Engelands historie van religieuze verdeeldheid
Door Ontwaakt!-correspondent in Groot-Brittannië
Gedurende vele jaren is er door religieuze organisaties in Engeland gesproken over eenheid. Ze willen daarmee niet zeggen dat er ook maar een groepering zou moeten ophouden te bestaan, maar men streeft naar een „samengaan zonder in elkaar op te gaan”. Elk zou de kenmerkende manier van aanbidding en eredienst van de andere groeperingen moeten erkennen. Onlangs zijn er twee van dergelijke oecumenische pogingen geweest: een tussen de Anglicaanse en de Rooms-Katholieke Kerk; de andere tussen de Anglicaanse Kerk en bepaalde zogeheten Vrije Kerken. De volgende twee artikelen zullen bijdragen tot een analyse van de kansen voor religieuze eenheid in Engeland.
RELIGIEUZE verdeeldheid is in Engeland vanaf het vroegste begin aan de dag getreden. Hoe het christendom Engeland in de tweede eeuw bereikt heeft, is niet bekend. Later ontwikkelden zich twee onderscheiden kerken — de Keltische, die onafhankelijk was, en de Roomse, onder pauselijk bestuur.
Verscheidene eeuwen lang vond er geen ernstige botsing plaats, voornamelijk omdat de twee kerken in verschillende delen van het land geconcentreerd waren. Tegen de zevende eeuw echter kwamen ze door hun zendingsactiviteiten met elkaar in conflict. De geschillen gingen over liturgische kwesties, over de datum van Pasen en dat soort dingen, en niet zozeer over leerstellingen.
In 663 G.T. nodigde de koning van Northumbria beide zijden uit tot de onder zijn voorzitterschap gehouden synode van Whitby. Hoewel hij zelf de Keltische tradities was toegedaan, koos hij de zijde van Rome, waarmee de synode instemde. In bijna heel Engeland verdween hiermee al spoedig de Keltische invloed uit de godsdienst. Rome had gezegevierd. Bijna 900 jaar lang bleef ze de dominerende kerk, in die tijd voortdurend haar religieuze macht en ook haar politieke invloed versterkend. Haar groeiende arrogantie veroorzaakte bittere wrevel bij de heersers en ontevredenheid onder het volk.
De breuk met Rome
De vijandschap tussen Kerk en Staat kwam in de 16de eeuw tijdens de regering van Hendrik VIII tot een hoogtepunt. Catharina van Aragón had hem geen mannelijke erfgenaam geschonken die in leven was gebleven, en daarom was het hem alles waard om van haar te kunnen scheiden en met Anna Boleyn te trouwen. De paus weigerde het huwelijk via een speciale dispensatie te ontbinden, hoewel dit toentertijd een vrij algemeen gebruik was. Klaarblijkelijk waren het politieke factoren die de paus in deze kwestie deden weigeren. Hendrik liet toen het parlement een aantal wetsvoorstellen aannemen waardoor alle banden met Rome werden verbroken en hijzelf het hoofd van de Kerk in Engeland werd. Zo verkreeg de kerk in Engeland in 1534 onafhankelijkheid.
Na de dood van Hendrik werd zijn negenjarige zoon Eduard koning. Er werd een regentschapsraad benoemd die zou regeren totdat hij de meerderjarigheid zou bereiken. Het was een groep van hervormers die vastbesloten waren om afgoderij en bijgeloof uit de religieuze eredienst te verwijderen. Maar Eduard stierf zes jaar later en werd opgevolgd door Maria, Hendriks dochter bij zijn eerste vrouw. Als devoot katholiek was Maria vastbesloten de Anglicaanse Kerk terug te brengen in de schoot van Rome. In 1554 werden de tegen Rome gerichte wetten herroepen. De band met Rome werd een jaar later volledig hersteld. Daarop volgde de wrede vervolging van onberouwvolle protestanten, waarvan er zo’n 300 op de brandstapel kwamen.
Maria regeerde echter slechts vijf jaar. Haar halfzuster Elizabeth volgde haar op en Elizabeth besloot Hendriks koers voort te zetten. Binnen een jaar herstelden twee wetten de wetgeving die gedurende Maria’s regering was herroepen. De tegenzet van de paus was Elizabeth te excommuniceren. Vervolgens trachtte hij met de hulp van de Spaanse Armada Engeland binnen te vallen, maar de poging liep op een rampzalige mislukking uit. Dit alles bracht weer een wrede vervolging over de ’weigeraars’, zoals de katholieken werden genoemd die de anglicaanse diensten weigerden te bezoeken. Ongeveer 250 van hen werden ter dood gebracht.
Interne afscheidingen
De Anglicaanse Kerk was weer van Rome bevrijd, maar daarmee nog niet uit de problemen. Interne verdeeldheid stak de kop op. Enerzijds wilden de anglicanen of ’hoogkerkelijken’ vasthouden aan de roomse rituelen die ondanks de breuk met Rome onveranderd waren gebleven. Anderzijds beschouwden de puriteiten of ’laagkerkelijken’ zulke rituelen als bijgeloof, onschriftuurlijk en afgodisch. Sommigen onder hen hadden er zo’n sterke afkeer van dat zij hun geboorteland verlieten en uitzeilden naar de „Nieuwe Wereld”. De eersten vertrokken op 16 september 1620 aan boord van de Mayflower.
In 1642 barstte een burgeroorlog los die drie jaar zou duren. Er aanspraak op makend krachtens goddelijk recht te regeren, had Karel I het parlement ontbonden en regeerde hij als alleenheerser. Hij werd door de anglicanen ondersteund. Aan de andere kant stonden het parlement en de puriteinen onder de succesvolle leiding van Oliver Cromwell. In 1649 onthoofdden zij Karel en werd de natie een gemenebest met aan het hoofd een rijksvoogd. Gedurende de volgende tien jaar bracht het parlement een scheiding aan tussen de Anglicaanse Kerk en de staat en men verving de anglicaanse vorm van aanbidding door het streng-eenvoudige calvinistische presbyterianisme. Wat er na de oorlog nog aan kerken en kloosters overeind stond, werd gesloten of afgebroken.
Cromwell verbood de anglicaanse en roomse liturgie maar stond verder vrijheid van aanbidding toe. Zo kwamen vele sekten op, waarvan de meeste na een korte opbloei weer verdwenen. Enkele groeiden echter uit tot nu nog bestaande religieuze organisaties, waaronder de baptisten, de quakers en de congregationalisten. In 1738 kwam daar nog het door John Wesley gegrondveste methodisme bij.
De puriteinen met hun presbyterianisme raakten spoedig bij het volk uit de gunst omdat de mensen hun streng-eenvoudige vorm van aanbidding moe werden. In 1660, niet lang na Cromwells dood, kreeg Karel II de uitnodiging om terug te komen uit ballingschap en de troon te bestijgen. Hij en de anglicanen ondernamen behoedzame maar besliste stappen en binnen twee jaar hadden zij het parlement overreed om de Anglicaanse Kerk opnieuw tot staatskerk uit te roepen. Uiteindelijk kregen in 1829 de rooms-katholieken hun volledige burgerrechten terug.
Zo was dus de bijna drie eeuwen durende periode van 1534 tot 1829 een woelige tijd van religieuze conflicten en verdeeldheid. Het was een tijd van versplintering waarin verscheidene religieuze denominaties werden gevormd. De volgende anderhalve eeuw tot op heden verliep betrekkelijk rustig aangezien elke kerk haar eigen weg ging. In de loop van de 20ste eeuw echter begon men serieus over eenwording te praten. Wat is er gebeurd?
[Illustraties op blz. 15]
Protestanten
Hendrik VIII 1509-1547a
Elizabeth I 1558-1603
Olivier Cromwell 1653-1658
Katholieken
Maria I 1553-1558
Karel I 1625-1649
Karel II 1660-1685
[Voetnoten]
a Regeringsperiode