Ik hoorde Gods naam en dacht niet meer aan de mijne
IK WERKTE er hard aan een naam voor mijzelf te maken. Ik ging naar de universiteit. Als hoofdvakken koos ik toneel en radio. Ik was vastbesloten acteur te worden. De oorlog brak uit en ik werd ingedeeld bij de welzijnszorg. Ik schreef en regisseerde shows voor het leger en trad erin op als ceremoniemeester. In 1946 kwam ik uit dienst en verhuisde naar Hollywood, waar ik voor de RKO-studio’s werkte. Maar acteren was mij te rustig, te saai.
Dus trachtte ik aan de slag te komen als komiek. Voor een zaal staan, mensen aan het lachen maken — dit leek er meer op! Het begon mij voor de wind te gaan. Maar net vijf jaar uit het leger en ik was al met Harry James op tournee geweest. Ik was opgetreden in alle grote nachtclubs aan de westkust en in het Flamingo- en Sahara-hotel in Las Vegas. Ik was met mijzelf ingenomen. Ik had het in vijf jaar ver geschopt en ik was werkelijk een naam voor mijzelf aan het maken!
Toen kwam oktober 1951. Die maand veranderde dat allemaal. Ik hoorde een andere naam en dacht er niet meer aan zelf naam te maken. Ik was geëngageerd als komiek in de populairste televisieshow aan de westkust. In die show was ook een evangelist. Ik vroeg welke religie hij had. „Ik ben een van Jehovah’s Getuigen.”
„Wilt u dat eens herhalen?” vroeg ik.
„Jehovah’s Getuigen.”
„Zou u het wat langzamer willen zeggen?”
„J-e-h-o-v-a-h-’s G-e-t-u-i-g-e-n.”
Ik had nog nooit eerder van de naam Jehovah gehoord. Ik nodigde deze man en zijn vrouw bij mij thuis uit. Die avond ontdekten mijn vrouw en ik iets zeer opzienbarends: God heeft een naam! En die naam is Jehovah! Wij vernamen dat het een naam was die geëerd, geheiligd en bekendgemaakt moest worden (Jesaja 43:10-12). Wij begonnen aan iedereen te vragen of zij wisten wat Gods naam was.
Ik gaf getuigenis aan klanten in de clubs waar ik werkte. Eén man toonde interesse en stelde altijd vragen. Op een keer zei hij tegen mij:
„Weet je, de meeste godsdienstige mensen mag ik wel, maar er is één groep die ik niet kan uitstaan.”
„Wie zijn dat?” vroeg ik.
„Jehovah’s Getuigen!”
„Zo? Hebt u daar een speciale reden voor?”
„Och, gewoon verschillende dingen die ik heb gehoord.”
„Zal ik u eens wat zeggen? In de bijbel staat dat wij eerlijk moeten zijn. De volgende keer dat een van de Getuigen aan uw deur komt, moet u hem eens binnennodigen. Vertel hem wat u hebt gehoord. Kijk dan wat hij te zeggen heeft. Dat is het meest logische wat u kunt doen. Zou u, om mij te plezieren, dat eens willen doen?”
Hij stemde ermee in, en niet lang daarna vertrok ik om in Las Vegas te gaan werken. Drie jaar later was ik op een congres van Jehovah’s Getuigen, toen er uit de keuken een grote man met een koksmuts op te voorschijn kwam en mij stevig omarmde.
„Weet je nog wie ik ben?” zei hij.
„Je komt me bekend voor.”
„Weet je nog dat je in de club hier in het dal wel eens met me over de bijbel sprak en tegen me zei dat de volgende keer dat er een Getuige bij mij aan de deur kwam, ik hem moest binnennodigen? Nou, dat heb ik gedaan, ik ben met hem gaan studeren en nu ben ik een gedoopte Getuige!”
Toen ik drie jaar voordien voor het eerst met hem had gesproken, vormde terloops getuigenisgeven mijn enige activiteit op dat gebied. Maar sindsdien waren mijn vrouw en ik beiden gedoopt en waren wij gaan pionieren (de volle-tijdprediking van huis tot huis). Deze ervaring doordrong mij ervan hoe belangrijk het is informeel getuigenis te geven. — 2 Timótheüs 4:2.
Later, in 1957, werden wij toegewezen aan Lakeview, een stadje met 3000 inwoners in Oregon. De dag dat ik daar aankwam, zocht ik de plaatselijke officier van justitie op.
„Kan ik u ergens mee van dienst zijn?”
„Ja. Ik heb begrepen dat onze bedienaren geen toestemming krijgen om in deze stad te prediken.”
„Bent u een van Jehovah’s Getuigen?”
„Ja, dat ben ik. De kwestie is dat ik enkele rechterlijke uitspraken bij mij heb die mij zijn toegezonden door Hayden Covington, de advocaat van het Wachttorengenootschap. Ik zou graag willen dat u ze doorlas.”
Dat deed hij, pakte toen in mijn bijzijn de telefoon en draaide een nummer. „Vader? Er zullen Jehovah’s Getuigen van huis tot huis gaan. Wij zullen ze niet kunnen tegenhouden.”
Wij begonnen van huis tot huis te prediken; ook had ik een van de films van het Genootschap, De Nieuwe-Wereldmaatschappij in actie, die ik in de kerken van Lakeview vertoonde. De predikant van een van deze kerken kwam op een avond naar onze caravan. „U brengt mijn stad in beroering!” klaagde hij. Hij begon mij te volgen als ik van huis tot huis ging. Op een avond stond ik bij het huis van een man en las hem voor uit zijn eigen King James-bijbel. Wel, op dat moment komt deze dominee zich ermee bemoeien.
„Ik zie dat de Duivel me hier net voor is!” zei hij tegen de man. Toen hij de bijbel in mijn hand opmerkte, voegde hij er snel aan toe: „Hé! Dat boek daar, dat is ook van de Duivel!”
„Hebt u het over deze bijbel die ik in mijn hand heb?” vroeg ik.
Hij richtte zich nu tot mij. „Ja, daar heb ik het over!” Hij meende dat ik de Nieuwe-Wereldvertaling gebruikte.
Ik keek de huisbewoner aan. „Ziet u hoe hij over de bijbel denkt?”
„Gaat u alstublieft weg”, zei de man tegen hem. De predikant vertrok.
Wij dienden anderhalf jaar in Lakeview. Er waren zeven Getuigen in de gemeente toen wij er kwamen, en 47 toen wij naar onze volgende toewijzing verhuisden. In 1958 kwamen wij aan in Mt. Shasta (Californië) en hadden het voorrecht daar een nieuwe gemeente op te richten.
In 1960 trokken wij verder naar Redding (Californië), waar een gemeente van ongeveer 100 Getuigen was. Op de allereerste zondag dat ik daar was, wierp een zuster gedurende de vergadering een strijdpunt op, zeggend dat ik een tekst verkeerd had toegepast. Ik was niet zo tactvol, moet ik tot mijn spijt bekennen. Ik haalde de bijbeltekst aan waarin staat dat het een vrouw niet is toegestaan in de gemeente te onderwijzen (1 Timótheüs 2:12). Deze zuster en twee andere zusters liepen de vergadering uit en knalden de deur achter zich dicht.
Na afloop van de vergadering vroeg ik een broeder contact met hen op te nemen om te zien of zij bereid waren die avond een gesprek met mij te hebben. Toen zij arriveerden, zei ik:
„Zusters, de gemeenteberichten laten zien dat jullie heel actief zijn. Ik ben hier nieuw en ik heb alle hulp nodig die ik kan krijgen. Ik heb een lijst van ongeveer 50 Getuigen die inactief zijn. Jullie, zusters, kennen deze mensen. Ik zou jullie de toewijzing willen geven hen te bezoeken, hun te vertellen dat wij proberen hier een nieuwe start te maken en te zien of jullie hen weer tot activiteit kunnen aanzetten. Jullie drieën werken hard en zijn goede onderwijzers. Ik denk dat jullie deze gezinnen kunnen helpen. Zouden jullie het willen proberen?”
Er werd met geen woord gerept over het voorval tijdens de vergadering van die morgen. Zij gingen aan het werk, en spoedig groeide de gemeente. Binnen een jaar hadden wij 100 verkondigers in onze gemeente en bovendien meer dan 50 in de nieuwe gemeente in Anderson.
Gedurende de jaren die volgden werd ik naar veel verschillende gemeenten gezonden om daar te dienen. De ervaring heeft mij één ding geleerd: Wees vriendelijk en attent voor mensen. Wees tactvol (Spreuken 15:1; Galáten 6:1; Titus 3:2). Vooral wanneer wij van deur tot deur gaan, moeten wij vrienden maken, geen vijanden. Daarom luister ik naar wat mensen zeggen en ga daarop in.
De keer bijvoorbeeld toen de vrouw die op mijn kloppen opendeed, zei:
„Ik heb mijn eigen kerk.”
„Weet u wat ik dan fijn vind?” zei ik. „Het betekent dat u in de bijbel gelooft. Ongetwijfeld bidt u het Onze Vader, en daarin vraagt u of Gods wil mag geschieden op aarde. Er is al lang genoeg gebeurd wat mensen wilden, vindt u niet? Wij verlangen ernaar dat Gods wil geschiedt. Wat is op dit moment zijn wil voor ons? Dat is de belangrijke vraag voor ons, is het niet?” Wij hebben daar 20 minuten over staan praten.
Aan een andere deur zei een man: „Ik ben katholiek.”
„Weet u wat ik werkelijk waardeer in katholieken?” vroeg ik.
„Wat dan?”
„Zij bidden het Onze Vader. Het is een prachtig gebed: ’Onze Vader die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd.’ Mag ik u eens iets interessants over die naam laten zien?” Ik kreeg de gelegenheid dat te doen.
Vaak zeggen mensen: „Ik heb het druk.”
„Ik ben blij dat u het druk hebt. Weet u waarom? God houdt van mensen die druk bezig zijn. Ik heb het zelf ook druk. Ik heb twee tijdschriften bij me die speciaal geschreven zijn voor mensen die het druk hebben. De artikelen zijn kort en ter zake. Ik mag ze beide bij u achterlaten voor een bijdrage van 40 cent. Ik weet dat u er met genoegen in zult lezen.”
Met andere woorden, wat iemand ook naar voren brengt, ik ga erop in. Ik ga er niet aan voorbij, ik gebruik het. Het helpt mij te ’weten hoe ik een ieder een antwoord behoor te geven’. — Kolossenzen 4:6.
In 1964 had ik een zeer ongewone ervaring in Montgomery (Alabama). Jehovah’s Getuigen zouden een congres houden in het Coliseum. Voordat het zou beginnen werd er door actievoerders met borden voor de Koninkrijkszaal heen en weer gelopen. Het gerucht had de ronde gedaan dat Jehovah’s Getuigen zouden proberen de wet te overtreden door te pogen op hun congres rassenintegratie door te voeren. Het Genootschap instrueerde ons contact op te nemen met het stadsbestuur. Twee van ons mochten een onderhoud hebben met gouverneur Wallace. Toen wij in zijn kantoor werden gelaten, stelden wij ons voor en zeiden:
„Wij zijn Jehovah’s Getuigen en wij geloven dat er moeilijkheden voor ons op til kunnen zijn tijdens ons congres in het Coliseum. Er wordt rondverteld dat wij zouden willen proberen de wet te overtreden door te pogen rassenintegratie . . .” Verder kwamen wij niet.
„Eén momentje alstublieft”, onderbrak gouverneur Wallace ons. Hij reikte in zijn bureaula en haalde de door het Genootschap uitgegeven Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift en exemplaren van De Wachttoren en Ontwaakt! te voorschijn.
„Mijn oudtante is een van Jehovah’s Getuigen. Zij is een van de gezalfden.” Hij riep een kolonel naar zijn bureau die belast was met de openbare veiligheid en droeg hem op ervoor te zorgen dat zich bij het Coliseum geen moeilijkheden zouden voordoen. Wij hadden een van de rustigste congressen die ooit gehouden zijn. — Romeinen 13:4.
In meer dan dertig jaar volle-tijddienst hebben wij vele zegeningen ontvangen. Onze twee jongens pionierden terwijl zij op de middelbare school zaten en dienden vervolgens op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn. Toen zij daar weggingen, werkten zij als volle-tijdpredikers. Later kwam een van onze zoons, Jim, bij een ongeluk om het leven. Wij putten troost uit de hoop dat wij hem door middel van de opstanding hier op aarde zullen terugzien. Onze andere zoon, Gary, pioniert nog steeds.
Mijn vrouw Marilyn en ik wonen nu in Panama City Beach (Florida). Wij beiden zijn nog steeds volle-tijdpredikers van het goede nieuws en van tijd tot tijd heb ik het voorrecht als reizend vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap te worden gebruikt. Het is een vreugde voor ons geweest Jehovah’s gezin van aanbidders op aarde tot miljoenen te zien uitgroeien en wij zijn blij dat wij zijn gebruikt om de Koninkrijkswaarheid aan meer dan 200 gezinnen te brengen. Er bestaat beslist geen beter werk dan Jehovah’s werk!
Wat ben ik blij dat iemand ons destijds, in oktober 1951, over Jehovah’s naam vertelde en dat wij er zo’n fijn aandeel aan hebben gehad deze aan anderen bekend te maken. — Zoals verteld door James Kennedy.
„Zoo worden zij ’t gewaar dat Gij, wiens naam JEHOVA is, dat Gij alleen zijt Opperheer der gansche aarde!” — Psalm 83:19 [18], Vertaling van Van der Palm (1825)
[Inzet op blz. 18]
Die avond ontdekten wij iets zeer opzienbarends: God heeft een naam!
[Inzet op blz. 19]
„Ik zie dat de Duivel me hier net voor is!”
[Inzet op blz. 19]
De ervaring heeft mij één ding geleerd: Wees vriendelijk en attent voor mensen. Wees tactvol
[Inzet op blz. 20]
Wat iemand ook naar voren brengt, ik ga erop in. Ik ga er niet aan voorbij, ik gebruik het
[Illustratie op blz. 18]
Ik vind het heerlijk om de Ontwaakt! in mijn predikingswerk aan te bieden