Blind maar toch een druk leven leidend
IK WAS een jongetje van tien, opgroeiend hier in Ecuador, toen het gebeurde. Een door een ongeluk veroorzaakte explosie kostte mij mijn rechterhand en mijn rechteroog. Ook aan mijn linkeroog had ik letsel, maar door een operatie kon het gezichtsvermogen van dat oog nog voor ongeveer 50 procent behouden worden.
Toen begon ik langzamerhand het licht in mijn goede oog te verliezen. Toen ik het liet onderzoeken, kreeg ik te horen dat ik binnen een paar maanden volkomen blind zou zijn. Ik was verpletterd. Woorden schieten te kort om te vertellen hoe terneergeslagen ik was.
In deze periode stierf mijn vader, mijn moeder met twee jongens achterlatend: mijn broer Eddie, die twee jaar ouder is, en ik. De liefde van mijn moeder en het begrip van mijn broer hielden mij een tijdlang staande. Niettemin had ik het gevoel dat ik hun tot last was. Ik besloot dan ook om wanneer mijn moeder zou sterven, zelfmoord te plegen.
De tijd vanaf mijn 23ste tot mijn 30ste jaar was het moeilijkst. Dag na dag was ik bezig om een of ander soort werk te bedenken en te zoeken. Maar het was altijd hetzelfde liedje: Om te kunnen werken moet je de beschikking hebben over je handen en je gezichtsvermogen. Vele keren zei mijn moeder tegen mij: „Bid maar of God je vertroosting schenkt.”
„Als God bestond,” antwoordde ik dan bitter, „was ik mijn hand of mijn ogen niet kwijtgeraakt! Wat voor zonde moet ik op tienjarige leeftijd begaan hebben dat God mij zou straffen door mij invalide te maken?” Zoals altijd maakten zulke gesprekken mijn moeder aan het huilen, wat mijn neerslachtigheid alleen maar vergrootte.
Als ik mijn situatie overpeinsde, dacht ik altijd, ’Mijn leven zou minder triest zijn als ik maar kon geloven’. Daarop besloot ik op bezoek te gaan bij een religieuze orde in de buurt van ons huis. Zij gaven mij enkele boeken mee die mijn broer Eddie mij moest voorlezen. Deze gaven mij geen vertroosting. Ten slotte vroeg ik hun om een bijbel, en zij leenden mij er een. Als ik Eddie eruit hoorde voorlezen, voelde ik dat mijn last verlicht werd, ofschoon ik niet alles begreep wat ik hoorde. Niet lang daarna moest ik de bijbel echter teruggeven.
Eindelijk licht
Kort daarna ging ik bij een vriend op bezoek die de bijbel bestudeerde met — naar ik dacht — een protestantse groepering. De vrouw, Beatriz, was erg vriendelijk en probeerde mij in de bespreking te betrekken, maar ik was vijandig. Ik beschouwde protestanten als werktuigen van het kapitalistische imperialisme; ik was toentertijd lid van de communistische partij in Ecuador.
Beatriz was een getuige van Jehovah en liet zich door mijn houding niet uit het veld slaan. Zij bleef vriendelijk met mij praten. Zij gaf mij zelfs haar adres en nodigde mij uit contact met haar op te nemen als ik vragen mocht hebben. Niet lang daarna ging ik met enkele vragen naar haar huis.
Beatriz was niet thuis, maar haar tante, Castorina, die ook een getuige van Jehovah was, ontving mij heel vriendelijk. Ik kan mij herinneren dat toen zij God ter sprake bracht, ik antwoordde: „Ik geloof nergens in, niet in God, noch in de Maagd, noch in de heiligen; en voordat ik iets geloof, zult u mij daar de bewijzen voor moeten geven!” Verbaasd en nederig gestemd door haar antwoorden, verliet ik haar huis en beloofde terug te komen voor een bijbelstudie.
In januari 1965 begon ik de bijbel te bestuderen door middel van het boek „God zij waarachtig”. Ik herinner mij dat ik vroeg: „Waar haalt u alle vragen vandaan die u mij stelt?” Beatriz en haar tante legden toen uit dat er onderaan op de bladzijden vragen stonden en dat deze ten doel hadden de hoofdpunten uit de paragrafen te benadrukken. Dat leverde mij een probleem op. Hoe kon ik mijn studie voorbereiden? Ik was verlangend, ja, vastbesloten om te leren. Dus opnieuw vroeg ik mijn broer Eddie mij hardop voor te lezen.
Voor het eerst sinds 20 jaar begon er „licht” door te dringen, nee, niet via mijn ogen, maar via mijn oren. Langzaam aan begon vrede de onrust in mijn geest te kalmeren. Ik sprak met iedereen over de nieuwe dingen die ik leerde. Toen wij het boek „God zij waarachtig” uitgestudeerd hadden, was ik van één ding zeker: God bestaat!
Op dit punt aangeland, begon ik iets te doen waarvan ik nooit gedroomd had — ik ging eropuit om met anderen over de bijbel te praten! Op een dag toen wij van huis tot huis gingen, antwoordde een mevrouw: „Spreekt u alstublieft met de doctor.” Ik verwachtte een arts te zullen ontmoeten. Maar wat een verrassing een katholieke priester te ontmoeten die ons vroeg die avond terug te komen omdat hij het druk had!
Die avond ontving de priester ons vriendelijk. Ik begon met te vragen: „Is het toegestaan de bijbel te gebruiken?” Hij verzekerde mij dat dat het geval was. Wij spraken over de leerstelling van het hellevuur. Vanaf het begin van ons gesprek beweerde hij vol vertrouwen dat hij aan de hand van de bijbel kon bewijzen dat de hel een plaats van vurige pijniging was. Dat gesprek duurde twee uur, en hij kon zijn stelling niet met de bijbel staven. In de daaropvolgende drie weken gingen wij ermee door over dit onderwerp te praten.
„Nu kan ik u in de bijbel tonen dat er wordt gesproken over eeuwige pijniging met vuur”, zo zei hij tijdens één bezoek. „In Matthéüs hoofdstuk 25 zegt Jezus tegen de bokken: ’Gaat weg van mij, in het eeuwige vuur dat voor de Duivel en zijn demonen is bereid.’”
Ik antwoordde: „Maar als het vuur voor de Duivel en zijn demonen is bereid, waarom zouden die arme dieren dan met hen in het vuur geworpen worden?”
„O, maar de bokken die hier worden genoemd, zijn geen letterlijke dieren. Ze zijn een symbool van slechte mensen”, antwoordde hij.
„Dan moet het vuur ook symbolisch zijn”, was mijn antwoord.
Ten slotte gaf hij toe: „Misschien kunnen wij aan de hand van de bijbel niet bewijzen dat de hel een plaats van pijniging is, maar het wordt door de wijsbegeerte bevestigd.” Dat gaf de doorslag! Het was mij duidelijk dat hij niet de waarheid bezat.
Later gebeurde iets soortgelijks toen ik met een protestantse zendeling sprak. Ik sprak met hem over de leerstelling van de Drieëenheid. Na een langdurig gesprek gaf hij toe: „De bijbel zegt inderdaad dat de Vader groter is dan de Zoon, maar toch geef ik er de voorkeur aan te geloven dat Christus God is.” En ik gaf er de voorkeur aan de bijbel te geloven! Ik wist nu dat ik de waarheid had gevonden. Op 25 september 1965 werd ik als een getuige van Jehovah gedoopt.
Vreugde door anderen te onderwijzen
Ik vond er veel vreugde in anderen in de bijbel te onderwijzen en ik begon hieraan het grootste deel van mijn tijd te besteden. Natuurlijk was het nodig dat iemand mij vergezelde om de bijbelteksten voor mij te lezen. Zoals gewoonlijk hielp mijn geliefde broer Eddie mij bij mijn voorbereiding door mij de publikaties hardop voor te lezen.
In april 1966 werd ik een gewone pionier (volle-tijdprediker). Ik was zo blij mijn leven op zo’n waardevolle manier te kunnen gebruiken! Vier maanden later trouwde mijn broer en kort daarna kreeg ik de uitnodiging speciale pionier te worden en elke maand 150 uur aan de prediking van het goede nieuws te besteden. Maar hoe kon ik dat doen? Hoe kon ik alleen een bijbelstudie leiden?
Toen in 1968 het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt werd uitgegeven, leerde ik de antwoorden uit het hoofd van alle vragen die in de 22 hoofdstukken voorkomen. Op deze wijze was ik in staat het boek te gebruiken bij het onderwijzen van anderen. Ik leerde ook de antwoorden op de vragen van verscheidene andere door het Wachttorengenootschap gepubliceerde bijbelstudiehulpmiddelen uit het hoofd. Toen in 1978 de rijk geïllustreerde publikatie Mijn boek met bijbelverhalen werd uitgegeven, kende ik al gauw de bladzijden van buiten waarop de illustraties te vinden zijn.
Toen vervolgens in 1982 het nieuwe geïllustreerde studieboek U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven werd vrijgegeven, ontwikkelde ik een soortgelijke onderwijsmethode. Ik heb de plaatjes nog nooit gezien, maar ik ken ze alle van buiten om ze te kunnen verklaren wanneer ik anderen onderwijs. Als ik het boek gebruik, tel ik gewoon de bladzijden tot een bepaalde illustratie en leg die dan uit. Deze methode maakt het mij veel gemakkelijker om bijbelstudies te leiden met behulp van deze publikatie.
Tussen haakjes, nadat ik in de speciale pioniersdienst was gekomen besloot ik te proberen mijn broer Eddie ertoe te bewegen een geregelde bijbelstudie met mij te aanvaarden. Hij stemde toe, maar zonder veel enthousiasme. Ik stond versteld toen ik merkte dat hij vrijwel niets had begrepen van wat hij mij al die tijd geduldig had zitten voorlezen. „Eddie, hoe kun jij nu zo weinig over de bijbel weten terwijl jij mij er zo lang uit hebt voorgelezen?” vroeg ik hem op een dag. Zijn antwoord dat hij het gewoon had gedaan om mij te helpen, deed mij des te meer beseffen wat een fijne broer ik had. Het duurde echter niet lang voordat hij de kostbare bijbelse waarheden begon te waarderen en gestadig geestelijke vorderingen begon te maken.
Gevaren en ontberingen
Zoals u kunt begrijpen, levert het problemen op wanneer iemand zijn gezichtsvermogen mist. Ja, verschillende malen heeft dit mij bijna het leven gekost! Op een keer liep ik ’s avonds naar huis toen ik per ongeluk tegen een man opbotste. Kwaad versperde hij mij de weg. Ik voelde plotseling iets hards op mijn schouder. Wegens het koude weer had ik mijn kraag omhooggeslagen waardoor ik niet wist wat het was. Ik trachtte mij te verontschuldigen door uit te leggen dat ik blind was.
Maar de man was dronken en sloeg geen acht op wat ik zei. Ik voelde hoe hij het voorwerp, wat het ook was, van mijn schouder lichtte terwijl hij op dreigende toon zei: „En wat wou je nou?” Ik hief mijn hoofd op en vroeg: „Wat?” Op dat moment drong het kennelijk tot hem door dat ik werkelijk blind was en veranderde de toon van zijn stem. Toen begreep ik in welk gevaar ik had verkeerd. Het harde voorwerp dat hij op mijn schouder had geplaatst, was het lemmer van een kapmes. Het had niet veel gescheeld of hij had mijn hoofd afgehakt! Ik had geen angst getoond omdat ik eenvoudig niet had beseft in welk gevaar ik had verkeerd. De man ging zijns weegs en ik keerde veilig naar huis terug.
Er hebben zich andere moeilijkheden voorgedaan, maar deze hebben alleen maar gediend om mij te tonen dat de hand van Jehovah niet te kort is. Inmiddels bestond onze familie uit zeven leden — mijn moeder, mijn broer Eddie, zijn vrouw en drie kinderen en ik. Omdat werk schaars was, moest Eddie een baan in een andere stad aannemen, en wij allen vergezelden hem. De werkloosheid verergerde echter. Eddie raakte zijn baan kwijt en was bijna een jaar zonder werk.
Gelukkig kon ik in de speciale pioniersdienst blijven. Geen enkele dag heeft het ons ontbroken aan voldoende voedsel en kleding. Hoe goed raakte ik doordrongen van Jezus’ woorden: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd”! — Matthéüs 6:33.
Een vruchtbare bediening
Door de jaren heen heb ik nog meer bewijzen van Gods zegen op mijn bediening gezien. Ik herinner mij dat ik op een dag bij het huis van een protestants gezin aanbelde en er prompt een discussie over de leer van het hellevuur volgde. Zij riepen de predikant die in de buurt woonde. De predikant hield staande dat deze leerstelling juist was en het gesprek verliep zo:
„Er was eens een Inkaheerser genaamd Atahualpa die vele jaren geleden stierf”, begon ik. „Hij was een afgodendienaar en een polygamist, en hij was een broedermoorder. Waar is nu zijn ziel?”
„Dan moet hij in de hel zijn”, antwoordde de predikant.
„Maar deze heerser wist niets van de ware God. Hij had nog nooit in de bijbel gelezen en was er niet mee bekend.”
„Dan moet hij in de hemel zijn”, gaf hij ten antwoord.
„Toch zegt 1 Korinthiërs 6:9 dat afgodendienaars Gods koninkrijk niet zullen beërven”, antwoordde ik.
Stilte. Toen er geen antwoord kwam, nam een leraar van de middelbare school die met de predikant was meegekomen, het woord en zei: „Als de predikant niet in staat is uw vraag te beantwoorden, wilt u het ons dan alstublieft vertellen? Waar is Atahualpa’s ziel?”
Vervolgens toonde ik aan de hand van de bijbel dat de doden zich zonder bewustzijn in het graf bevinden en dat God een toekomstige tijd van opstanding en oordeel heeft vastgesteld (Prediker 9:5, 10; Johannes 5:28, 29; Handelingen 17:31). De uitleg bleek een blijvende uitwerking op de leraar te hebben, want later heeft hij uit eigen beweging Jehovah’s Getuigen opgezocht. Hij dient nu als dienaar in de bediening in een van de gemeenten van Jehovah’s Getuigen hier in Ecuador.
Mijn hart is vol vreugde, omdat alle leden van mijn familie nu Jehovah’s Getuigen zijn. Eddie, zijn vrouw en haar zuster, die zich erop voorbereidde non te worden, werden in 1969 gedoopt. Mijn moeder volgde in 1970. In ben mijn familie en ook de andere Getuigen zo dankbaar voor de vriendelijkheid die zij mij betonen. Maar bovenal ben ik Jehovah God dankbaar die mijn ogen (de geestelijke ogen wel te verstaan) heeft geopend en mijn leven betekenis heeft gegeven. Met zijn hulp ben ik in staat geweest om ondanks mijn blindheid een druk leven te leiden. — Zoals verteld door Rodrigo Vaca.
[Inzet op blz. 23]
„Als God bestond, was ik mijn hand of mijn ogen niet kwijtgeraakt!” riep ik verbitterd uit
[Inzet op blz. 25]
Door alle antwoorden en de bladzijden waarop de illustraties te vinden zijn uit mijn hoofd te leren, ben ik in staat bijbelstudies te leiden
[Inzet op blz. 25]
Ik vroeg: ’Waar is de ziel van Atahualpa, een afgodendienaar en polygamist?’
[Illustratie op blz. 24]
Anderen de bijbel onderwijzen schenkt mij vreugde