Speedway was mijn leven
IK WAS uitverkoren om een wedstrijd te rijden tegen Ivan Mauger, de wereldkampioen speedway, tijdens criteriumraces in Ipswich, in het Australische Queensland. Die avond waren de tribunes afgeladen. Het hele stadion zinderde van opwinding. Dit was voor veel mensen een belangrijke avond — ik, hun plaatselijke held, zou een wedstrijd rijden tegen de hoogstgeplaatste favoriet van de wereld!
Terwijl Ivan en ik ons met brullende motoren opstelden voor het startlint, zaten de supporters met hooggespannen verwachting op het randje van hun stoel. Daar ging het lint omhoog en weg waren wij! Wij raceten wiel aan wiel, en lieten een regen van sintels op het publiek neerdalen toen wij de bocht indoken. Op slechts enkele centimeters van elkaar joegen wij onze machines tot het uiterste op.
Na twee manches stonden wij gelijk, allebei één gewonnen race. De opwinding bereikte een hoogtepunt tijdens onze derde en laatste race. Toen wij met jankende machines en in het rond vliegende sintels het laatste rechte stuk ingingen, kwam het publiek overeind, terwijl hun gejuich het brullen van de motoren overstemde. De menigte was door het dolle heen toen wij de laatste bocht uitkwamen . . .
Maar hoe had ik dat hoogtepunt bereikt? Van jongs af aan maakte speedway deel uit van mijn leven. Dat laat zich gemakkelijk verklaren, want mijn vader had zich het grootste deel van zijn leven zeer voor de wedstrijdsport geïnteresseerd. Enkele van mijn vroegste herinneringen zijn taferelen van ons hele gezin dat elke week bij speedway-wedstrijden op het Tentoonstellingsterrein in Brisbane, Australië aanwezig was.
Dus reeds als knaap begon ik een liefde voor motorfietsen te ontwikkelen en zo gauw ik kon, ging ik zelf motorrijden. Op mijn vijftiende reed ik op de oude motorfiets van mijn vader op elk terreintje dat niet tot de openbare weg behoorde, omdat ik nog te jong was om een rijbewijs te hebben. Hoe meer ik reed, hoe meer ik van motorfietsen ging houden.
Het mekka van de motorsport bereikt
Zo gauw mijn verplichte schoolopleiding achter de rug was, besloot ik in de voetstappen van mijn vader te treden als monteur. Ik had mijn leertijd er bijna op zitten toen ik samen met een goede vriend mijn geluk ging beproeven in speedway-rijden. Vanaf dat moment begon mijn hele leven om motorfietsen te draaien.
Wat was ik trots toen ik op een dag mijn eerste speedway-motor kon kopen. Nu ging ik met de hulp van mijn vader aan de slag om mijn motor geschikt te maken voor wedstrijden. In 1965 begon ik met mijn carrière in de racerij op het Tentoonstellingsterrein in Brisbane. Natuurlijk moest ik van onderaf beginnen, maar ik kreeg spoedig erkenning, en het duurde niet lang voordat ik het tegen de beste rijders kon opnemen en vele evenementen won.
In het eerste seizoen bracht ik het er goed vanaf, met als hoogtepunt het winnen van de Warana-Festivaltrofee. Tegen het eind van het seizoen werd ik uitgenodigd om in het buitenland te gaan rijden voor Halifax Speedway in Yorkshire, Engeland. Ik nam het aanbod met genoegen aan, want Engeland was het mekka van de speedway-racerij. ’s Werelds beste rijders reden hun wedstrijden in Engeland en op het Europese vasteland.
Succes in de Britse competitie
Samen met een paar andere Australische rijders vertrok ik tegen het einde van 1966 naar Engeland voor het Engelse seizoen van 1967. Op dit punt had ik twee van mijn begerenswaardigste doeleinden bereikt — ik was een professionele speedwayer en ik kwam uit tegen de beste Europese rijders en wereldkampioenen.
Nu dong ik mee in wedstrijden van de Britse competitie en had de gelegenheid om in de Apollo-cup uit te komen tegen een gemengd veld van rijders van wereldklasse. Bij mijn eerste rit in dit evenement werd ik geplaagd door mechanische problemen, wat ertoe leidde dat de motorfiets waarop ik reed, mij in de steek liet. Dus leende ik een motor van een mede-Australiër. In mijn haast, en omdat ik zo snel mogelijk probeerde deze vreemde motor te leren kennen, reed ik pardoes op mijn achterwiel de baan af en midden over het terrein met mijn voorwiel hoog in de lucht! Dit amuseerde het publiek, maar leverde mij geen punten op. Maar zelfs met die geleende machine kwam ik spoedig weer op de baan en behaalde een goed resultaat.
Toen ik weer in Australië was en met andere rijders regelingen trof voor de aanvang van het nieuwe seizoen, ontmoette ik Suzette, een jongedame die in veel opzichten mijn leven zou beïnvloeden. Zij was anders als de soort meisjes die normaal bij motorwerkplaatsen rondhangt — anders in haar spraak en haar manier van kleden. Het duurde niet lang voordat ik erachter kwam waarom — haar ouders waren Jehovah’s Getuigen, hoewel zij zich zelf nog niet bij dat geloof had aangesloten. Dit was mijn eerste contact met iemand die iets van de Getuigen afwist.
Tot nog toe had ik volstrekt geen belangstelling voor religie gehad. Ik was van mening dat alle religies er alleen maar op uit waren zichzelf te verrijken, en gewoonlijk was ik er heel snel bij om „nonsens!” te zeggen tegen iemand die beweerde religieus te zijn. Hoewel mijn ouders goede mensen waren, waren zij niet religieus, en zo kwam het dat ik nooit naar een kerk was gegaan toen ik opgroeide. Toen ik 21 jaar was, wilde mijn moeder mij een bijbel cadeau doen, maar ik wimpelde het af — ik had het te druk met mijn speedway-carrière om over religie na te denken!
Ik ging door met mijn intensieve training, en dat wierp spoedig vruchten af in de vorm van veel grote overwinningen. Ik had een uitstekende positie om mijn carrière verder uit te bouwen. Toen kwam de grote race die aan het begin van dit verhaal werd beschreven. Wie won? De plaatselijke held versloeg de wereldkampioen! Geen wonder dat het publiek door het dolle heen was.
Daarna werd ik uitgekozen om Queensland te vertegenwoordigen in een criterium tegen de British Lions. Zij hadden in de andere wedstrijden die in heel Australië verreden waren, gedomineerd. Ik won elke race waarin ik startte. De Engelsen stonden niet langer bovenaan. Hier voelde ik voor het eerst de kracht van het nationalisme. Vervolgens werd ik uitgekozen om voor Australië te rijden in een komende wedstrijd tussen Engeland en Australië.
Onheil treft mij
Het was omstreeks deze tijd dat ik met Suzette trouwde. Zij was aanwezig voor de grote wedstrijd tegen Engeland. Toen wij bij de baan arriveerden, konden wij de spanning voelen. Het nationalisme vierde hoogtij. Het was de „Aussies” tegen de „Pommies”. Wij maakten er allemaal ernst van en waren uit op winnen. Ik lootte samen met een heel goede vriend tegen twee Engelse rijders.
Kev, mijn maat, kwam als eerste weg, met mij en een Engelse rijder pal achter hem aan. Toen werd mijn maat door de Engelse rijder geblokkeerd. Ik haalde hen in en wilde passeren. Hij zag mij, trachtte mij te stoppen, deed het te snel — en wij botsten. Ik was wel eerder gevallen, maar nog nooit zo ernstig als nu. Dit ongeluk kostte mij bijna mijn leven. Ik werd met spoed naar het ziekenhuis gebracht met een schedelfractuur, gescheurde nieren, en een gescheurde wervelkolom.
Suzette kreeg te horen dat zij in het ziekenhuis moest blijven, aangezien men niet verwachtte dat ik de nacht zou doorkomen. Pas een paar dagen later kwam ik bij. Het is mij tot op deze dag niet duidelijk wat er in die eerste week in het ziekenhuis met mij gebeurde, behalve een ding — ik bad tot God dat hij mij niet zou laten sterven! Ik had nooit eerder over God nagedacht, maar toen, in uiterste nood, deed ik het.
Bestaat het leven alleen maar uit speedway?
Mijn schoonmoeder dacht dat mijn gedwongen huisarrest een goede gelegenheid voor ons zou zijn voor een hernieuwd contact met Jehovah’s Getuigen, dus schreef zij een brief naar de presiderende opziener van de gemeente in onze buurt, waarin zij vroeg of iemand ons kon bezoeken.
Een echtpaar zocht ons op, en ik stemde ermee in de bijbel te bestuderen, op één voorwaarde — dat ik op elk moment dat ik wilde met de studie mocht ophouden. Een voorname reden waarom ik met een studie instemde, was omdat ik mij verveelde. En ook wilde ik bewijzen dat de Getuigen net als alle andere religies waren — uit op geld. Maar na een paar studies begon ik in te zien dat dit wat anders was. Wat de bijbel zei, leek zinnig, en ik zag in dat wat zij zeiden de klank van waarheid had. En zij spraken er nooit over dat zij geld van ons wilden hebben.
Terwijl de maanden voorbijgingen, werd ik geleidelijk aan sterker en begon ik er ongedurig naar te verlangen weer in de racerij terug te keren. Het was mijn lust en mijn leven, en ik wilde zo spoedig mogelijk weer met racen beginnen. Ik had hier twee voorname redenen voor: In de eerste plaats hadden de media en enkele vrienden mij afgeschreven als uitgerangeerd; in de tweede plaats had ik er behoefte aan om mijzelf en anderen te bewijzen dat ik nog altijd even goed kon rijden als voor mijn bijna fatale ongeluk.
Ik herstelde zelfs zo snel dat ik erin slaagde mij klaar te maken voor het seizoen 1969-1970. Tot ieders verbazing maakte ik een succesvolle come-back in de speedway-motorsport.
Ik moest kiezen
Later verhuisden wij naar een ander deel van het land, en een ander jong echtpaar zette de studie met ons voort. Zo werden de racerij en de bijbel de twee belangrijkste terreinen waarvoor ik mij interesseerde, maar met de racerij nog steeds op de eerste plaats. Toen begon ik geleidelijk aan het contrast te zien tussen de Getuigen en mijn metgezellen. Dingen begonnen zich nu duidelijk af te tekenen. Ik had altijd wel geweten van de immoraliteit en de toegeeflijkheid van getrouwde mannen en vrouwen bij de racebaan, maar het had mij nooit zorgen gebaard. Ik vond dat dat hun zaak was, maar ik nam mijn vrouw nooit mee naar hun feestjes of partijtjes.
Toen ik was gaan zien wat Jehovah’s zienswijze over immoraliteit was en welk leed anderen erdoor werd aangedaan, begon ik een hekel te krijgen aan de dingen die er naar ik wist gebeurden, hoewel ik er zelf geen deel aan had. De immoraliteit, de verwensingen, het gevloek en de godslasterlijke taal begonnen op mijn zenuwen te werken. Het gebrek aan respect voor autoriteit en voor anderen begon steeds duidelijker merkbaar te worden naarmate ik meer over bijbelse beginselen te weten kwam.
Omstreeks deze tijd kreeg ik een geweldig aanbod om in Amerika wedstrijden te rijden, terwijl ik ook weer naar Engeland kon. Ik wist dat ik mijn droom zou kunnen verwezenlijken om tot de tien beste rijders van de wereld te gaan behoren. Maar er bleven steeds dingen mis gaan. En ik kon niet meer met de jongens in de pits omgaan als voorheen. Een kwellende gedachte bleef mij door het hoofd spoken: ’Eens zal ik een keuze moeten maken!’
Ik kan mij mijn laatste wedstrijd herinneren omdat de omstandigheden mij dwongen een belangrijke beslissing te nemen. Vanaf het moment dat ik die avond de pits, de werkplaats bij de baan, binnenstapte, liepen de dingen verkeerd. Het gevloek en gescheld maakte mij ongewoon geprikkeld. De officiële starter voor die avond had een schoonzoon die die avond meedeed, en zijn duidelijke partijdigheid maakte alle rijders woest. Toen hij mij aan de start van de race diskwalificeerde, hoewel het duidelijk was dat een andere rijder het startlint had gebroken, was dat de druppel die de emmer deed overlopen.
Ik ging die avond met een grondige walging naar huis, en het drong tot mij door dat ik niet langer kon trachten twee meesters te dienen — speedway en Jehovah. „Ik houd met speedway op”, kondigde ik de ongelovige Suzette aan. En dat deed ik ook, op staande voet! Ondanks heel wat tegenstand van mijn familie, verkocht ik mijn motorfietsen en motorpakken. Enkele van mijn vrienden dachten dat ik een religieuze fanaticus was geworden.
De vreugde één meester te dienen
Nu gingen wij voor het eerst naar een Koninkrijkszaal. Mijn verplichtingen als wedstrijdrijder hadden mij dat altijd verhinderd. Het welkom en de warmte die wij daar op die eerste zondagsvergadering ervoeren, zullen wij nooit vergeten. Het was een verrukkelijk gevoel, en ik realiseerde mij dat ik niet langer een slaaf van de speedway-motorsport was. Ik probeerde niet langer twee meesters te dienen. Ik kon nu de uitnodiging aanvaarden om alle christelijke vergaderingen bij te wonen. En ik popelde om anderen te vertellen wat ik had geleerd, vooral over de wonderbaarlijke hoop die ons in het vooruitzicht wordt gesteld in bijbelverzen zoals Openbaring 21:4: „En [God] zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.”
In 1970 werden mijn vrouw en ik samen in Brisbane gedoopt. Daarna hebben wij een tijdje in Papoea Nieuw-Guinea gediend om het goede nieuws te helpen verkondigen in gebieden waar de behoefte aan verkondigers groot is. Nu zijn wij terug in Australië, en zijn gezegend met drie fijne zoons. Met behulp van Gods Woord, de bijbel, voeden wij hen op, niet tot speedway-fanaten zoals ik ben geweest, maar tot volgelingen van Christus, personen die de waarheid liefhebben, en aanbidders van Jehovah. — Zoals verteld door Les Bentzen.
[Inzet op blz. 15]
In mijn haast reed ik pardoes op mijn achterwiel de baan af!
[Inzet op blz. 16]
In de pits vierde het nationalisme hoogtij