Rechtschapenheid bewaren in nazi-Duitsland
ZOALS zo vele jonge mensen in het Duitsland van voor de Tweede Wereldoorlog hield ik van sport, vooral van turnen en voetbal. Mijn leven was met deze dingen gevuld. Dit zou echter anders worden.
Via een collega van mijn vader raakte ik bekend met de bijbel. Aanvankelijk stond ik sceptisch tegenover de dingen die deze Bibelforscher (Bijbelonderzoeker, zoals een getuige van Jehovah vroeger werd genoemd) te vertellen had. Later begonnen zijn woorden indruk te maken, vooral wat hij vertelde over Jezus Christus en zijn activiteiten als mens.
Een tijd van beproeving begint
Na de machtsovername door de nazi’s in 1933 werd de sportclub waarvan ik lid was, verboden. Deze ontwikkeling, te zamen met de dingen die ik uit de Schrift leerde, hielp mij om mij meer om geestelijke zaken te gaan bekommeren. In 1935 droeg ik mij aan Jehovah God op en symboliseerde dit door de waterdoop, en omstreeks diezelfde tijd trouwde ik met een medegelovige.
Moeilijke tijden waren begonnen en nog moeilijkere lagen in het verschiet. De eigenaar van de zaak waar ik werkte, ontving een brief van het Duitse Arbeidsfront, een suborganisatie van de N.S.D.A.P. (Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei, of nazi-partij). In de brief stond:
„Hierbij verzoeken wij u de bij u in dienst zijnde Bijbelonderzoeker ———— volgens de regels en voorschriften van uw firma te ontslaan, aangezien hij duidelijk de vrede van uw onderneming verstoort door geen lid te worden van het Duitse Arbeidsfront.” De eigenaar van de firma schikte zich naar de brief en ik raakte mijn baan kwijt, aangezien mijn geweten mij niet toestond mij bij een politieke partij aan te sluiten.
Een jaar later werden mijn schoonmoeder en ik gearresteerd. Er werden pogingen gedaan om mij ertoe te bewegen mijn geloof op te geven en mijn geestelijke broeders te verraden. Mijn weigering om mee te werken had tot gevolg dat ik op 25 november 1937 naar het concentratiekamp Buchenwald werd overgebracht. Mijn schoonmoeder werd ook naar een concentratiekamp gezonden.
Beproevingen op de rechtschapenheid in Buchenwald
Mijn gevangenschap in Buchenwald duurde bijna acht jaar. Hier zou ik aan mijn eind moeten komen — althans, dat dachten satanische mannen. De Duitse SS-bewakers zeiden herhaaldelijk tegen ons: „Jullie komen hier niet levend vandaan.” Ik moest werken van vier uur ’s morgens tot zonsondergang, en dat ondanks het karige eten. Maar dank zij Jehovah God, jegens wie ik mijn rechtschapenheid wilde bewaren, was ik in staat voort te gaan.
Gedurende zulke moeilijke tijden was geestelijk voedsel heel belangrijk. Hoe wij daaraan kwamen in het concentratiekamp? Van tijd tot tijd werden er meer getuigen van Jehovah Buchenwald binnengebracht. Zij werden niet alleen uit Duitsland, maar ook uit Nederland, België en Frankrijk aangevoerd. Wat zij zich ook maar herinnerden van wat zij in recente uitgaven van De Wachttoren hadden gelezen, werd opgeschreven en via onze geheime distributiekanalen aan mede-Getuigen doorgegeven. Zo ontvingen wij het geestelijke voedsel dat wij zo dringend nodig hadden om onze rechtschapenheid te kunnen bewaren.
Onze toevoer van geestelijk voedsel bleef echter niet geheim, hoewel de bewakers er niet in slaagden te weten te komen hoe wij het ontvingen. Op een dag kregen wij het volgende ultimatum: Als alle drukwerk morgen om 12 uur niet is ingeleverd, zal elke tweede man worden doodgeschoten. In een concentratiekamp was dat niet altijd een loos dreigement!
Onze broeders die verantwoordelijk waren voor het geschreven materiaal, vonden er iets op om bij elkaar te komen om de zaak te bespreken en samen te bidden. Er werd besloten gedeelten van onze met de hand geschreven „voedselvoorraad” in te leveren. In deze geschriften werden verscheidene onchristelijke praktijken van de Katholieke Kerk aan de kaak gesteld. Het besluit om dergelijk materiaal in te leveren bracht goede resultaten. Niemand werd geëxecuteerd en er werd een goed getuigenis gegeven. Sommige SS-officieren toonden zelfs belangstelling voor wat er op schrift was gesteld.
Wij waren ook in staat andere kampen van geestelijk voedsel te voorzien. Wanneer er broeders van Buchenwald naar andere kampen werden overgeplaatst, riskeerden zij hun leven door op hun lichaam met de hand geschreven bijbelse waarheden te verbergen. En in Buchenwald zelf organiseerden wij een speciale campagne om getuigenis te geven aan andere gevangenen, en bereikten zo duizenden van hen met het goede nieuws.
Het geloof verloochenen of sterven
Toen in 1939 de Tweede Wereldoorlog begon, ondergingen wij de moeilijkste beproeving. Men eiste dat wij een verklaring tekenden waarin stond dat wij ons geloof hadden laten varen en bereid waren namen te noemen van personen die actief de leer van de Bijbelonderzoekers voorstonden. Als wij tekenden, zouden wij worden vrijgelaten. Elke Getuige die weigerde te tekenen, zou worden doodgeschoten.
Keer op keer gebruikte men dit dreigement. Wij kregen dan het bevel: „Bijbelonderzoekers, naar de poort!” Zo stonden wij daar — vel over been, in haveloze kleding. Op de torens bevonden zich gewapende bewakers. En weer herhaalde dan de kampcommandant zijn dreigement dat allen die weigerden te tekenen, ter dood gebracht zouden worden. Diepe stilte; niemand stapte de rij uit.
Bij één gelegenheid traden twee Getuigen die voorheen het document hadden ondertekend, naar voren en verklaarden dat zij hun handtekening ongedaan wilden maken! Zij verkozen met hun broeders te sterven. Bij de anders toch zo geharde SS-ers was er verbazing en zelfs angst. Als eerste reactie werd er niet gescholden, niet gedreigd, slechts het bevel gegeven: „Ingerukt! Niet voor werk melden.” Twee uur later weerklonken opnieuw de woorden: „Bijbelonderzoekers, naar de poort!” Dit „kat en muis”-spelletje ging drie dagen door.
Luid genoeg om voor ons hoorbaar te zijn, bespraken de SS-ers hoe wij op een rij gezet en doodgeschoten zouden worden. Wij hoorden een van de officieren zelfs zeggen: „Wij kunnen het beste om hen heen gaan staan en van alle kanten op hen schieten.” Maar dat dit eenvoudig een list was om het moreel te breken, werd duidelijk toen wij opnieuw op de appelplaats moesten aantreden.
Kampcommandant Huttig begon zijn toespraak met de weinig vleiende woorden: „Geboefte, stelletje zwijnen . . .” Maar wat kregen wij te horen? Niet de gebruikelijke bedreiging met de dood, maar: „De Führer is veel te goed voor jullie. De voltrekking van jullie vonnissen is uitgesteld tot na de overwinning.” Diepe dankbaarheid jegens Jehovah welde in ons op, ondanks het feit dat Huttig schreeuwde: „Maar onthoud . . . uitstel is geen afstel.” De vijand had verloren.
Een andere overwinning
Hoewel de omstandigheden in het daaropvolgende jaar wat draaglijker werden, stonden ons nog veel ontberingen te wachten. In één bitter koude winter werd ons opgedragen kleding te geven voor de Duitse troepen aan het oostfront. Toen wij weigerden op deze wijze de oorlogsinspanningen te ondersteunen, nam men ons onze handschoenen, oorwarmers, en onderhemden af. Ook onze leren schoenen werden in beslag genomen. In plaats daarvan kregen wij een soort schoeisel met houten zolen. Ondanks het gebrek aan kleren werden wij gedwongen aan het werk te gaan, zelfs bij temperaturen van -15° Celsius.
Op een dag werd afgekondigd dat Bijbelonderzoekers alle medische hulp in het kamphospitaal geweigerd zou worden. Bijgevolg werden wij des te meer gedwongen elkaar te ondersteunen en de zieken te helpen en te verzorgen en hen als het ware mee te slepen (Galáten 6:2). Deze maatregel, die bedoeld was om onze weerstand te breken, had in werkelijkheid het tegenovergestelde effect. Ja, wij begonnen in deze kwestie zelfs de hand van onze God te onderscheiden!
Aangezien wij de zieken en de zwakken met christelijke liefde verzorgden, hadden wij geen sterfgevallen. Daarentegen stierven veel gevangenen die in het kamphospitaal werden behandeld. Natuurlijk konden de van God vervreemde, tot onmensen verworden SS-ers niet begrijpen wat door liefde kon worden bereikt. Enige tijd later schudde een SS-arts ongelovig zijn hoofd toen hij zag dat wij nog steeds voltallig op appel verschenen en zei: „Een medisch wonder.”
De viering van het Avondmaal
Het was maart 1942 en de tijd naderde voor de viering van het Avondmaal des Heren, de gedachtenisviering van Christus’ dood. Maar hoe konden wij dat organiseren in een concentratiekamp? Eén broeder slaagde erin aan beddelakens te komen die gebruikt konden worden als tafellakens; de SS-commandant die daar toestemming voor gaf, dacht dat ze voor een verjaarsfeestje gebruikt zouden worden. De gedachtenisviering zou in de D-vleugel van ons blok gehouden worden.
De broeders van de eerste groep waren de D-vleugel binnengesmokkeld en waren reeds bijeen voor de viering. Andere broeders die zich heel achteloos buiten de kamer ophielden, fungeerden als wachtposten. Plotseling gebeurde er iets onverwachts. De commandant was onderweg voor een routinecontrole! En hij ging regelrecht op de D-vleugel af. Het hart van de broeders die de wacht hielden, stond haast stil. Zij konden niets doen. De commandant kwam de trap op. In stilte zonden zij een gebed op. Halverwege de trap stond de commandant stil, keek om zich heen en ging om onverklaarbare reden weer naar beneden.
Zelfs nu, 40 jaar later, helpen herinneringen aan zulke gebeurtenissen mij om in welke omstandigheden ik mij ook bevind, volledig op Jehovah te vertrouwen. Hij veranderde schijnbaar hopeloze situaties in grootse bevrijdingen. — Jesaja 26:3, 4.
Een tijd van verademing
Aan het eind van de oorlog werden wij uit het kamp bevrijd. Wij voelden ons als de Israëlieten in de oudheid, over wie werd gezegd: „Toen Jehovah de gevangenen van Sion liet terugkeren, werden wij als degenen die droomden. In die tijd werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met vreugdegeroep.” — Psalm 126:1, 2.
Mijn vrouw was kort voor het eind van de Tweede Wereldoorlog gearresteerd om naar een concentratiekamp gezonden te worden. Mijn schoonmoeder had in Ravensbrück gezeten en was net enkele maanden voor het eind van de oorlog door de SS naar Opper-Beieren overgebracht. Maar in 1945 keerden wij allen naar huis terug. Wij waren blij dat wij weer verenigd waren, dankbaar dat wij onze rechtschapenheid hadden bewaard en vol waardering dat wij weer in vrijheid onze aanbidding van Jehovah konden voortzetten.
Opnieuw gearresteerd
Enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog werd ik wegens een verbod op de activiteiten van Jehovah’s Getuigen in het land waar ik woonde, opnieuw gearresteerd en bijna vier jaar was ik van mijn gezin gescheiden. Gedurende deze moeilijke tijd voelden wij herhaaldelijk de steun van Jehovah, onze barmhartige God.
Na de oorlog werden wij gezegend met een zoon, en toen hij volwassen was geworden, moest ook hij zijn beslissing nemen in verband met het beginsel van neutraliteit dat de bijbel in Jesaja 2:4 uiteenzet. Tot onze vreugde koos hij de weg van rechtschapenheid tegenover Jehovah. Zo maakte hij gedurende twee jaar kennis met het gevangenisleven.
Omdat wij onze rechtschapenheid tegenover God hebben bewaard, kan onze kleine familie nu op een totaal van 23 jaar in concentratiekampen en gevangenissen terugkijken. Wij hoeven niet allen hetzelfde te ervaren. Maar wij staan elke dag tegenover de uitdaging in een verdorven wereld onze rechtschapenheid te bewaren. Moge ook u daarom het vaste besluit nemen uw rechtschapenheid te bewaren. U zult hier nooit spijt van hebben, want zoals de psalmist zegt: „Wat mij betreft, wegens mijn rechtschapenheid hebt gij mij ondersteund, en gij zult mij tot onbepaalde tijd voor uw aangezicht stellen. Gezegend zij Jehovah, de God van Israël, van onbepaalde tijd, ja, tot onbepaalde tijd” (Psalm 41:12, 13). — Aangezien de schrijver in een land woont waar de activiteiten van Jehovah’s Getuigen momenteel verboden zijn, wordt zijn naam niet genoemd.
[Inzet op blz. 11]
Elke Getuige die weigerde te tekenen, zou worden doodgeschoten
[Inzet op blz. 12]
De SS-officier zei: „Wij kunnen het beste om hen heen gaan staan en van alle kanten op hen schieten”
[Inzet op blz. 13]
Onze kleine familie kan op een totaal van 23 jaar in concentratiekampen en gevangenissen terugkijken
[Illustraties op blz. 10]
Concentratiekamp Buchenwald waar ik acht benarde jaren heb doorgebracht
[Verantwoording]
UPI/BETTMANN NEWSPHOTOS