijk geven degenen die zo redeneren hiermee toe dat wat iemand leest of ziet wel degelijk een uitwerking heeft. Toch zeggen zij dat er geen deugdelijke bewijzen zijn voor een verband tussen pornografie en verkrachting of andere soorten geweld.
Maar door anderen wordt met evenveel kracht betoogd dat er wel degelijk een verband bestaat. Dit zijn degenen die spreken uit ondervinding — degenen die rechtstreeks te maken hebben met de trieste gevolgen van pornografie. De eis dat met ’exacte wetenschappelijke gegevens’ bewezen moet worden dat er een verband bestaat, verwerpen zij als misleidend. Zij houden vast aan de tweede theorie: dat er wel degelijk mensen zijn die nabootsen of hebben nagebootst wat zij in pornografisch materiaal hebben gezien.
In een brief aan The New York Times somde de adjunct-redacteur van de Police Times voorbeelden op van wat velen bij de politie ervan overtuigt dat „pornografie een moreel en sociaal klimaat helpt creëren dat bijdraagt tot seksueel geweld en seksuele exploitatie”. Enkele verschafte voorbeelden waren:
● „William Marshall, die een studie maakte van Canadese verkrachters in de gevangenis, bericht: ’Verscheidene vormen van pornografische fantasieën kunnen leiden tot misdaad.’ Van 18 verkrachters bekenden er 10 dat pornografie hen ertoe had aangezet vrouwen tot seks te dwingen.”
● „Volgens . . . [de] oprichter van de in Phoenix zetelende organisatie Citizens for Decency Through Law ’bericht de zedenpolitie dat 77 procent van degenen die jongens seksueel misbruikten en 87 procent van hen die meisjes misbruikten, toegaf het seksuele gedrag te hebben uitgeprobeerd dat in pornografie was uitgebeeld’.”
● „De politie van Los Angeles wijst erop dat in de meer dan 40 gevallen van seksueel misbruik van kinderen waarin een onderzoek werd ingesteld, . . . telkens weer pornografische foto’s een rol bleken te spelen.”
● „Pornografische foto’s van volwassenen met kinderen worden gebruikt . . . om kinderen tot seks te verleiden. In één geval verklaarde een 6-jarig meisje dat haar vader pornografie gebruikte om haar over te halen.”
Bovendien werd in The New York Times van 14 mei 1986 bericht dat de door het Amerikaanse Ministerie van Justitie samengestelde commissie voor pornografie na een jaar onderzoek tot de conclusie is gekomen „dat aanzienlijke blootstelling aan dergelijk materiaal een zeker oorzakelijk verband vertoonde met het niveau van seksueel geweld, seksuele dwang of ongewenste seksuele agressie in de eraan blootgestelde populatie”.
Het is waar dat sommigen het niet met deze conclusie eens zijn, maar zelfs zij zien er de noodzaak van in nodeloos geweld en kinderporno te beperken, en geven feitelijk opnieuw toe dat pornografie de gebruikers ervan beïnvloedt. Het zou zonneklaar moeten zijn dat er een verband bestaat tussen wat iemand ziet en hoort, en wat hij denkt en doet.
Ondanks allerlei slimme argumenten tegen het bestaan van zo’n verband is één ding duidelijk: Degenen die pornografie maken, weten precies waarom zij het obscene materiaal produceren, en kopers weten precies waarom zij het kopen. De makers van pornografie geven toe wat ermee wordt beoogd — seksuele prikkeling. Wat er dan volgt, hetzij masturbatie of erger, kan niet worden afgedaan als uitsluitend de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Juist door wat men met dit produkt beoogt, wordt misbruik gemaakt van de consument. Pornografie en de leveranciers ervan zijn even afkeurenswaardig als elke verslavende drug en degenen die erin handelen.
’Hoe staat het met onze rechten?’
Toch zijn er mensen die waarschuwen dat men personen niet het recht mag ontzeggen om in de beslotenheid van hun eigen huis alles te bezitten, te lezen en te bekijken wat zij willen en dat men hun evenmin het recht kan ontzeggen zulk materiaal te publiceren en te verspreiden. Men vreest misbruik van censuur.
In het algemeen zijn dit deugdelijke argumenten. Maar hoewel er zo iets is als vrijheid van meningsuiting, kunt u geen lasterlijke dingen zeggen of publiceren over anderen of in het openbaar een misleidende oproep doen die de veiligheid en het leven van anderen in gevaar brengt. Geen enkele menselijke regering garandeert absolute vrijheid. Ook de rechten en vrijheden van anderen moeten in aanmerking genomen worden.
Degenen die vragen wat er verkeerd aan is als iemand in de beslotenheid van zijn eigen huis naar pornografie kijkt zolang hij maar niet imiteert wat hij ziet en zo anderen schaadt, zien een belangrijk facet van de mensenrechten over het hoofd. Aangezien pornografie wordt gebruikt om heel jonge kinderen tot incest en andere vormen van seksueel misbruik over te halen, en aangezien zowel de volwassenen als de kleine kinderen op de foto’s en films vaak gedwongen worden om mee te werken aan de vervaardiging van pornografie, valt toch niet te ontkennen dat hun kwaad wordt berokkend?
Hoe staat het bovendien met het geweld dat de voor pornografie gebruikte personen ondergaan wanneer zij worden vastgebonden, gemarteld, verminkt en onderworpen aan pijnlijke, onnatuurlijke seks? En hoe staat het met de kinderen die worden overgeleverd aan misdaadorganisaties waarvoor kinderseks een winstgevende internationale handel is? „Walglijk!” zegt u. Maar hoe staat het met hun rechten? Is dat de prijs die moet worden betaald voor het recht van andere mensen om van pornografie te „genieten”? Wordt dat bedoeld met ’voor anderen doen wat wij willen dat anderen ons doen’? — Matthéüs 7:12.
Niettemin zeggen velen dat een verbod niet het antwoord is. Om pornoproducenten gerechtelijk te kunnen vervolgen, moet bijvoorbeeld vastgesteld worden wat wel en wat geen pornografie is. Maar daar zijn zelfs de rechtbanken niet in geslaagd.
Het is duidelijk dat u en uw gezin door deze pornoplaag worden bedreigd. Politie, organisaties tegen pornografie, douanebeambten en censors schijnen geen van allen in staat te zijn de epidemie te keren. Bestaat er een manier waarop verontruste personen hun geliefden kunnen beschermen?
[Kader op blz. 5]
„Drie mannen ontvoeren achtereenvolgens een vrouw, een twaalfjarig meisje en een grootmoeder, en slaan hen bewusteloos, schoppen hen in het gezicht en tegen hoofd en lichaam. Nadat zij het bewustzijn hebben verloren, worden zij verkracht en opnieuw geslagen.”
’Naakte en verminkte vrouwenlichamen ondersteboven opgehangen aan prikkeldraadafrasteringen, en een vrouw die wordt gedwongen [bestialiteit te bedrijven].’
’Kleine meisjes [betrokken bij orale seks en bestialiteit], en jongens van acht of negen jaar waarmee . . . sodomie bedreven wordt.’
[Kader op blz. 6]
Een in maart 1985 in de Verenigde Staten gehouden Gallup-enquête voor het tijdschrift Newsweek leverde de volgende interessante meningen op van Amerikanen over pornografie:
● Een overweldigende meerderheid van 73 procent van de Amerikanen geloofde dat onverbloemd erotisch materiaal „sommige mensen tot verkrachting of het plegen van seksueel geweld leidt”.
● Slechts 34 procent dacht dat pornografie „een veilige uitlaatklep vormt voor mensen met seksuele problemen”.
● De meerderheid, 76 procent, geloofde dat onverhuld materiaal „sommige personen ertoe brengt hun respect voor vrouwen te verliezen”.
● Meer dan twee derde, 67 procent, vond dat pornografie kan „leiden tot een ineenstorting van de openbare zeden”.
● Een opmerkelijk aantal van 63 tot 73 procent dacht dat er een volledig verbod zou moeten komen op videobanden, films of tijdschriften die seksueel geweld te zien geven.