Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g85 8/12 blz. 4-9
  • „Aan wiens kant staat God?”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Aan wiens kant staat God?”
  • Ontwaakt! 1985
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Wij zijn aan de beurt
  • Gewetenswroeging
  • „Aan wiens kant staat God?”
  • Een onderbroken middagmaal
  • Aan wiens kant God staat
  • Een andere dienst op grote hoogte
  • Het grondwerk dat ze vliegende houdt
    Ontwaakt! 1999
  • Van dodelijke missie tot vreedzaam streven
    Ontwaakt! 2002
  • Deel 5: 1943-1945 De Tweede Wereldoorlog — Zijn heftige en vurige einde
    Ontwaakt! 1987
  • Ik leefde om te vliegen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
Meer weergeven
Ontwaakt! 1985
g85 8/12 blz. 4-9

„Aan wiens kant staat God?”

DUIZEND bommenwerpers stegen in de avond van 30 mei 1942 uit Engeland op voor de tot op dat moment grootste luchtaanval van de oorlog. Ik was formatie-waarnemingsofficier van een squadron viermotorige Lancaster-bommenwerpers. Elk vliegtuig vervoerde een bom van 3600 kilo met voldoende explosieve kracht om een grote fabriek of verscheidene huizenblokken te verwoesten.

Klimmend tot een hoogte van 20.000 voeta gingen wij op weg naar de Duitse stad Keulen. De bemanningsleden waren druk bezig met het controleren van de motoren, de brandstof, de radio, de navigatiemiddelen, enzovoort. De drie boordschutters vroegen toestemming aan de gezagvoerder om hun mitrailleurs te controleren en af te vuren. Alles was nu gereed om het vijandelijk luchtruim binnen te dringen.

Bij het passeren van de Nederlandse kust stond ik op om mijn positie in te nemen in de uitkijkpost in het dak van het vliegtuig. Vandaar kon ik in alle richtingen zien. Daar bleef ik scherp uitkijken naar vijandelijke nachtjagers om ze eventueel te kunnen ontwijken en instructies te kunnen geven aan de boordschutters. In de verte zag ik de hemel rood oplichten omdat het grootste deel van de bommenwerpervloot Keulen reeds in lichterlaaie had gezet.

Wij zijn aan de beurt

Nu waren wij gereed om op ons doel aan te vliegen. Duitse jachtvliegtuigen cirkelden boven het doelgebied, gereed om ons aan te vallen. Wij waren de laatste groep van de duizend bommenwerpers die Keulen die nacht bombardeerden, en de stad stond van het ene tot het andere eind in brand. Wij moesten naar 10.000 voet dalen, op zoek naar een gebied dat nog niet brandde en waarop wij onze bom konden werpen.

Volgens onze instructies was het hoofdpostkantoor ons doelwit. „Er zijn munitiefabrieken aan de overkant van de straat”, zo was ons gezegd. Velen onder ons waren echter van mening dat wij de burgerbevolking bombardeerden, daar wij wisten dat in de meeste steden om het hoofdpostkantoor heen geen fabrieken staan.

De spanning nam toe toen de piloot de bommenluiken opende. Het lawaai in het vliegtuig werd nog erger. Op dit moment waren wij het kwetsbaarst. Onze bom, die bijna net zo lang scheen te zijn als ons viermotorig vliegtuig zelf, lag nu open en bloot. Kleurige lichtspoorkogels beschreven een boog door de lucht. Als iets die bom raakte, was het met ons gedaan!

De bommenrichter dirigeerde nu het vliegtuig. Terwijl hij zijn vizier op het doelgebied richtte, gaf hij de piloot instructies: „Links, links; rechts, rechts, recht zo die gaat; iets links — houen zo — recht zo die gaat — boven doelwit. Bom los!” Het hele vliegtuig trilde toen de drie en een halve ton wegende bom met een luid „woesj” naar beneden viel. Eén eindeloze minuut wachtten wij op de flits die het gebied verlichtte dat wij hadden gebombardeerd. Toen de aangerichte schade was gefotografeerd, zetten wij koers naar huis.

Gewetenswroeging

Toen wij scherp overhelden en rechtsomkeert maakten, kon ik onder mij het brandende Keulen in zijn geheel overzien. Ik dacht aan de mannen, vrouwen en kinderen die hun leven hadden verloren. ’Waarom neem ik deel aan het afslachten van duizenden onschuldige burgers van deze enorme stad?’ vroeg ik mijzelf af. Ik trachtte me te troosten met de gedachte dat dit een strijd was tegen het boosaardige regime van Adolf Hitler.

Tijdens onze terugreis kon ik het niet helpen te denken aan het spookbeeld dat mij tijdens mijn zestig bombardementsmissies herhaaldelijk achtervolgde. In het begin van de oorlog had een Duits vliegtuig een serie bommen laten vallen op een schuilkelder in de buurt van Lincoln, Engeland. Ik had meegeholpen de verminkte lichamen naar buiten te brengen van de vrouwen die er een toevlucht hadden gezocht. Maanden later kreeg ik er nog nachtmerries van. Nu vroeg ik mijzelf af: ’Hoeveel keren hadden zulke gruwelijke taferelen zich vannacht herhaald nadat duizend bommenwerpers dat dichtbevolkte Keulen platgebombardeerd hadden? En wat vindt God van zulke vreselijke daden?’

Ik dacht hier vaak over na omdat ik thuis, in Inverness in Schotland, religieus was opgevoed. Mijn familie was van oudsher lid geweest van de Schotse Kerk. Ik was onderwijzer op een zondagsschool geweest en voorzitter van de kerkelijke jongerenvereniging. ’s Zaterdagsavonds stond een groepje van ons gewoonlijk op een straathoek bij het gemeentehuis van Inverness om in het openbaar getuigenis van ons geloof af te leggen. Op zulke momenten was ik vervuld met religieuze ijver en met een verlangen een bedienaar te zijn.

„Aan wiens kant staat God?”

Ik sprak gedurende deze zes oorlogsjaren (1939-1945) vaak met de krijgsmachtpredikanten en vroeg hun: „Aan wiens kant staat God in deze oorlog?” Onveranderlijk antwoordden zij: „Aan onze zijde natuurlijk! Wij vechten tegen een boosaardige tirannie die uit is op de wereldheerschappij, en alleen onze christelijke strijdkrachten kunnen haar vernietigen!” Maar dit bevredigde mij niet.

Op een dag zat ik met de katholieke aalmoezenier van het squadron in de officiersmess, en ik zei tegen hem: „Weet u, padre, een van de bemanningsleden in ons vliegtuig is katholiek, en u geeft hem uw zegen voordat wij opstijgen voor bombardementsvluchten boven Duitsland. Welnu, hetzelfde katholieke geloof in Duitsland zegent een katholiek bemanningslid van een Duits vliegtuig dat hierheen komt om onze steden te vernietigen. Daarom vraag ik u, ’Aan wiens kant staat God?’”

„Nou, dat is geen gemakkelijke vraag”, antwoordde hij. „Ik weet alleen dat als wij Hitler zouden toestaan de wereld te regeren, er geen plaats zou zijn voor jou en mij, of voor welke andere christen maar ook.” Het is onnodig te zeggen dat dit evenmin een antwoord was op mijn vraag, want ik bleef mij afvragen: ’Waarom houden de Duitse katholieken en hun kerk er dan niet mee op Hitler te ondersteunen?’ Pas na de oorlog kreeg ik antwoord op mijn vragen.

Op 18 mei 1945 stond ik voor koning George VI in Buckingham Palace (Londen) en ontving het Distinguished Flying Cross voor het volbrengen van zestig missies boven enkele van de zwaarst verdedigde industriële doelen en steden in Europa. Een medaille voor het verwoesten van steden en levens! Van de dertien man van ons squadron die van een tweede reeks missies waren teruggekeerd, was ik de enige die er zonder kleerscheuren door was gekomen.

Later dat jaar kreeg ik eervol ontslag bij de luchtmacht en ging ik in Doncaster in Engeland wonen met mijn vrouw Barbara en mijn zoontje. Gedurende deze periode werd ik heel erg depressief; mijn zenuwen waren kapot en ik voelde mij verschrikkelijk vanwege mijn aandeel aan al dat doden van mensen in onze bombardementsvluchten boven Duitsland en Italië. Ik vroeg mijzelf herhaaldelijk af, ’Zal God me vergeven?’ Vaak bad ik om vergiffenis.

Een onderbroken middagmaal

Toen ik op een dag aan het middageten zat, ging de deurbel en mijn vrouw stond op om open te doen. Zij bleef een tijdje aan de deur staan, en ik werd ongeduldig omdat ik op mijn tweede gang moest wachten. Ik stond dus nogal boos van tafel op en onderbrak ruw het gesprek dat zij met een man had door te zeggen, „Wat is dit voor gedoe?”

„Uw vrouw is geïnteresseerd in dit boek God zij waarachtig”, antwoordde de man vriendelijk. „Ik ben een getuige van Jehovah en wij bezoeken de mensen in deze buurt.”

„Nee dank u!” reageerde ik onmiddellijk. Alleen al het horen van de naam Jehovah’s Getuigen maakte mij kwaad. „Wij zijn niet geïnteresseerd in die mensen die niet aan onze oorlog hebben deelgenomen maar er geen bezwaar tegen hadden het voedsel te eten dat met groot gevaar door onze zeelui werd aangevoerd!”

„Wel, meneer,” antwoordde de man aan de deur heel vriendelijk, „één ding dat ik daar graag op zou willen zeggen, is dat Jehovah’s Getuigen, waar zij ook woonden, tijdens de oorlog neutraal waren en er geen aandeel aan hadden. Maar zoals u zult weten, doodde in diezelfde oorlog protestant protestant en katholiek katholiek zonder enige gewetenswroeging. Maar Jehovah’s Getuigen doodden noch elkaar noch iemand anders.”

Aan wiens kant God staat

Zijn antwoord deed mij terugdenken aan de vraag die ik tijdens de oorlog had gesteld, „Aan wiens kant staat God?” Dus stelde ik de vraag aan hem.

„Wel, dat is niet zo moeilijk”, antwoordde hij. Hij liet mij Johannes 13:34, 35 zien en las het voor: „Ik geef u een nieuw gebod, dat gij elkaar liefhebt; net zoals ik u heb liefgehad, dat ook gij elkaar liefhebt. Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt.”

„Het is duidelijk”, voegde hij eraan toe, „dat als wij elkaar werkelijk liefhebben, wij elkaar zeker niet zullen doden, ongeacht wat politici daar tegenin mogen brengen. Jehovah’s Getuigen brengen dat gebod van Jezus in praktijk, hoewel er in Duitsland velen wegens hun neutraliteit in de concentratiekampen zijn gestorven, en vele anderen, zoals ik, er in dit land voor in de gevangenis hebben gezeten. Wij geloven dat God aan de kant staat van mensen die elkaar werkelijk liefhebben.”

Wat hij zei, klonk overtuigend, en wij namen het boek. Mijn vrouw en ik zaten in bed tot in de vroege morgenuren erin te lezen en de schriftuurplaatsen op te slaan. Wij kwamen te weten hoe oorlogen, zoals de wereldoorlog waarin ik had gevochten, deel uitmaakten van een „teken” dat bewees dat Gods koninkrijk op korte termijn een eind zal maken aan alle tirannie en de aarde zal veranderen in een plaats waar christenen in vrede kunnen leven. — Matthéüs 24:3-14.

Na ongeveer een week schreven wij naar de man die ons met het boek ook zijn adres had achtergelaten, en wij vroegen hem ons te bezoeken. Wij hadden hem een heleboel vragen te stellen. Enkele dagen later keerde hij terug, en wij begonnen de bijbel met hem te bestuderen. Na de tweede studie begonnen wij de vergaderingen bij te wonen in de plaatselijke Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen, en ten slotte werden mijn vrouw en ik in 1948 gedoopt.

Een andere dienst op grote hoogte

Door de jaren heen hadden mijn vrouw en ik het verlangen behouden als volle-tijdbedienaren te dienen, en toen onze zoon als zendeling naar Zuid-Amerika ging, werd dit verlangen alleen maar sterker. Maar het was geen eenvoudige beslissing omdat wij tegen die tijd heel gerieflijk leefden; wij hadden een fijn huis en ik had een goedbetaalde baan. Wij waren niet bepaald jong meer en wij hadden beiden zo onze gezondheidsproblemen. Toch wist ik dat wij echt veel meer zouden kunnen doen.

Na lange gebedsvolle overdenkingen werd de knoop doorgehakt. Het huis werd verkocht en tranen werden geplengd, want wij hadden meer dan twintig jaar in dat huis gewoond. En zo vlogen wij in juni 1973 boven de dorre hoogvlakte van Bolivia, op weg naar het vliegveld van La Paz.

Mijn zoon en zijn vrouw stonden ons op te wachten. Enkele minuten na het verlaten van het vliegveld stopten wij en voor ons lag een adembenemend mooi schouwspel, een van de spectaculairste die ik ooit heb gezien. De hoofdstad, La Paz, ligt in een diep, komvormig dal, enigszins lijkend op een maankrater, 305 meter onder het niveau van de hoogvlakte. Het was vroeg in de avond en wij konden de lichtjes van de hele stad onder ons zien twinkelen. Daarachter weerkaatste de besneeuwde top van de berg Illimani de laatste stralen van de avondzon.

In mijn tijd bij de Royal Air Force had ik geleerd altijd zuurstof te gebruiken wanneer wij hoger dan 3000 meter vlogen. Hier zouden wij gaan wonen op een hoogte van bijna 3700 meter — zonder zuurstofmaskers! Wat een worsteling was het om naar zuurstof happend in de ijle lucht, de steile heuvels van La Paz op te klimmen wanneer wij van huis tot huis bezoeken aflegden! Maar hoe aangenaam om bijna voortdurend zonneschijn te hebben en altijd te kunnen uitzien op de hoog oprijzende besneeuwde toppen van de Andes!

Het aangenaamste was echter de grote belangstelling die de mensen voor het goede nieuws van Gods koninkrijk toonden. In het begin had ik de boodschap die ik wilde overbrengen op een kaartje geschreven, als een geheugensteuntje voor wat ik in het Spaans moest zeggen. Natuurlijk leverde de taal van tijd tot tijd moeilijkheden op. Maar na twaalf jaar daar was ik in staat openbare lezingen in het Spaans te houden en als ouderling te dienen in een van de gemeenten. Door de jaren heen hebben wij enkele verrukkelijke ervaringen gehad doordat wij hebben gestudeerd met twintig personen die zich hebben laten dopen. Maar vanwege een slechte gezondheid moesten mijn vrouw en ik terugkeren naar Engeland, waar wij ermee doorgaan anderen over Gods koninkrijk te vertellen.

Terugdenkend aan die verschrikkelijke nacht toen wij Keulen bombardeerden, voel ik mij nog steeds ellendig als ik denk aan de verwoesting en het lijden dat ik heb veroorzaakt. ’Worden degenen die in oorlogen strijden werkelijk door God gezegend?’ had ik mij zo vaak afgevraagd. Wat was ik dankbaar te vernemen dat God aan geen van beide zijden staat wanneer de natiën ten strijde trekken. Maar zoals die Getuige mij verklaarde, ’staat God aan de kant van mensen die elkaar werkelijk liefhebben’ (Johannes 13:34, 35). — Zoals verteld door David Walker.

[Voetnoten]

a Een voet staat gelijk aan 0,30 meter.

[Inzet op blz. 5]

Het hele vliegtuig trilde toen de drie en een halve ton wegende bom met een luid „woesj” naar beneden viel

[Inzet op blz. 6]

’Waarom neem ik deel aan het afslachten van duizenden onschuldige burgers van deze enorme stad?’ vroeg ik mijzelf af

[Illustratie op blz. 5]

Duizend bommenwerpers op weg naar Keulen

[Verantwoording]

RAF Museums, Londen

[Illustratie op blz. 6]

Keulen, een van de doelen tijdens mijn 60 bombardementsmissies

[Verantwoording]

U.S. Army photo

[Illustratie op blz. 7]

Walker met zijn vrouw Barbara en zoontje gedurende de Tweede Wereldoorlog

[Verantwoording]

„Topical” Press Agency, LTD., Londen

[Illustratie op blz. 8]

David Walker en zijn vrouw spreken met een Boliviaanse over Gods koninkrijk

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen