„Iemand kan geen grotere liefde hebben”
FRANÇOIS, een in Parijs wonende getuige van Jehovah, is goed bekend met de woorden van Jezus Christus: „Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt net zoals ik u heb liefgehad. Iemand kan geen grotere liefde hebben dan dat hij afstand doet van zijn ziel ten behoeve van zijn vrienden” (Johannes 15:12, 13). Maar toen François op 22 september vorig jaar ’s morgens wakker werd, kon hij in de verste verte niet vermoeden dat die woorden van Jezus vóór het verstrijken van de dag een heel nieuwe betekenis voor hem zouden krijgen.
Zoals gebruikelijk ging hij die namiddag naar de vergadering van de gemeente Parijs Centrum van Jehovah’s Getuigen die om 5.30 uur n.m. zou beginnen. De afgelopen 25 jaar heeft de gemeente vergaderd in een huurzaal op de derde etage van een oud kantoorgebouw. Het gebouw ligt aan een aantrekkelijk plein aan het eind van de beroemde Avenue de l’Opéra, dicht bij het Louvre.
In verband met zijn taak als zaalwachter stond François bij de toegangsdeur om eventuele laatkomers te verwelkomen. Toen de spreker ongeveer halverwege zijn bijbelse toespraak was gekomen, rook François plotseling een brandlucht. Daarop zag hij een sliertje rook onder de toegangsdeur door komen. François opende de deur en zag pal ervoor een groene koffer staan — waar rook uit kwam.
François greep de koffer en stormde de drie trappen af maar struikelde toen hij beneden in het trappenhuis aankwam. De koffer viel op de grond, sprong open en een oranje plastic jerrycan viel eruit. Snel sloot hij het deksel weer, rende met de rokende koffer in zijn armen het gebouw uit en snelde de straat over, waarbij hij op het nippertje wist te vermijden door een passerende auto aangereden te worden. Hij wierp de koffer in de waterbak van de fontein op het plein. Toen rende hij terug voor de jerrycan met benzine, bang dat ook dat misschien een bom was, snelde terug naar de fontein en wierp ook die in het water.
Inmiddels hadden twee ouderlingen van de gemeente de vergadering verlaten om te zien wat er aan de hand was en hadden zich bij de fontein bij hem gevoegd. Aangezien er nog steeds rook te voorschijn kwam uit de gedeeltelijk onder water liggende koffer, zei een van de ouderlingen dat zij onmiddellijk de politie moesten bellen. Nauwelijks hadden zij zich een paar stappen van de fontein verwijderd of de bom explodeerde. Van de gebouwen aan het plein werden ruiten verbrijzeld en verscheidene mensen raakten door vallend glas licht gewond. François en de ouderlingen die bij hem waren, werden met modder en fonteinwater bespat maar bleven ongedeerd. De fonteinbak had hen waarschijnlijk van de explosie afgeschermd.
Boven in de Koninkrijkszaal aan de overkant van de straat waren de ruiten gebroken en enkele toehoorders waren door de luchtdruk tegen de vloer geworpen. Maar niet één van de aanwezigen was gewond. De meeste glasscherven waren tegengehouden door de zware gordijnen.
De spreker van die avond moedigde de aanwezigen aan kalm te blijven. Nadat er een innig gebed tot Jehovah was opgezonden om hem voor zijn bescherming te danken, werd de vergadering voortgezet. Al gauw waren de politie en de brandweer ter plekke. Maar zij wachtten totdat de vergadering was afgelopen alvorens zij met hun onderzoek begonnen en de glasscherven in de zaal opruimden.
De beambten gaven de Getuigen een compliment voor hun kalmte, en hun lof gold in het bijzonder de moedige daad van François. Zij waren het er allen over eens dat de aanwezigen waarschijnlijk hun leven dankten aan zijn tegenwoordigheid van geest en zijn snelle optreden. Als de bom in het houten trappenhuis buiten de zaaldeur was ontploft en de jerrycan met benzine het gebouw in brand had gezet, dan zouden de vlammen hen hebben ingesloten.
De bomaanslag kreeg uitgebreide aandacht in de Franse media. Zelfs een Zwitserse krant berichtte erover onder een kop „Verbazingwekkende kalmte”. Wat François betreft, hij vroeg en kreeg ook politiebescherming tegen de verslaggevers van televisie en pers die hem in het centrum van de publieke belangstelling wilden brengen. Toen hij werd ondervraagd, verklaarde hij nederig: „Ik besefte dat onze levens in gevaar waren. Dus dacht ik dat ik beter alleen kon sterven dan dat wij allemaal zouden omkomen.”
Een van de agenten vertelde hem: „Het is een wonder dat u nog in leven bent. Uw God moet u beschermd hebben. U bent een echte getuige van Jehovah.”
Op het moment dat dit werd geschreven, was de politie nog steeds bezig te onderzoeken wie voor de bom verantwoordelijk was.