Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g85 8/6 blz. 14-17
  • Ik was een rastafari

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik was een rastafari
  • Ontwaakt! 1985
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Wat rastafari’s geloven
  • Een taalbarrière
  • De ’vruchten van de schepping’ oogsten
  • Ik begin te twijfelen aan mijn geloofsovertuigingen
  • Ik vind bevredigende antwoorden
  • De Bijbel verandert levens
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2010
  • De Bijbel verandert levens
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
  • Ik wilde niet dood!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (publieksuitgave) 2017
  • De Bijbel verandert levens
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
Meer weergeven
Ontwaakt! 1985
g85 8/6 blz. 14-17

Ik was een rastafari

IK HAD lang haar en mijn ogen waren door het roken van marihuana vuil roodachtig van kleur. Ik moest niets hebben van dingen zoals een kam, papieren borden of bekertjes, of zelfs van de naam die ik van mijn ouders had gekregen! ’Maar waarom zou je zulke praktische en bruikbare dingen afwijzen’, vraagt u? Dat kwam omdat ik een rastafari was. Rastafari’s maken deel uit van een religieuze beweging die haar oorsprong vond op het eiland Jamaica. Laat ik u uitleggen hoe ik een rastafari werd en wat zij geloven.

Het begon allemaal toen ik op een dag onder een boom in mijn bijbel zat te lezen en een ganja-(marihuana-)sigaar zat te roken. Een rastafari kwam naar mij toe en stak er ook een op. Toen wij aan de praat raakten, verzekerde hij mij dat er een manier was waarop de mens kon blijven leven zonder te sterven. Ik wilde meer horen en dus legde hij mij de fundamentele geloofsovertuigingen van de rastafari’s uit.

Wat rastafari’s geloven

Later kwam ik erachter dat er verschillende groepen rastafari’s zijn, en dat elke groep er haar eigen ideeën op na houdt. Maar ze zijn het over één fundamenteel punt eens — dat Haile Selassie, de vroegere keizer van Ethiopië, de reïncarnatie van Jezus Christus was, dat hij de Koning der koningen en Heer der heren was en de overwinnende ’Leeuw uit de stam Juda’. — Openbaring 5:5.

Degene die mij deze dingen leerde, was verbonden met de groep rastafari’s die zichzelf „Hoogtepunten der Schepping” noemden, en zo begon ook ik met die groep om te gaan. Wij bezagen onszelf als een deel van de schepping — net zoals de dieren en planten dat zijn. Bliksem, donder en andere natuurverschijnselen bezagen wij met eerbied en ontzag — alsof het God was die sprak.

Wij weigerden vlees, vis of wat maar ook van dien aard te eten; de gedachte daarachter was dat deze dieren sterven en vergaan, en dat zou ook gebeuren met degenen die ze eten. Anderzijds blijven groenten zoals spinazie doorgroeien nadat ze zijn afgesneden. Dus degenen die zich met deze dingen voeden, hebben de mogelijkheid eeuwig te leven, zo dachten wij. Slechts als iemand een ernstige zonde beging, zou hij de dood ondergaan.

Mijn groep bezag de blanke als een deel van de schepping, maar als inferieur aan de zwarte, die de ’heer der schepping’ is. Maar sommige rastafari-groeperingen koesteren een intense haat tegen de blanken wegens het kwaad van de slavenhandel en het vermoorden, verkrachten en mishandelen van de zwarte slaven door de blanken. Zulke rastafari’s geloven dat de slavernij die de zwarten werd opgelegd, door revolutie en bloedvergieten moet worden gewroken en dat ten slotte alle zwarten moeten terugkeren naar hun thuisland in Afrika, waar zij tegen hun wil vandaan waren gehaald.

De filosofie die ik mij eigen maakte, was in mijn ogen eenvoudig. Er is geen andere leider dan de „goddelijke” Haile Selassie, wiens naam voor zijn kroning Ras Tafari was (vandaar de naam rastafari). Mijn levensdoel was de juiste kijk te bezitten op de schepping en de wetenschap te hebben dat ik een zoon van God was. Het betekende dat ik slechts dat wat God had geschapen, zo volledig mogelijk moest benutten en zo min mogelijk gebruik moest maken van wat mensen hadden voortgebracht. Daarom moest ik niets van een kam hebben — die was door mensen gemaakt. Ik liet mijn haar dus groeien zoals de bomen hun gebladerte.

Volgens dezelfde redenatie gebruikte ik geen borden of bekers — ze werden vervangen door schoongemaakte kalebassen. Van papier gemaakte dingen werden ook weggedaan en daar was de bijbel bij inbegrepen. Ik geloofde dat de dingen die God had gemaakt, van mij waren en niet betaald hoefden te worden, ongeacht wie de eigenaar ervan was of wie het beheerde. Zo vond ik dat de gewassen die een ander op zijn veld had staan, in werkelijkheid van mij waren. Degenen die zeiden dat het van hen was en er geld voor vroegen, hadden niet het recht dat te doen.

Een taalbarrière

Mijn nieuwe levenswijze schiep een taalbarrière tussen mij en degenen die geen rastafari’s waren. Wat ons betrof, moesten zelfs de namen die wij van onze ouders hadden gekregen, verworpen worden als voortbrengselen van de geïndustrialiseerde wereld. Zo kreeg het persoonlijk voornaamwoord „ik” een speciale betekenis. God was de allereerste „ik” en elke rastafari was ook „ik”. Om personen van elkaar te onderscheiden werden bijvoeglijke naamwoorden die de omvang, lengte, enzovoort beschreven, aan „ik” verbonden. Daarom noemde men mij omdat ik klein van postuur ben, „kleine ik”. Zelfs de namen van voedingsmiddelen werden veranderd door een letter te vervangen door de „i” [het Engelse „I”, „ik”]. „Banana” [banaan] werd dus „ianana”.

Wij veranderden de Engelse taal ook op andere manieren. Van ons standpunt uit bekeken kon iemand bijvoorbeeld niet „terugkomen”, net zoals het onmogelijk is de tijd te laten teruglopen. „Terugkomen” werd dus „voorwaarts komen”. Ook werden woorden veranderd om ze in overeenstemming te brengen met onze manier van denken. „Oppressor” [onderdrukker] werd „down-pressor” [„neerdrukker”] omdat de beginlettergreep van het eerste woord klinkt als „up”, iets goeds, iets verheffends, terwijl „down” [„neer”] met de betekenis van het woord onderdrukker overeenstemt. Ten slotte kon ik met dit soort indoctrinatie het simpelste zinnetje al haast niet meer in normaal Engels zeggen, hoewel ik in de stad Montego Bay vijf jaar op het Cornwall College had gezeten!

Deze nieuwe filosofie leidde ook tot onenigheid met mijn ouders omdat ik oneerbiedig werd en hen in de smerigste taal vervloekte. Mijn uiterlijk en mijn gedrag brachten schande over het gezin. Ten slotte wees mijn vader mij de deur. Ik pakte dus een paar eigendommen in en vertrok om een levenswijze te gaan volgen die mij naar mijn stellige idee werkelijk zou bevredigen.

De ’vruchten van de schepping’ oogsten

Ik werd een zware marihuanaroker. Onder invloed daarvan zette ik de zorgen des levens van mij af. Ik zat dan te mediteren totdat ik het gevoel had dat ik was opgegaan in de natuur om mij heen, en een deel werd van de schepping. Het verlangen om te zitten mediteren leidde tot luiheid. Ik gaf mijn baan als musicus op zodat ik meer tijd in de bergen kon doorbrengen om in nauw contact met God te staan; daar deelde ik een hut met twee andere rastafari’s.

Na verloop van tijd begon het geld op te raken. Wij begonnen dus wat van „Vaders schepping” te verzamelen van de mensen die er, volgens onze geloofsovertuiging, ten onrechte aanspraak op maakten en er geld voor verlangden. ’s Avonds plunderden wij dus de nabijgelegen boerderijen. Deze plundertochten werden aan de politie gemeld en de politie en wij werden gezworen vijanden van elkaar. Wij bezagen hen als vijanden die ons uit de „schepping” wilden verdrijven. Overdag omsingelden zij onze hut, schoten op ons, sloegen ons en waarschuwden ons de stad te verlaten. Maar ’s nachts was het omgekeerd — dan gingen wij in de aanval om de ’vruchten van de schepping’ te oogsten.

Bij één gelegenheid werd ik gearresteerd en beschuldigd van ontvoering maar werd later weer vrijgelaten. Dit maakte mij brutaler en sterkte mij in mijn overtuiging dat ik een ’zoon van God’ was. Ik werd echter een tweede maal gearresteerd op grond van vijf verschillende tenlasteleggingen — beroving, bedreiging, het in bezit hebben van gestolen goederen, het in bezit hebben van ganja, en het rijden in een motorvoertuig dat niet in orde was.

Deze keer scheen God mij vergeten te zijn, want ik werd hevig geslagen door de politie en voor drie maanden in de gevangenis gestopt zonder mogelijkheid van borgtocht. Mettertijd werd ik voorgeleid. Er waren echter vele invloedrijke personen die mij kenden en ten behoeve van mij om clementie pleitten, en dat redde mij uit de gevangenis. Enkelen van mijn metgezellen onder de rastafari’s met wie ik veel omgang had gehad, waren minder gelukkig. Eén werd veroordeeld tot vier jaar dwangarbeid en van een ander werd de bewegingsvrijheid beperkt tot zijn geboortestreek. Later vond men van twee andere leden de lijken in dichtgebonden jute zakken; klaarblijkelijk hadden zij zich ingelaten met buitenlandse drugssmokkelaars.

Ik begin te twijfelen aan mijn geloofsovertuigingen

Door deze moeilijkheden begon ik mij af te vragen of de dingen die ik geloofde wel juist waren. Bovendien kwamen sommigen van mijn mederastafari’s met een nieuw idee — zij waren niet langer zonen van God, maar elk van hen was God zelf. Ik weigerde dat te aanvaarden. Deze en andere meningsverschillen veroorzaakten onderlinge twist. Ten slotte besloot ik maar naar huis terug te keren — maar ik was nog steeds een rastafari in mijn denken. Ik hield bij tussenpozen contact met mijn mederastafari’s.

Nu verlangde ik met iemand te praten, maar niet-rastafari’s konden mijn taaltje niet verstaan. Ik herinnerde mij de troost die ik eens uit het lezen van de bijbel had geput, en daarom begon ik hem opnieuw te lezen. Onder het lezen kwam ik schriftplaatsen tegen die mij aan het denken zetten. In Psalm 1:1 las ik bijvoorbeeld: „Gelukkig is de man die niet in de raad der goddelozen heeft gewandeld.” Ik bezag mijn metgezellen onder de rastafari’s als „goddelozen” vanwege hun nieuwe aanspraak op goddelijkheid. Ook las ik in 1 Korinthiërs 11:14: „Leert de natuur zelf u niet dat indien een man lang haar heeft, dit hem tot oneer strekt?” Ik had echter lang haar.

Geleidelijk aan begon ik steeds meer dingen die ik geloofde in twijfel te trekken. In mij begon een verlangen te groeien de ware God op de juiste wijze te aanbidden. Ik raakte ervan overtuigd dat de beweging van de rastafari’s toch niet mijn behoeften had kunnen bevredigen: mijn behoefte aan een duidelijk begrip van wie de Schepper is, mijn behoefte aan een zeker fundament voor het eeuwige leven, mijn behoefte aan een werkelijke broederschap gebaseerd op liefde en begrip, en mijn behoefte om de reden te begrijpen voor alle onbillijkheden in het sociale systeem van de wereld.

Ik vind bevredigende antwoorden

Ik wist echter niet waarheen ik mij moest wenden voor de werkelijke bevrediging van mijn behoeften. Soms ging ik zitten en schreeuwde om hulp, de Schepper, wie dat ook mocht zijn, smekend mij toch te helpen. Toen bezochten op een dag twee getuigen van Jehovah het huis van mijn ouders en begonnen over de bijbel te praten. Ik luisterde maar half totdat het woord Armageddon viel.

„Daar weet ik alles van”, vertelde ik hun. „En ik zal het beleven en er getuige van zijn.”

„Geloof je dat het nodig is een getuige van Jehovah te zijn?” vroeg een van hen.

„Wie is Jehovah?”

Daarop sloeg hij prompt Psalm 83:18 op waar staat: „Opdat men weet dat gij, wiens naam Jehovah is, gij alleen de Allerhoogste zijt over heel de aarde.”

Voor het eerst kreeg de naam Jehovah’s Getuigen betekenis voor mij. Voorheen had ik de Getuigen afgedaan als een kerkgenootschap zoals er zo vele zijn, een van die kerken die ik allemaal als vals had afgeschreven. Maar nu wilde ik graag het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt van hen hebben. Ik begon het onmiddellijk te lezen.

Vooral het hoofdstuk „Wie is God?” interesseerde mij zeer. Ik kan mij herinneren dat ik de naam „Jehovah” hardop heb zitten herhalen, net als een baby die een nieuw woord leert. Mettertijd werd mijn behoefte om te weten wie de ware God is, bevredigd.

Het hoofdstuk „Een rechtvaardige heerschappij maakt de aarde tot een paradijs” bevredigde vervolgens mijn behoefte aan een rechtvaardig, onpartijdig samenstel van dingen op aarde. Hoe dankbaar was ik te vernemen dat spoedig de hele aarde een paradijs zal worden en een schone, onbedorven atmosfeer zal hebben! En ik was met geestdrift vervuld over het vooruitzicht eeuwig te leven zonder de noodzaak mij terug te trekken in de heuvels om de goddeloze beschaving te ontvluchten! — Psalm 37:9-11, 29; Lukas 23:43; Openbaring 11:18.

Op deze wijze kwam ik tot de conclusie dat de weg die ik gekozen had om God te aanbidden, onbevredigend was. Dus vroeg ik een van mijn familieleden mijn lange haar af te knippen, en ik begon alle banden met mijn metgezellen onder de rastafari’s te verbreken. Dit was echter niet eenvoudig. Zij bezagen mij als een verrader en dreigden mij te doden. Maar dat schrikte mij niet af. Ik had het gevoel dat niets mij ervan kon weerhouden de bijbel te bestuderen, want ik had iets gevonden wat mijn behoeften werkelijk bevredigde.

Nadat ik mijzelf had opgeknapt, vond ik mijn weg naar de plaatselijke Koninkrijkszaal. Kort daarna sprak een pionier (een volle-tijdprediker van Jehovah’s Getuigen) met mij af om regelmatig de bijbel met mij te bestuderen. Hij was heel vriendelijk en geduldig. Dat moest ook wel. Af en toe kon hij mij niet eens verstaan wegens het rastafari-taaltje dat ik gebruikte!

Nu ik de waarheid had gevonden die mijn geestelijke behoeften had bevredigd, voelde ik mij verplicht dit goede nieuws met mijn ouders te delen. Mijn moeder reageerde gunstig en ging al gauw de vergaderingen in de Koninkrijkszaal bijwonen. Ook mijn vader was zeer onder de indruk van de verandering die mijn uiterlijk en persoonlijkheid hadden ondergaan. Ongeveer zes maanden nadat ik met studeren was begonnen, droeg ik mijn leven op aan het dienen van Jehovah God en werd gedoopt. Die vreugde werd nog vergroot toen ik zag dat mijn moeder enkele maanden na mij werd gedoopt.

Wanneer ik terugkijk en mij voor de geest haal hoe twee van mijn goede kameraden werden vermoord en andere rastafari’s nog steeds gevangenzitten, ben ik Jehovah dankbaar dat ik hem mag dienen! Nu ik de waarheid van Gods Woord met anderen kan delen en met liefhebbende christelijke broeders en zusters omga, heb ik beslist een gelukkige, bevredigende levenswijze gevonden. Bovendien heb ik de wonderbaarlijke hoop op eeuwig leven in een rechtvaardige Nieuwe Ordening waarin alle behoeften van de mensheid voor altijd zullen worden bevredigd (Psalm 145:16). — Ingezonden.

[Inzet op blz. 15]

Ik geloofde dat de dingen die door God waren gemaakt, van mij waren en niet betaald hoefden te worden, ongeacht wie de eigenaar ervan was

[Inzet op blz. 17]

Ik was met geestdrift vervuld over het vooruitzicht eeuwig te leven

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen