Wanneer bomen „praten”
DE KOEDOE, een Afrikaanse antilopesoort met prachtige gedraaide horens, is een statig uitziend dier. Bij natuurbeschermers ontstond derhalve verontrusting toen in kleine Zuidafrikaanse reservaten grote aantallen koedoes van de honger begonnen te sterven. De sterfte scheen onverklaarbaar, want er waren in de reservaten voldoende bomen waaraan de dieren konden knabbelen. Na veel speurwerk is echter een verbazingwekkende verklaring aan het licht gekomen: De bomen hebben met elkaar „gepraat”!
Onzin? Welnu, South African Panorama bericht: „Bomen hebben een geheim wapen tegen koedoes en andere loofeters . . . Wanneer een koedoe van een boom eet, worden de bladeren gestimuleerd een vorm van tannine te produceren die bekendstaat als tannine K.” Koedoes kunnen deze bladeren niet goed verteren en houden spoedig op met eten. „Maar kunnen ze niet eenvoudig een andere boom opzoeken?” vraagt u. Welnu, hier komt de „bomentaal” in beeld.
Professor van Hoven beweert in het tijdschrift Custos dat „onlangs boven elke twijfel werd bewezen dat wanneer de plantebladeren beschadigd worden, er aromatische stoffen worden afgegeven waarvoor andere planten van dezelfde soort gevoelig zijn”. Feitelijk waarschuwen de bomen hun buren dat er hongerige grazers in het gebied zijn. En hoe reageren de nabijstaande bomen hierop? Ze gaan in hun bladeren eveneens het schadelijke tannine produceren. Hun overleving staat immers op het spel! „Planten die dit vermogen zich te verdedigen ontbeerden . . . stierven in de loop der tijd onvermijdelijk uit”, speculeert professor van Hoven. Betrekkelijk kort nadat een koedoe begint te knabbelen, kan dus de ene boomsoort na de andere zijn voedselvoorraad gaan „afsluiten”. Er schijnen zelfs enkele dagen overheen te gaan voordat de bladeren van een boom waarvan gegeten is, weer normaal worden.
Het natuurlijke beschermingsmechanisme van bomen vormt een werkelijk probleem wanneer de koedoes in kleine reservaten worden gehouden. Onderzoekers merkten al gauw dat de sterfte onder koedoes in kleinere reservaten zes keer zo hoog lag als in de grote reservaten. Waarom? Wegens een te groot aantal koedoes. Professor van Hoven zegt: „Ons advies aan wildfokkers . . . is, niet meer dan drie tot vier koedoes per 100 ha te houden . . . Als er meer koedoes worden gehouden, is het raadzaam ze in de winter bij te voeren.”
Natuurlijk zal het nodig zijn de laboratoriumvondsten onder natuurlijke omstandigheden te reproduceren voordat men er zeker van is in welke mate en door hoeveel bomen er werkelijk „gepraat” wordt. Niettemin wijzen zelfs deze voorlopige resultaten op ontwerp in de levende schepping en op de ontzag inboezemende intelligentie van de God die alles gemaakt heeft.