Kruiswoordpuzzel
Horizontaal
1. Blijk van voortdurende vaderlijke zorg (1 Thess. 2:11)
7. De groten der aarde? Ook dat zijn sterfelijke mensen, stel uw vertrouwen niet op hen, verwacht geen redding van hen! (Ps. 146:3)
9. Uit die plaats in het land der Chaldeeën riep God Abraham (Gen. 11:31)
10. Geen vermoeide en geen die struikelt, niemand is . . . en niemand slaapt, onder de oordeelsvoltrekkers die Jehovah oproept (Jes. 5:27)
11. Dit voorvoegsel in namen betekent „zoon”: „Zoon van mijn smart” noemde zijn stervende moeder hem, „zoon van de rechterhand” werd hij voor zijn vader (Gen. 35:18)
12. Vader van een nieuwe koning (1 Sam. 16:1)
13. Nalatig hogepriester en vader, laks in het streng onderrichten van zijn zonen (1 Sam. 2:22, 29)
14. Niet gek waar die gekko zoal weet te komen (Spr. 30:28)
15. Op de weg die omhoog voert naar . . ., dat bij Jibleam ligt, hoorde Ahazia Gods vonnis (2 Kon. 9:27; 2 Kron. 22:7)
16. Babylons god, die niet bij machte was Jehovah’s weggevoerde volk en geroofde tempelgerei vast te houden (Jer. 51:44)
18. Blijf dan . . . Gods koninkrijk zoeken (Matth. 6:33)
20. Stad in Klein-Azië en, gelijk iedereen weet, tempelbewaarster van de grote Artemis en van het beeld dat uit de hemel is gevallen (Hand. 19:35)
22. De vader van Jozua, Mozes’ dienaar (Ex. 33:11)
24. Hun . . . is vet (Ps. 73:4)
25. Als zo een zich door zo een laat leiden, liggen zo beiden in een kuil (Matth. 15:14)
26. ’Zelf gaat gij er niet binnen en anderen staat gij dit niet . . .’ (Matth. 23:13)
27. Wat zagen de astrologen in de tijd van Jezus’ geboorte? (Matth. 2:7)
28. „. . . met zijn verpletteringswapen in de hand” (Ezech. 9:2)
29. Kort na de Vloed al als bouwmateriaal gebruikt (Gen. 11:3)
30. De lengtemaat die ontleend is aan de afstand tussen elleboog en topje van de middelvinger (Deut. 3:11)
31. Niet meer zal dat geluid er gehoord worden (Jes. 65:19)
32. Eén onder hen was . . . [2 woorden] gekleed (Ezech. 9:2)
Verticaal
1. „Wie zal de dag van zijn komst . . .?” (Mal. 3:2)
2. Hoe wij onze verdediging zullen voeren, hoeven wij niet van tevoren te . . . (Luk. 21:14)
3. In Abrams tijd de naam voor Kades (Gen. 14:7)
4. Abraham woonde of . . . als vreemdeling in het land der belofte (Hebr. 11:9)
5. De vrees voor Jehovah is er het begin van (Spr. 1:7)
6. Hoewel zij een . . . vrouw was, werd zij de moeder van een machtige natie (Gal. 4:27)
8. Opgewonden uiting van haatgevoelens (Ps. 83:2)
16. Wat deed Jozua om Lachis te kunnen innemen? (Joz. 10:31)
17. Waarmee kunnen christenen God loven en elkaar vermanen? (Kol. 3:16)
19. Hoe waren de wonden van de psalmdichter? (Ps. 38:5)
20. Alle andere verrukkingen kunnen wijsheid niet . . . (Spr. 8:11)
21. Waaraan moet de liefde van een man voor de vrouw van zijn jeugd gelijk blijven? (Spr. 5:19)
23. Een profetie met betrekking tot tijden die veraf zijn? Neen, er zal geen . . . meer zijn! (Ezech. 12:27, 28)
25. „Gij zult ze . . . met een ijzeren scepter” (Ps. 2:9)
Oplossing op blz. 21
Oplossing horizontaal
1. VERMANEN
7. EDELEN
9. UR
10. DOEZELIG
11. BEN
12. ISAÏ
13. ELI
14. PALEIS
15. GUR
16. BEL
18. EERST
20. EFEZE
22. NUN
24. LIJF
25. BLINDE
26. TOE
27. STER
28. ELK
29. BAKSTEEN
30. EL
31. GEWEEN
32. IN LINNEN
Oplossing verticaal
1. VERDRAGEN
2. REPETEREN
3. ENMISPAT
4. VERBLEEF
5. KENNIS
6. EENZAME
8. GETIER
16. BELEGEREN
17. LOFZANGEN
19. STINKEND
20. EVENAREN
21. EXTASE
23. UITSTEL
25. BREKEN