Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g86 8/5 blz. 10-15
  • „Armero is van de kaart verdwenen!”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Armero is van de kaart verdwenen!”
  • Ontwaakt! 1986
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De Nevado del Ruiz barst uit
  • Geen duidelijke waarschuwing
  • „De vulkaan komt eraan!”
  • „Nu gaan wij echt sterven!”
  • Met modder bedekte mummies
  • ’Vanaf de onwaarschijnlijkste plekken worden armen omhooggestoken’
  • Frustratie en vreugde
  • Tijd en onvoorziene omstandigheden
  • Waarschuwingen negeren en God op de proef stellen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1987
  • Een Chileens drama beweegt tot christelijke liefde
    Ontwaakt! 1992
  • „Zij sloegen er geen acht op”
    Blijf waakzaam!
  • Wat een tragische overstroming niet kon wegvagen
    Ontwaakt! 1984
Meer weergeven
Ontwaakt! 1986
g86 8/5 blz. 10-15

„Armero is van de kaart verdwenen!”

Door Ontwaakt!-correspondent in Colombia

DE MENSEN in Colombia ontwaakten voor het begin van een nieuwe dag. Het was donderdag 14 november 1985. Ik zette de radio aan om het ochtendnieuws te horen. Ik kon mijn oren nauwelijks geloven toen de stem van de nieuwslezer uitriep: „Armero is van de kaart verdwenen! . . . Een deel van Chinchiná is weggevaagd door een modderverschuiving!”

Ik luisterde in volkomen ongeloof terwijl het nieuwsbericht voortging. Armero, een stad van zo’n 28.000 inwoners in een katoen- en rijstgebied, 90 kilometer noordwestelijk van Bogotá, was letterlijk van de kaart geveegd door een lawine van modder, ijs en lava. Het aantal doden en vermisten werd geschat op meer dan 21.000. Chinchiná, een belangrijk centrum voor de koffieteelt aan de andere kant van de bergen, had in mindere mate te lijden gehad, en telde ongeveer 2000 doden. Maar wat had deze totale verwoesting veroorzaakt?

De Nevado del Ruiz barst uit

De avond tevoren, rond negen uur, explodeerde de noordoostelijke flank van de 5400 meter hoge, met sneeuw bedekte vulkaankegel van de Nevado del Ruiz, waarbij enorme hoeveelheden zwavelhoudende vulkanische as werden uitgebraakt. Bovendien deed de enorme hitte van de krater een groot deel van de sneeuwkap smelten. Als gevolg hiervan werden de gewoonlijk kristalheldere, kalm vloeiende smeltstroompjes getransformeerd in dood aanbrengende stromen van modder en smeltend ijs. Een groot deel van deze voortglijdende massa schoof de Lagunilla rivier in, stroomafwaarts rollend en kolkend, bomen en keien meesleurend en steeds meer snelheid krijgend tijdens zijn 52 kilometer lange afdaling naar Armero.

Iets meer dan een uur later barstte een muur van modder van op zijn minst 12 meter hoog (één rapport stelde het op meer dan 27 meter) uit de nauwe canyon te voorschijn en verbreidde zich over de valleivlakte als een dodelijke bezem die in één keer alles schoonveegde. Armero, dat zich precies in die baan bevond, werd weggevaagd. Slechts een paar hoger gelegen huizen bleven overeind.

Geen duidelijke waarschuwing

Ik sprak met enkele overlevenden die berichtten dat het woensdagmiddag heel sterk naar zwavel had geroken. Om ongeveer vier uur begon er een stille asregen op de stad neer te vallen. Maar dit veroorzaakte weinig onrust, aangezien de vulkaan al bijna een jaar lang op deze manier actief was geweest.

Jorge Castilla, afkomstig uit Bogotá maar op de betreffende woensdagmiddag op bezoek in Armero, vertelde mij dat iemand via de luidsprekerinstallatie van de kerk de mensen had verzocht hun kalmte te bewaren, binnenshuis te blijven en hun mond en neus met vochtige zakdoeken te bedekken. Volgens kerkelijke bronnen was dit iemand van het Comité voor Burgerbescherming geweest. Ook degenen die de vroege avondmis bijwoonden, werd de verzekering gegeven dat er geen reden voor paniek was.

Tegen half acht begon het te stortregenen, wat plotseling ophield en gevolgd werd door een vreemde neerslag — fijn, warm zand dat spoedig de daken en straten bedekte. Dit was iets nieuws. Steeds meer mensen werden ongerust. Enkelen sloten hun huizen af en vluchtten naar hogere gronden. De meerderheid bleef.

Enige tijd later kwamen er van de hoger gelegen berghellingen radiotelefonische meldingen naar Armero over een enorme explosie aan een flank van de vulkaan, waarbij men erop aandrong dat de stad Armero moest worden geëvacueerd. Om 10.13 uur ’s avonds onderbrak de burgemeester van Armero, Ramón Antonio Rodríguez, plotseling een radiogesprek met een vertegenwoordiger van het Rode Kruis en riep uit: „Het water is er!” De lawine had over een afstand van 52 kilometer een uur en een kwartier gedaan!

„De vulkaan komt eraan!”

Overlevenden vertelden mij vrijwel hetzelfde verhaal. Sommigen werden wakker door de hevige zandregen op het dak. Anderen hoorden het lawaai en het geschreeuw op straat. Koortsachtig riepen zij hun kinderen en familieleden uit bed. Plotseling ging het licht uit. De mensen sloegen en schopten tegen deuren terwijl zij schreeuwden: „De Lagunilla komt eraan! Vlucht! Vlucht!” „Het water is over ons!” „De vulkaan komt eraan!”

Duizenden haastten zich hun huis uit. Auto’s, motorfietsen en vrachtwagens reden met waanzinnige snelheid door de straten, al toeterend, zich niet storend aan mensen die zich op hun weg bevonden. Velen werden overreden voordat de muur van modder toesloeg. Er heerste volslagen paniek.

In het griezelige duister maakte de naderende lawine een angstaanjagend lawaai. Volgens de bezoeker uit Bogotá, Jorge Castilla, klonk het als twee laag overvliegende jumbo-jets. De ziedende massa klom over de rivieroevers, rees hoger dan de huizen, en stroomde recht door het centrum van de stad. Huizen, kerken, winkels en andere gebouwen werden overspoeld en snel meegesleurd. Kinderen werden uit de armen van hun ouders gerukt en begraven in de modder of hulpeloos meegesleurd, hun dood tegemoet.

„Nu gaan wij echt sterven!”

Obdulia Arce Murillo, een moeder van negen kinderen en verbonden met Jehovah’s Getuigen in Armero, werd compleet verrast door de lawine — maar zij bleef in leven en kon het navertellen. Zij verhaalt: „Ik vluchtte met mijn kinderen de straat op en probeerde op een tankwagen te klimmen. Toen kwam het water. Ik wierp mijzelf tegen de grond. Het water kwam verschrikkelijk hoog opzetten . . . en het bulderde en bulderde. Ik gilde: ’Jehovah! Jehovah! Nu gaan wij echt sterven! Dit is het einde!’ Toen werden er een heleboel elektriciteits- en telegraafpalen door het water voorbijgesleurd. Een daarvan trof mijn rechterzij en op dat moment gleed mijn dochtertje uit mijn armen.

Ik raakte verstrikt aan een telegraafpaal en enkele elektriciteitsdraden. Toen schreeuwde een van mijn dochters, die op enkele zakken koffie was geklommen: ’Duiken!’ Toen ik neerdook, had ik het gevoel alsof er een trein over mij heen denderde. Het was de modder. Ik kon niets meer zien omdat ik onder de modder bedolven was. Ik was er helemaal door begraven.

Ik voelde hoe de zuiging van de modder mij meetrok. Ik probeerde te schreeuwen, maar de modder drong mijn mond binnen. Ik stikte haast . . . Ik zwom en worstelde totdat ik ten slotte met mijn gezicht boven het slijk uitkwam. Met mijn hand trok ik de modder met zo’n kracht uit mijn mond dat ik dacht dat ik mijn gezicht had opengehaald. Ik was er zeker van dat ik zou verdrinken, maar uiteindelijk kon ik ademhalen en schreeuwen. Hoe opgelucht was ik dat ik met mijn gezicht boven de modder uit had kunnen komen!” Maar het zou nog vele uren duren voordat zij ten slotte werd gered.

Een andere Getuige, Elena de Valdez, en haar gezin slaagden erin achter de stad hogere grond te bereiken. Zij bericht: „Wij hadden juist de voet van de heuvel bereikt toen wij het schreeuwen en gillen hoorden van de mensen die zich achter ons bevonden en werden overspoeld door de stortvloed. Kort daarna begonnen anderen te arriveren, volkomen bedekt door modder. Wij konden het angstaanjagende geluid horen dat dat ’ding’ maakte. Het klonk verschrikkelijk! En de kreten van de mensen: ’Help! Help! Red ons! Laat ons hier niet sterven!’”

Ten slotte was het allemaal voorbij. Er waren nog slechts een griezelige stilte en een inktzwarte duisternis. Jorge Castilla, veilig op een boerderij aan de rand van Armero, zei dat hij „die nacht een atmosfeer van de dood” kon voelen. Hij voegde eraan toe: „Overlevenden — oude mensen, jonge mensen — velen van hen gewond, kwamen uit de modder te voorschijn. Zij leken op levende doden, alsof zij aan het slaapwandelen waren. Zij staarden je met een lege blik aan. Het enige waar zij om vroegen was water. Het was verschrikkelijk!”

Intussen was daar in de diepte Obdulia Arce nog steeds aan het worstelen om haar hoofd boven de modder te houden. Zij en duizenden andere overlevenden zullen zich die nacht altijd blijven herinneren als de langste nacht van hun leven.

Met modder bedekte mummies

Bij het aanbreken van de morgen inspecteerde een eenzaam sproeivliegtuigje de weelderig begroeide landbouwvelden van het dal beneden. De piloot kon zijn ogen nauwelijks geloven. Aan de kant van de bergen waar het welvarende Armero zou moeten zijn, lag slechts een immense vlakte van grijze modder, met honderden lichamen, van zowel mensen als dieren, drijvend op de oppervlakte. Hij berichtte: „De stad is gewoon een enorm strand, met slechts een paar overeind staande huizen. Je kunt mensen in de boomtoppen, op muren en op heuvels zien zitten.”

Aan de rand van het rampgebied zagen toestromende redders overlevenden die eruitzagen als mummies en overdekt waren met grijze, plakkende modder, verdwaasd ronddwalen, op zoek naar hun geliefden. Kinderen en oude mensen huilden in wanhoop, ontroostbare moeders waren schreeuwend op zoek naar hun kinderen. Anderen die net uit de modder te voorschijn kwamen, stonden als standbeelden, slechts gekleed in hun ondergoed. Sommigen was het nachtgoed in de razernij van de lawine volkomen van het lijf gerukt. Er waren echter anderen die minder fortuinlijk waren.

In de moddervlakte waren mensen te zien die nog leefden, tot hun nek begraven en schreeuwend om hulp, niet in staat zich te bewegen. Degenen die zich aan de rand van het moeras bevonden, probeerden wanhopig degenen te bereiken die zich dichtbij bevonden. Gebruik makend van planken slaagden zij erin enkelen te redden. Sommigen waagden zich verder de modder in, maar moesten dan terug omdat zij voelden dat zij naar beneden gezogen werden. Eén redder trachtte met een tractor de modder in te rijden. Voor hij drie meter gereden had, werd de tractor naar beneden gezogen!

Obdulia Arce was blij met de warmte van de modder, want de nacht was koud. Gedurende de nacht viel zij telkens even in slaap, waarop zij snakkend naar adem wakker werd als haar gezicht in de modder viel. De morgen kwam, maar niemand zag haar.

’Vanaf de onwaarschijnlijkste plekken worden armen omhooggestoken’

Het hele land reageerde spontaan en van ganser harte. Organisaties en individuele personen kwamen in actie om te helpen. Het leger, burgerbeschermingseenheden, de politie en hulpverleners van het Rode Kruis werden haastig naar het gebied overgebracht. Duizenden vrijwilligers — artsen, chirurgen, paramedics, ingenieurs en andere geschoolde krachten — boden hun diensten aan. Jehovah’s Getuigen zonden uit Bogotá drie voertuigen met hulp en proviand.

Uit andere landen werden per vliegtuig reddingsploegen aangevoerd. Al gauw waren zo’n dertig helikopters, vanuit eigen land en uit het buitenland, het gebied aan het uitkammen op zoek naar overlevenden. Het reddingswerk moest bijna volkomen vanuit de lucht worden verricht, aangezien bijna elke poging om over de dikke modder te manoeuvreren op een mislukking uitliep.

Alleen al de omvang van de verwoesting vertraagde de taak van het zoeken naar de weinige overlevenden en het opgraven van de vele doden. Nadat er honderden overlevenden waren geborgen, berichtten reddingswerkers dat er nog steeds velen daarbuiten op redding wachtten. Zoals een redder zei: „Je denkt dat er niemand meer beneden is, maar als de helikopter nadert, zie je vanaf de onwaarschijnlijkste plekken met omhooggestoken armen een overlevende smeken om opgehaald te worden.”

Onder degenen die naar de helikopters wuifden als deze overvlogen, was Obdulia, haar hoofd bedekt met een korst van gedroogde modder. Zij kon slechts zwakjes vanuit haar pols zwaaien, en de hele dag trachtte zij hun aandacht te trekken. Niemand merkte haar op. Zij wanhoopte of zij ooit gezien zou worden. Zij bad voortdurend. Zij begon aan een nieuwe eindeloze nacht vol doodsangst, gekluisterd in de modder en hevige pijn lijdend vanwege haar gewonde zij.

Toen op vrijdagmorgen de zon opging, vond zij op een of andere manier de kracht om aanhoudend te schreeuwen, totdat reddingsploegen die het gebied uitkamden, haar uiteindelijk beneden in het oog kregen. Om elf uur schreeuwde zij het uit wegens de felle pijn toen zij werd losgetrokken en in een helikopter werd gehesen. Snel werd zij naar een eerstehulppost en vervolgens naar een ziekenhuis vervoerd. Zij had 35 uur in de modder vastgezeten.

Wat was er met haar kinderen gebeurd? Later vernam zij dat twee kinderen waren omgekomen, maar dat de anderen waren meegesleurd naar de rand van het moeras waar zij uiteindelijk waren gered.

Frustratie en vreugde

Onder de hete tropische zon begon de modder hard te worden, en het vergde steeds meer tijd om mensen eruit los te werken. Nog steeds zag men meelijwekkende taferelen — hoofden die boven de oppervlakte uitstaken, mensen die men hoorde schreeuwen om hulp of van wie men slechts de lippen zag bewegen als een teken dat er nog een zwakke levensgloed aanwezig was. Sommigen zaten bekneld onder puin, diep in het dikke slijk. Men moest hen daar laten sterven.

Een zo’n hartverscheurend geval was dat van Omayra Sánchez, een twaalfjarig schoolmeisje dat de bewondering afdwong van zowel reddingswerkers als verslaggevers door haar dapperheid en optimistische gesprekken. Zij zat bekneld tussen het dode lichaam van haar tante en een betonplaat. Redders worstelden zo’n zestig uur in een poging haar los te krijgen. Ten slotte stierf zij aan hartstilstand, drie dagen na de lawine en nog steeds tot haar nek in de modder en het water. De groep redders en verslaggevers — in feite de hele natie — huilde.

Gelukkiger was de afloop toen zestig uur na de tragedie het bewegingloze, naakte lichaampje van de vierjarige Guillermo Páez werd waargenomen, nauwelijks zichtbaar in de verlaten grijze uitgestrektheid. Hij was niet dood, alleen maar in slaap! Het geluid van de dalende helikopter maakte hem wakker, en hij ging onvast overeind zitten. De helikopter daalde tot binnen bereik en hij werd aan boord gehesen. Dat was een gebeurtenis die het hart van de onzelfzuchtige redders blij maakte.

Tijd en onvoorziene omstandigheden

Naar schatting 21.000 mensen verloren in de tragedie in Armero het leven, en ook nog zo’n 2000 in Chinchiná. Ongeveer 5400 personen werden in Armero gered, van wie er zo’n 2000 werden behandeld in ziekenhuizen in het gehele land. Van velen waren armen en benen in de razernij van de overstroming erg gehavend geraakt en moesten worden geamputeerd wegens het begin van gangreen. Eén van dezen was Epifania Campos, een van Jehovah’s Getuigen en bankemployée in Armero. Droevig genoeg stierf zij aan de gevolgen van gangreen.

Van de 59 personen, verbonden aan de gemeente Armero van Jehovah’s Getuigen, zijn 40 die in stadsgedeelten woonden waar het geweld het hevigst was geweest, spoorloos verdwenen. Drie personen die met de gemeente Chinchiná waren verbonden, verloren het leven, en zo’n 30 anderen raakten hun huis en bezittingen kwijt.

Zes weken na de tragedie bezocht ik opnieuw het rampgebied samen met Gervasio Macea, die acht jaar in Armero gewoond had. Hij kon niet met nauwkeurigheid zeggen waar de Koninkrijkszaal had gestaan — zo volledig was de verwoesting. Waar eens een stad stond, is nu een uitgestrekt, met keien bezaaid grijs strand in de vorm van een enorme waaier.

Het is duidelijk dat Jehovah’s Getuigen net zozeer blootstaan aan ongelukken en grillen van de natuur als ieder ander. In zulke tijden begrijpen wij hoe het beginsel van Prediker 9:11, 12 op allen, zonder onderscheid, van toepassing is: „Ik wendde mij om te zien onder de zon dat niet de snellen de wedloop hebben, noch de sterken de strijd, . . . noch zelfs zij die kennis bezitten de gunst hebben; want tijd en onvoorziene gebeurtenissen treffen hen allen. Want de mens weet ook zijn tijd niet. . . . Zo worden ook de mensenzonen verstrikt op een rampspoedige tijd, wanneer die hen plotseling overvalt.”

Niettemin zal er, zoals de bijbel duidelijk leert, een opstanding zijn „van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen”. Christus Jezus zei: „Ik ben de opstanding en het leven. Wie geloof oefent in mij, zal, ook al sterft hij, tot leven komen.” De bijbel geeft te kennen dat de tijd nabij is voor Gods Koninkrijksregering en voor het herstel van paradijselijke omstandigheden op aarde. Dan zullen de doden terugkeren en de gelegenheid krijgen werkelijk leven, eeuwig leven te verwerven. — Handelingen 24:15; Johannes 5:28, 29; 11:25; 17:3.

[Diagram/Illustratie op blz. 11]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

NEVADO DEL RUIZ

ARMERO

[Illustraties op blz. 12]

De kracht van de lawine verwoestte het psychiatrisch ziekenhuis en boog deze steunbalken om de puinresten heen

[Illustraties op blz. 13]

Een diploma in de modder op deze straat — tragisch bewijsstuk van een uiteengerukt gezin

[Illustraties op blz. 14]

Deze boom werd tot 7 meter hoogte in de modder begraven, met 2,5 centimeter dikke ijzeren staven om de stam gekruld. Armero’s handelscentrum op de achtergrond ligt totaal verlaten

Obdulia Arce Murillo overleefde 35 uur in de modder

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen