Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g85 8/7 blz. 18-21
  • Ik was een katholieke non

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik was een katholieke non
  • Ontwaakt! 1985
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Non worden
  • Het kloosterleven in Caïro
  • Naar Palestina en Beiroet
  • Pogingen om uit te treden
  • Een nieuw leven
  • Mijn zoeken werd beloond
  • Mijn ouders verlieten me — God houdt van me
    Ontwaakt! 2001
  • Ik was een katholieke non
    Ontwaakt! 1972
  • De bijbelse waarheid bevrijdt een non in Bolivia
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Hoe mijn geestelijke dorst gelest werd
    Ontwaakt! 2003
Meer weergeven
Ontwaakt! 1985
g85 8/7 blz. 18-21

Ik was een katholieke non

OP HET Turkse schip dat mij destijds, in 1960, van Haifa naar Cyprus bracht, overpeinsde ik zwijgend mijn meer dan dertig jaar kloosterleven. Hoewel ik nog steeds als non gekleed ging, had ik een brief in mijn bezit waarin ik van mijn geloften werd vrijgesteld. In die tijd had ik maar één ding in mijn hoofd: Beiroet in Libanon bereiken en werk zien te vinden.

Maar waarom was ik non geworden? En waarom hield ik er, na zoveel jaar, mee op?

Non worden

Toen ik kort na de Eerste Wereldoorlog als kind met mijn pleegouders in Zuidoost-Frankrijk woonde, kregen wij bezoek van een protestantse predikant. Hij bemerkte dat ik belangstelling had voor alles wat hij zei, en liet een klein „Nieuw Testament” bij mij achter. Vanaf dat ogenblik groeide mijn belangstelling voor de bijbel.

Later sprak ik met enkele medekatholieken over mijn verlangen de Schrift te begrijpen, maar zij vertelden mij dat het een doodzonde was de bijbel te lezen. Ik redeneerde dat aangezien de bijbel zo’n groot geheim was, het dan zeker alleen in de kloosters toegestaan was hem te bestuderen. Van toen af aan was ik vastbesloten non te worden.

Ik was net 21 toen ik de trein nam naar een klooster in het zuiden van Frankrijk, waar ik een afspraak had met de generale overste van de missie-orde van de Karmelietessen. Het klooster stond op een heuvel bij Gignac, een stadje ongeveer 25 km van de Middellandse-Zeekust. Het gebouw bestond uit twee afzonderlijke gedeelten: het ene was voor de nonnen bestemd en het andere werd gebruikt als herstellingsoord voor jongedames.

De eerste nacht bracht ik door in het herstellingsoord — maar zonder mijn koffer. De jonge vrouw die mij van het station had gehaald, had hem niet teruggegeven. De volgende dag wilde ik alweer weg, omdat de sfeer in het klooster mij helemaal niet aanstond. Toen ik naar mijn bagage vroeg, kreeg ik te horen: „Je koffer staat in het klooster op je te wachten.” Ik zei bij mijzelf: ’Als ik er naar binnen loop, kan ik er ook altijd weer uitlopen.’ Maar zo eenvoudig bleek het niet uit te pakken.

Toen ik het voor de religieuze gemeenschap gereserveerde kloostergedeelte betrad, werd ik overweldigd door het indrukwekkend oude gebouw met zijn zware deuren met ijzerbeslag en zijn hoge plafonds. Toen ik even later een kort gesprek met de generale overste had, vond ik niet de moed om haar te zeggen dat ik wilde vertrekken.

Na een week werd ik aanvaard als kandidate voor toelating tot de religieuze orde. Enkele maanden later nam ik de witte novicensluier aan. Ik was niet veel over de bijbel te weten gekomen, maar ik oefende geduld omdat ik dacht dat zulke kennis niet voor ons beginnelingen was. Minder dan een jaar na mijn intrede in het klooster werd ik met twee andere nonnen naar Marseille gestuurd. Vandaar voeren wij naar Caïro in Egypte, waar wij in januari 1931 aankwamen.

Het kloosterleven in Caïro

Ons klooster en de aangrenzende school bevonden zich in een groot modern gebouw buiten Caïro. Wij stonden er elke ochtend om 4.45 uur op en gingen dan naar de kapel, waar wij 45 minuten in contemplatie doorbrachten. Hierna kregen wij 15 minuten om vóór de mis onze cellen aan kant te maken.

Wij aten onze maaltijden in volstrekt stilzwijgen, terwijl wij luisterden naar een voorlezing uit het „Leven der Heiligen”. De eerste die klaar was met eten, nam het voorlezen over. Conversatie tussen de nonnen was overdag verboden, behalve als het ging om vragen die met het werk te maken hadden, en zelfs dan moesten wij naar een speciaal vertrek dat de spreekkamer werd genoemd. Het eigenlijke klooster was geheel afgesloten van de buitenwereld. Wanneer er bijvoorbeeld overdag een buitenstaander binnenkwam, luidde de dienstdoende non een belletje dat de andere nonnen waarschuwde niet uit hun cellen te komen.

Op vrijdag, en gedurende de vastentijd ook op woensdag, vond er onder het voorlezen van Psalm 51 een zelfkastijding plaats. Alle nonnen kwamen bijeen in een donker vertrek, en elk van hen moest zichzelf kastijden met een uit drie koorden bestaande gesel. Destijds dacht ik dat zulk lijden noodzakelijk was om God te behagen. Soms onthield ik mij een hele dag van drinken, wat niet gemakkelijk was in een land waar het zo heet is als in Egypte, of droeg ik een 2,5 cm brede, met dunne metalen spijkertjes beslagen gordel.

Intussen had ik allerlei twijfels omtrent fundamentele katholieke leringen, zoals de transsubstantiatie en de kinderdoop. Ook kon ik Maria niet als Middelares aanvaarden. In de bijbel had ik dergelijke leringen nooit gelezen. Op een dag zei een medenon: „Als je 25 rozenkransen opzegt, zal de Maagd je elke gunst verlenen die je vraagt.” Ik besloot het te proberen en begon aan het opzeggen van mijn 25 rozenkransen (bijna 1300 gebeden). Maar na al die moeite had ik nog hetzelfde lege gevoel als tevoren. Het bevestigde wat ik in de Evangeliën had gelezen over de aanwijzingen die Jezus zijn discipelen gaf om de Vader alle dingen ’in zijn naam’ te vragen, indien zij wilden dat hun gebeden verhoord werden. — Johannes 16:24.

Ik voltooide mijn drie jaren durende noviciaat of leertijd, en nu was het tijdstip genaderd dat ik mijn definitieve geloften moest afleggen. Ik wilde mijzelf niet binden, maar wat moest er van mij worden, zo ver van Frankrijk, als ik het klooster verliet? Ten slotte tekende ik mijn overeenkomst en ging naar de kapel, waar ik beloofde de rest van mijn levensdagen in armoede, kuisheid en gehoorzaamheid te zullen slijten. Diep in mijn hart redeneerde ik dat ik het altijd wel met God in het reine zou kunnen brengen als ik ooit mijn geloften verbrak. Ik wist dat er andere nonnen waren die van de paus dispensatie hadden gekregen.

Naar Palestina en Beiroet

In 1940 was de Tweede Wereldoorlog in volle gang, en Caïro werd door Duitse vliegtuigen gebombardeerd. In die tijd werd ik overgeplaatst naar een klooster in Haifa, in Palestina. Nadat ik het Suezkanaal was overgestoken, nam ik een nachttrein. De vroege ochtend bracht het schitterende gezicht van een zonsopgang over een oase, een voorproefje nog maar van het prachtige landschap dat ik in Palestina te zien zou krijgen. Ik voelde mij bijzonder aangetrokken tot dit land waar Jezus, zijn apostelen en vele andere in de bijbel genoemde dienstknechten van God hun leven hadden doorgebracht.

Het klooster in Haifa was door het Engelse leger gevorderd als hoofdkwartier voor hun staf. Daarom werd ik naar Isfiya gestuurd, een dorpje dat op omstreeks 25 km afstand van Haifa hoog tegen de Karmel lag. Daar zat ik een maand lang in isolement jam te maken in de keuken.

Na verloop van tijd werd ik overgeplaatst naar Beiroet in Libanon, dat per auto slechts twee uur van Haifa lag. Palestina stond toen onder Brits mandaat en Libanon onder Frans mandaat, zodat het eenvoudig was de grens over te steken. De daaropvolgende jaren heb ik dikwijls vakanties in Isfiya doorgebracht, maar in een zeker jaar werd ik ziek en in plaats van naar Beiroet terug te keren, bleef ik in Palestina.

In de tijd dat ik daar in Isfiya op de Karmel was, ging ik altijd graag met de kinderen wandelen in de heuvels boven het klooster, samen met Caesar, de ezel, waarop zij dolgraag om de beurt een ritje maakten. Door dennenbossen en olijfbosjes kwamen wij dan ten slotte op het hoge plateau waar volgens de overlevering Elia de valse profeten van Baäl had uitgedaagd. In de diepte konden wij de wadi Kison zien, waar al die Baälpriesters ter dood waren gebracht (1 Koningen hoofdstuk 18). Elia had ik leren kennen uit het lezen van de verhalen van het „Oude Testament”, en ik had grote bewondering voor de moed en ijver waarmee hij God had gediend. Ik koos als non dan ook de naam Eliza Maria als blijk van mijn toewijding aan hem.

Pogingen om uit te treden

In de loop der jaren groeide mijn overtuiging dat ik de religieuze gemeenschap wilde verlaten. Toen ik in 1953 naar Lyon in Frankrijk werd teruggeroepen, schreef ik een brief aan de plaatselijke kardinaal. Maar voordat de vertegenwoordiger van de kardinaal mij kon komen opzoeken, stuurde de moeder-overste, die op de hoogte was van mijn plannen om weg te gaan, mij naar Saint-Martin-Belleroche, een kleine 100 km ver weg. Ik schreef nog meer brieven aan de kardinaal waarin ik dispensatie vroeg — maar tevergeefs.

In 1958 werd ik teruggestuurd naar Libanon. Na een paar maanden was ik in staat terug te keren naar een klooster in Haifa, de stad waar ik het meest van hield. Vanwege mijn kennis van de Hebreeuwse taal werd ik uitgekozen om boodschappen te doen, en ik greep de gelegenheid aan om een brief aan de plaatselijke bisschop te posten. Vanaf dat moment ging alles heel snel.

Twee dagen later kwam de bisschop, die mijn brief had ontvangen, de kwestie met mij bespreken. Ik vertelde hem dat ik weg wilde omdat mijn gezondheid te wensen overliet. Ik had medische behandeling nodig, en het kloosterleven bleek te zwaar voor mij. Hij toonde alle begrip en na een gesprek van een uur zei hij: „Je mag vanavond al weg, als je wilt.” Ik bleef contact met hem houden, en dat is later een grote hulp geweest.

Na enkele dagen liet de bisschop mij weten dat de generale overste in Frankrijk mij een brief had gestuurd, maar die had ik niet ontvangen. Dus ging ik naar de moeder-overste van het klooster: „Ik geloof dat er een brief voor mij is”, zei ik. Helemaal achter in een la van haar bureau reikend pakte zij er een envelop uit en stak mij die toe. In die brief werd ik ervan op de hoogte gesteld dat ik vrijgesteld was van mijn geloften.

Tijdens een gesloten retraite (een periode waarin niemand mocht spreken) nam ik de gelegenheid te baat om mijn spullen te pakken en weg te gaan. Zo stond ik, op een ochtend in augustus van het jaar 1960, plotseling buiten in de grote wijde wereld met mijn bagage en een paar Israëlische ponden om de eerste tijd te overbruggen. Ik ging naar het huis van een kennis en bij haar logeerde ik enkele dagen.

Een nieuw leven

Ik was van plan naar Beiroet terug te keren, waar ik dacht gemakkelijker werk te kunnen vinden. Maar hiervoor had ik een visum nodig. Het leek onmogelijk er van de verschillende consulaten in Haifa en Jeruzalem een los te krijgen. Een ambtenaar zei zelfs: „De overste van uw klooster heeft ons verzocht geen nonnen te helpen die naar Arabische landen gaan.” Mijn vriendin in Haifa zei dat het gemakkelijker zou zijn via Cyprus naar Beiroet te reizen.

Zo kwam het dat ik mij in 1960 op dat Turkse schip van Haifa naar Cyprus bevond. Op advies van de bisschop droeg ik mijn nonnenhabijt nog, in de eerste plaats met het oog op mijn pasfoto’s. Ik had van de Britse autoriteiten al een visum voor Cyprus gekregen, dank zij de brief van de bisschop met wie ik contact gehouden had. Vandaar vloog ik naar Beiroet.

Omdat ik mij geleidelijk aan het leven in de wereld wilde aanpassen, nam ik werk aan in de keukens van een Dominicaans klooster als niet-religieuze. Ik ben daar twee jaar gebleven. Op een dag nodigde een overste van de Karmelietessen mij uit in de orde terug te keren, en zei: „We zullen deze kleine escapade gewoon vergeten, en je behoudt je positie onder de nonnen met een lange staat van dienst.” Nadat ik duizend en één moeilijkheden had overwonnen om eruit te komen, was ik beslist niet van plan weer terug te gaan!

Daarna werkte ik een poosje als gouvernante voor rijke families, en als ik met andere gouvernantes in contact kwam, vroeg ik hun altijd of zij iemand kenden die de bijbel bestudeerde. „Maar geen priester!” was mijn voorwaarde.

Mijn zoeken werd beloond

Op een dag in februari 1964 werden mijn gebeden van een heel leven verhoord. Met de hulp van een Franse verpleegster die in de concentratiekampen met Jehovah’s Getuigen in aanraking was gekomen en uiteindelijk in Beiroet met Getuigen de bijbel was gaan studeren, begon ook ik met een bijbelstudie. Na vier avonden praten wist ik dat ik de waarheid gevonden had waar ik zoveel jaren naar had gezocht.

De Getuigen bestudeerden de bijbel niet alleen, maar brachten ook in praktijk wat zij leerden en predikten de bijbel tot anderen. Het leek alsof er een enorme barrière was ingestort. Ik had wel kunnen huilen van blijdschap. Het beetje dat ik gelezen had, overtuigde mij dat de Drieëenheid, de onsterfelijkheid van de ziel en andere dergelijke leerstellingen niet met de bijbel in overeenstemming waren.

Toch was er iets wat een domper zette op mijn enthousiasme: de naam Jehovah’s Getuigen. Ik zei bij mijzelf: ’Daarmee vraag je om moeilijkheden in Arabische landen; ze zullen denken dat wij joden zijn!’ Maar dat weerhield mij er niet van te studeren, en in oktober 1964 werd ik gedoopt, als symbool van mijn opdracht aan Jehovah.

Er zijn meer dan twintig jaar voorbijgegaan sinds ik de waarheid heb gevonden die ’mij vrijmaakte’ (Johannes 8:32). Ja, de nutteloosheid van gebruiken zoals zelfkastijding, die in veel kloosters wordt toegepast, is mij nu duidelijk. Hoe waar zijn de woorden van de apostel Paulus: „Deze dingen hebben wel een schijn van wijsheid in een zichzelf opgelegde vorm van aanbidding en schijnnederigheid, een strenge behandeling van het lichaam, maar ze hebben geen waarde ter bestrijding van de bevrediging van het vlees.” — Kolossenzen 2:23.

Wat een vreugde heeft het mij geschonken mijn kennis met anderen te delen en de schitterende hoop uit Gods Woord bekend te maken, in plaats van mij van de wereld af te sluiten! Omdat ik dertig jaar non ben geweest, kan ik met katholieken praten met alle begrip voor hun problemen. Ik dien nu al enige jaren als pionierster (volle-tijdbedienaar bij Jehovah’s Getuigen) en kwijt mij daarmee van de opdracht „dit goede nieuws van het koninkrijk” te prediken, de missie die ons door Jezus is toevertrouwd (Matthéüs 24:14). — Ingezonden.

[Illustratie op blz. 18]

Het klooster van Gignac

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen