De jeugdige, enthousiaste afgestudeerden van de 52e klas van de Gileadschool
DE STUDENTEN van de 52e klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead, die weggingen om als zendelingen te gaan dienen, waren gemiddeld bijzonder jong; toen zij werden ingeschreven, lag hun gemiddelde leeftijd onder de zesentwintig jaar. Voordat zij op Gilead kwamen, hadden zij gemiddeld reeds tien jaar in de christelijke bediening gestaan en waren met heel wat ervaring verrijkt. Het waren bijzonder enthousiaste leerlingen.
Zij hadden goede reden om enthousiast te zijn, want de cursus op de Gileadschool was geweldig verbeterd. De lessen waren aangepast aan de speciale problemen waarmee zij te maken zouden krijgen. Bovendien had het onderwijs meer diepte gekregen; er werden een groter aantal onderwerpen behandeld, terwijl ook meer sprekers onderricht gaven. De cursus omvatte onder andere een vertoning van het Fotodrama der Schepping, terwijl onderwerpen zoals archeologie en chronologie tot hun juiste proporties waren teruggebracht.
De studenten hadden verlangend uitgezien naar de dag van de diploma-uitreiking op 6 maart 1972, en zij gaven door hun jeugdig enthousiasme aan deze dag een speciaal cachet. Na het begin van het programma konden de studenten voor de laatste maal luisteren naar hun leraren en anderen die voor hun opleiding verantwoordelijk waren geweest. Eerst sprak F. Rusk. Hij haalde de woorden aan van de president van het Verenigd Theologisch Seminarie in New York, die afgelopen jaar tot de afgestudeerden van die school zei dat zij tegenover een „identiteitscrisis” stonden, dat zij „ondenkbare gedachten moesten gaan denken”, en dat „wij zelfs nog niet eens overeenstemming hebben bereikt over het antwoord op de vraag wat de aard van het probleem is”. De heer Rusk merkte op dat in tegenstelling daarmee de afgestudeerden van de Gileadschool niet met dergelijke problemen te kampen hadden. Hun godvruchtige levenswijze identificeert hen, en Gods Woord geeft de richting aan die zij moeten gaan.
Vervolgens richtte U.V. Glass zich tot de klas. Hij vergeleek hun werk, het opbouwen van de ware aanbidding, met de bouwwerkzaamheden die Nehemía verrichtte. Hoewel het werk van Nehemía, dat bestond in het herbouwen van de muren van Jeruzalem, dringend noodzakelijk en gevaarlijk was, nam hij er de tijd voor om zijn medejoden die onderdrukt werden door schuldeisers, verlichting te brengen. Ook zendelingen dienen op dezelfde wijze liefdevolle bezorgdheid voor hun broeders en zusters aan de dag te leggen. Dan kunnen zij hetzelfde gebed opzenden als Nehemía, die bad: „Gedenk toch ten gunste van mij, o mijn God, ten goede, al wat ik ten behoeve van dit volk heb gedaan.” — Neh. 5:19.
Vervolgens kwam E.A. Dunlap, de administrateur van de school, aan het woord. Hij haalde Prediker 7:10 aan: „Zeg niet: ’Waarom is het geschied dat de vroegere dagen beter zijn gebleken dan deze?’” Hij bracht deze tekst van toepassing op de zendelingen en gaf hun de raad niet terug te zien op vroeger of naar betere omstandigheden thuis, want dat leidt tot zelfmedelijden, wat op zijn beurt weer leidt tot ontmoediging en het opgeven van de dienst. Hij waarschuwde niet ’de hand aan de ploeg te slaan en dan achterom te zien’. — Luk. 9:62.
M.G. Henschel, de bijkantoordienaar van de Verenigde Staten, sprak vervolgens over het thema „Verwerf denkvermogen”, waarbij hij zijn woorden baseerde op Spreuken 5:1, 2. Hij wees erop dat de afgestudeerden een goed fundament hadden gelegd in de vorm van kennis, en dat dit fundament heel belangrijk was voor het oefenen van het denkvermogen. Dit denkvermogen beschermt iemand, doordat hij erdoor in staat wordt gesteld de gevolgen van een bepaalde handelwijze te overzien. Wil men in staat zijn om te denken op basis van de kennis die God heeft laten optekenen in zijn Woord, dan zal men ’zijn hoofd moeten gebruiken’. Dit denkvermogen stelde Jezus in staat om te zien wat de slechte gevolgen zouden zijn als hij de suggesties van de Duivel zou opvolgen (Matth. 4:1-10). „Een denkvermogen”, zo verklaarde Henschel, „gebaseerd op een nauwkeurige kennis van Gods Woord zal je door de moeilijkheden heen helpen. Ga nooit haastig te werk.”
M. Larson, de drukkerijdienaar, koos tot zijn thema: „Zul je de mensen aanvaarden?” Op zijn reizen had hij waargenomen dat de zendelingen die de mensen in hun gebied, in hun gemeente en in hun zendingshuis hadden aanvaard, het gelukkigst waren en het meeste succes hadden. Hij las Galáten 6:7-10 voor en merkte op dat, wil men „het goede doen jegens allen”, men de mensen moet nemen zoals zij zijn en niet kritisch moet worden ten aanzien van hun eigenaardigheden of tekortkomingen. „Aanvaard de mensen zoals zij zijn”, zei hij, „en jullie zullen goede zendelingen zijn die Jehovah’s zegen genieten.”
Vervolgens sprak G. Couch, de Betheldienaar. Hij beschreef welk een voldoening men ervaart wanneer men zijn doel in het leven heeft bereikt. Bij degenen die ambitieus materialistische doeleinden nastreven, is het succes slechts kortstondig. In tegenstelling daarmee ervaren zij die het christelijke zendingswerk tot hun roeping hebben gemaakt, blijvend succes en geluk. Hij moedigde zijn toehoorders aan hun persoonlijke studie, hun gebed en het bezoeken van christelijke vergaderingen niet te veronachtzamen.
Toen las G. Suiter ongeveer dertig telegrammen voor die uit vijftien verschillende landen afkomstig waren, met inbegrip van verre streken als Japan, Nieuw-Guinea en Afghanistan. Eén groet was afkomstig van 85 christelijke bedienaren die gevangen zaten in Spaanse militaire gevangenissen, sommigen reeds gedurende een periode van elf jaar.
Na het voorlezen van deze telegrammen sprak F.W. Franz, de vice-president van het Wachttorengenootschap. Hij legde de nadruk op de ernst van datgene waartoe zij zich verbonden hadden. Hij haalde schriftuurlijke voorbeelden aan om de belangrijkheid van hun opdracht aan te tonen en te laten zien hoe passend deze uitdrukking is. Daarna weidde hij uit over Prediker 5:2-7, waar Salomo de nadruk legt op de verplichting datgene na te komen wat men heeft beloofd, waarbij hij opmerkte dat een gelofte iets is dat vrijwillig wordt gedaan. In zijn besluit drukte hij de studenten op het hart trouw aan hun respectieve zendingstoewijzingen te zijn.
Men zou kunnen zeggen dat het programma tot zover inleidend was geweest doordat het voorafging aan de hoofdlezing die door de president van de school, N.H. Knorr, zou worden gehouden. Hij merkte op dat midden in de Tweede Wereldoorlog, in 1943, toen er over de hele aarde slechts 90.000 Getuigen waren, de Wachttoren-Bijbelschool Gilead was opgericht en begon te functioneren. Hij haalde de woorden aan die in Romeinen 12:9-11 staan en beklemtoonde de noodzaak het slechte te haten, het goede aan te hangen en vurig (letterlijk „kokend”) van geest te zijn. In deze tijd, nu de mensen ’bandeloos zijn omdat zij geen visioen hebben’, is het het voorrecht van christelijke getuigen het volk een visioen van Gods koninkrijk te geven (Spr. 29:18). Hij legde er ook de nadruk op dat zij nederig moesten zijn; zij dienden zelfs geen gewag te maken van hun Gilead-opleiding, ten einde tussen zichzelf en de nederige mensen tot wie zij zouden prediken geen kloof te scheppen.
Na de ontvangst van hun diploma’s las een van de studenten een dankbrief van de klas voor met het opschrift „Geliefde broeder Knorr en Bethelfamilie”. Het was een hartverwarmende uiting van dankbaarheid voor „het onderwijs, de opleiding en het strenge onderricht” dat zij hadden ontvangen. Zij waren werkelijk geholpen tot het besef te komen „dat het dienen van Jehovah met een onverdeeld hart datgene is wat hij het meest van ons verlangt”.
Bovengenoemd programma, dat van 2 tot 5 uur n.m. duurde, werd gevolgd door een pauze. Om 6 uur verschaften de studenten een voortreffelijk en gevarieerd muzikaal programma, dat van Mozart via Chabrier overging op Europese volksliederen en Amerikaanse „country music”. Vooral prachtig was de zelfgemaakte compositie „Het is goed, moeder, weer thuis te zijn”. Het lied beschrijft de Koninkrijkszegeningen zoals die in het visioen van Johannes beschreven staan. Dit werd gevolgd door een bijbels drama waarin op doeltreffende wijze de les naar voren kwam om nederig van geest te zijn, een les die getrokken kan worden uit het bijbelse verslag over de Syrische generaal Naäman, die van melaatsheid werd genezen. — 2 Kon. 5:1-27.
[Illustratie op blz. 24]
Afgestudeerden van de tweeënvijftigste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead
52nd Class March 1972
In onderstaande lijst zijn de rijen genummerd van voren naar achteren, en de namen in elke rij verwijzen naar de studenten in volgorde van links naar rechts.
(1) Hartig, A.; Martinez, L.; Mercado, R.; Bosold, M.; Lacayo, R.; Sanda, M.; McQuaters, B.; Diaz, C.; Kettelle, S. (2) Williams, C.; Waterhouse, J.; Bottorf, L.; Camacho, C.; Torres, M.; Maybee, S.; Guillen, R.; Frazee, P.; Dunne, S.; Huerta, J. (3) Benites, C.; Oliver, L.; Barnes, S.; Bux, H.; Schisel, C.; Karstensen, E.; Nelson, L.; Hreczanyk, M.; Dunne, T.; Pobuda, L. (4) Hurd, F.; Kuhr, F.; Jensen, E.; Matos, G.; Mantz, S.; Jepsen, H.; Howard, O.; Vilas, T. (5) Ewers, A.; Gonzales, S.; Lum, N.; Sharpe, M.; Jacobsen, L.; Neumann, L.; Sanda, D.; Almost, C.; Almost, P.; Malling, J. (6) Kettelle, W.; Matos, R.; Thusgaard, G.; Grover, L.; Lum, P.; Zimmerman, A.; Martin, G.; Jackman, S.; Benites, A.; Christiansen, S. (7) Garfman, D.; Lacayo, A.; Frazee, W.; Benitez, C.; Wilson, A.; Steinle, L.; Jackman, J.; Neumann, T.; Bell, D.; MacDuff, L. (8) Adelman, G.; Kristensen, K.; Camacho, F.; Bottorf, W.; Fischer, E.; Blessing, W.; Schisel, D.; Oliver, R.; Karstensen, H. (9) Martin, J.; Sharpe, R.; Longreen, P.; Mantz, J.; Waterhouse, D.; Jacobsen, V.; Hurd, R.; Barnes, T.; Maybee, C.; Lindtoft, T.; Howard, J., jr. (10) Pobuda, R.; Hreczanyk, J.; Wilson, P.; Zimmerman, J.; McQuaters, S.; Kuhr, H.; MacGillivary, R.; Grover, G.; Steinle, W.; Nelson, D.