Een zigeuner vindt „De Weg”
IK WERD in 1929 in een tent in Noord-Wales als kind van een zigeunerfamilie geboren. Daarna heb ik jarenlang het leven van een zigeuner geleid, rondreizend door heel Wales en Zuidwest-Engeland. Het was een eenvoudige levenswijze, alleen verstoord door het feit dat wij ongeveer elke twee weken gedwongen werden op te breken en verder te trekken.
Mijn ouders reisden samen met ons, de vier kinderen, in twee door paarden getrokken wagens. Wij kinderen sliepen in een vierwielige wagen waarin onze huishoudelijke spullen vervoerd werden. (Als er een hooiberg of schuur bij de hand was, sliepen wij daar met ons allen.) Een tweewielig karretje bevatte onze kampeeruitrusting en ons gereedschap. Om onze paarden te ontlasten, liepen wij kinderen gewoonlijk.
Indien enigszins mogelijk zochten wij een kampeerplaats in het bos, ver uit het gezicht van huisbewoners. Dit hielp ons hun vijandschap uit de weg te gaan. Voordat wij vertrokken, liet Vader ons altijd alle rommel oprapen en het gras aanvegen. Wij lieten alles netjes achter.
Het zigeunerleven
Hoe voorzagen wij in ons onderhoud? Hop plukken in Wiltshire en Herefordshire was een van onze seizoenbezigheden. Dit was altijd een heerlijke tijd. ’s Avonds kwamen de zigeunergezinnen, hoewel zij afzonderlijk van elkaar kampeerden, rond een kampvuur bij elkaar om muziek te maken, te zingen en verhalen te vertellen. Wij waren arm, maar vrij van de zorgen die met materiële bezittingen gepaard gaan.
In andere jaargetijden maakte Vader matten en manden van biezen (moerasplanten). Wij verzamelden de biezen en ook wel wilgetwijgjes voor het skelet van de manden. Wij kookten ze om de biezen te bleken en de schors van de wilgen te kunnen verwijderen. Met uit planten bereide verfstoffen versierde mijn vader de voltooide produkten met schilderingen van wilde vogels of dieren. Zigeunermannen bemoeien zich echter nooit met de eigenlijke verkoop. Daarom ging de rest van ons langs de huizen om ze te verkopen, en nog tegen behoorlijke prijzen ook!
Vader wees ons ook hoe wij zulke dingen zelf konden maken. Ook leerden wij bloemen maken van papier en hout, paarden temmen en africhten, en wilde kruiden herkennen en als medicijn gebruiken. Hij nam ons mee naar de vuilnisbelt en leerde ons alles mee te nemen wat bruikbaar was, met inbegrip van voedsel. Maar wij wisten ook hoe wij konijnen, egels en allerlei wild voor onze maaltijd moesten vangen. Als die schaars waren, zagen wij er geen been in om een paar kippen of wat groente bij een boer weg te halen. Wij gingen ervan uit dat hij ze best kon missen, terwijl wij tenslotte honger hadden. Wij leerden hoe wij brandnetels, rozenstengels, kamperfoeliebloesem, allerlei wilde kruiden en, als speciale delicatesse, slakken moesten koken. Maar op vele dagen hadden wij helemaal niets te eten.
Vanaf mijn vierde leerde mijn moeder mij bedelen, verkopen en stelen. Eerst zorgde zij ervoor dat ik er armoedig gekleed en op blote voeten bij liep. Dan stuurde zij mij in mijn eentje naar een huis en beval mij aan de deur te gaan staan huilen. Als ik geen zin had om te huilen, sloeg zij mij op mijn benen, zodat ik vanzelf al de tranen in mijn ogen kreeg! Ik zei dan tegen de huisbewoner dat ik niets te eten had. Weinigen waren bestand tegen het zielige gezicht van een haveloos, huilend meisje.
Ik leerde ook nog een ander handwerk dat onder zigeuners algemeen wordt beoefend: toekomst voorspellen. In feite kwam ons „toekomst voorspellen” gewoonlijk neer op weinig meer dan mensen gadeslaan en onderscheiden wat zij wilden horen. Maar zoals ik jaren later hoorde, kan bij dit handwerk ook het bovennatuurlijke in het spel zijn. Voor mij was echter het lezen van kaarten, theebladeren of de lijnen van een handpalm slechts een truc. En ik had alleen succes bij mensen die mee wilden werken.
Angst voor de hel
Zoals de meeste zigeuners was mijn vader zeer religieus. Ik bedoel niet dat hij naar de kerk ging, verre van dat. Hij zei altijd dat de pracht en praal en het ceremonieel van de kerken bewezen dat ze toebehoorden aan „de oude man”, zoals hij de Duivel noemde. Iedere morgen, hetzij bij regen of bij zonneschijn, ging mijn vader in alle vroegte naar buiten, knielde neer en bad hardop tot God. Soms werden wij wakker van zijn gebeden. Ik vroeg waarom hij hardop bad, en hij antwoordde: „God heeft mij een stem gegeven opdat ik die zou gebruiken als ik tot hem spreek.”
Door mijn vader begon ik dus iets te begrijpen van God, Jezus en de schepping. Op een keer kampeerden wij in een kalksteengroeve, in de buurt van een kalksteenoven waarin rotsklompen verhit werden om kalk te produceren. Wij klommen altijd omhoog naar de oven om ons te koesteren in de warmte ervan. Vader vertelde ons dat de hel net zo iets was als die oven, en dag en nacht bleef branden. Daar zou ik heengaan, zo zei hij, als ik een slecht meisje was. Die gedachte joeg mij doodsangst aan!
Mijn ouders hielden ons dus streng onder de duim. Wij mochten geen make-up gebruiken of korte rokken dragen en wij mochten niet roken. Ik kan me een gelegenheid herinneren toen mijn getrouwde broer, destijds 25 jaar oud, bij ons op bezoek kwam. Bij vergissing stak hij in aanwezigheid van mijn vader een sigaret op, die hem prompt met een eind brandhout uit de hand werd geslagen!
Gezinsproblemen
Toen ik een jaar of elf was, begaf het huwelijk van mijn ouders het en gingen zij voor de tweede en laatste maal uit elkaar. Ik bleef bij Vader. Wij reisden samen rond tot ik negentien was, en toen trouwde ik met een jonge soldaat. Hij was geen zigeuner. Vader was verschrikkelijk van streek en weigerde vijftien jaar lang bij mij in de buurt te komen.
Afstand doen van het zigeunerleven was veel moeilijker dan ik mij ooit had voorgesteld. Voor het eerst van mijn leven woonde ik in een huis. Maar ik had er geen idee van wat huishouden was, of zelfs hoe je op een fornuis moest koken.
Toen liep mijn moeder tuberculose op en kwam bij mij om hulp te zoeken. Terwijl ik haar verpleegde, kreeg ik de ziekte zelf. Na vijf jaar in een ziekenhuis had ik nog maar één nier en driekwart long over. Intussen scheidde mijn man van mij en hertrouwde. Uiteindelijk ben ik ook hertrouwd maar na tien moeilijke — en soms gewelddadige — jaren eindigde ook dit huwelijk in een echtscheiding.
„De Weg” gevonden
Het jaar 1959 bracht de grootste verandering tot nu toe in mijn leven. Er kwamen twee dames aan de deur die getuigen van Jehovah waren. Ik luisterde en nam twee van hun bijbelse tijdschriften, zonder te onthullen dat ik niet kon lezen. Een van hen, Marie Nightingale, kwam mij later weer opzoeken. Hoewel ik er verder niets mee te maken wilde hebben, bleef ik telkens haar aanbod om terug te komen, aannemen. Zij kwam tweemaal per week, en liet dan soms tijdschriften achter. Als zij weg was, raakte ik zo gefrustreerd omdat ik niet kon lezen, dat ik de tijdschriften aan flarden scheurde.
Maar wat zij mij vertelde over de christelijke Weg vond ik prachtig, vooral de gedachte dat Jehovah een God van rechtvaardigheid en vrijheid was (Handelingen 9:2). Hij strafte geen mensen in een vurige hel, zoals mijn vader geloofde. De bijbelse hel, zo leerde ik, was gewoon het graf! (Psalm 37:28) Ook hoorde ik over Gods schitterende belofte van een aards paradijs.
Na drie maanden bekende ik daarom dat ik niet kon lezen of schrijven. Maar Marie spoorde mij aan het te leren en bood aan mij ermee te helpen. Dat was een moeizaam karwei, want mijn moedertaal was het Zigeuners, en mijn Engels was pover en dan voor het overgrote deel plat. Toen mijn kinderen naar school gingen, vonden zij het heerlijk te leren lezen en schrijven en ook vonden zij het fijn mij te helpen. Na vier jaar werd ik in december 1963 gedoopt. Ik had „De Weg” gevonden. Marie is mij nog vijf jaar lang tweemaal per week blijven helpen. Haar volharding overweldigde mij. Zij had mij niet veracht als een ongeletterde zigeunerin en mij ook niet in de steek gelaten omdat het zo’n geweldige opgaaf was mij te onderwijzen.
Omdat ik nu popelde om het goede nieuws dat mij zo vertroostte en verheugde, aan anderen te vertellen, ben ik dat predikingswerk in 1972 in volle-tijddienst, als pionierster, gaan verrichten. Ik smaak nog steeds de vreugde van dit zielsbevredigende werk waarin ik anderen kan helpen „De Weg” te leren kennen. En wat een vreugde is het dat mijn eigen dochter, Denise, samen met mij in de volle-tijddienst is gegaan! Mijn zoon, Stephen, heeft ook vijf jaar lang gepionierd, en dat is een voortreffelijke basis geweest om zich nu te kunnen kwijten van zijn verantwoordelijkheden, zowel in de gemeente als in de rol van ouder.
Het doet mij ook goed te kunnen zeggen dat mijn vader en ik ons verzoend hebben. In zijn laatste jaren heeft hij van tijd tot tijd bij mij gelogeerd, is mee geweest naar vergaderingen van Getuigen en heeft daar in het bijzonder genoten van het ontbreken van ceremonieel en van de nadruk die er op de bijbel wordt gelegd. Hij is op de leeftijd van 87 jaar gestorven. In overeenstemming met zijn verzoek en met het zigeunergebruik heeft zijn broer toen mijn vaders hut en al Vaders bezittingen verbrand.
De weg van de zigeuners, met het reizen, de kampvuren en de muziek, is nog slechts een verre herinnering voor mij. Nog dagelijks dank ik voor mijn bevrijding, zowel uit de duisternis van mijn analfabetisme als uit mijn geestelijke onwetendheid. Want met Jehovah’s hulp heb ik een veel betere „Weg” gevonden. — Zoals verteld door Beryl Tuck.
[Illustratie op blz. 18]
Beryl Tuck, links, met haar naaste familie