Wie was Jezus van Nazareth in werkelijkheid?
„OP DEZE allesbehalve retorische vraag bestaan minstens evenveel antwoorden als er boeken over hem zijn, en dat zijn er heel wat.” Aldus beantwoordde een vooraanstaande Europese krant de vraag: „Wie was Jezus van Nazareth?”
De verwarring wordt nog groter gemaakt door de uiteenlopende manieren waarop Jezus in de literatuur en in films wordt voorgesteld. Zoals één schrijver opmerkte, is Jezus afwisselend afgeschilderd als een „felle voorvechter van de onderdrukten”, een „gekruisigde clown”, een „warhoofdig mysticus”, en een „welmenende charlatan”. Maar wie was hij nu werkelijk?
Hoe dit te ontdekken
Er wordt door wereldse geschiedschrijversa uit de oudheid vaak genoeg naar Jezus verwezen om zijn bestaan bewezen te achten, maar zij verschaffen verder weinig informatie over hem. „Het is daarom onmogelijk”, zegt de Encyclopædia Britannica, „een biografie in de conventionele zin van het woord over Jezus te schrijven.” En met betrekking tot de bijbelse verslagen over Jezus’ leven en leer voegt deze bron eraan toe: „Veel moderne studenten zijn zo in beslag genomen door tegenstrijdige theorieën over Jezus en de Evangeliën dat zij verzuimd hebben deze fundamentele bronnen op zichzelf te bestuderen.”
Wij behoeven niet dezelfde vergissing te begaan. Wij hebben gemakkelijk toegang tot deze „fundamentele bronnen” waarvan de schrijvers hetzij intieme metgezellen van Jezus waren of persoonlijke omgang hadden gehad met degenen die dat wel waren. Nooit is er bewijsmateriaal aan het licht gebracht dat aanleiding heeft kunnen geven tot twijfel aan de waarheidsliefde van de mannen die deze evangelieverslagen over Jezus geschreven hebben. Integendeel. Zoals Sir Isaac Newton, de beroemde geleerde, eens zei: „Ik vind in de bijbel meer onmiskenbare blijken van authenticiteit dan in welke wereldse geschiedschrijving dan ook.” De achttiende-eeuwse Franse filosoof Jean Jacques Rousseau schreef: „Zullen wij aannemen dat de evangelische geschiedenis louter een verzinsel is? . . . Integendeel, niemand matigt zich aan de levensgeschiedenis van Socrates in twijfel te trekken, en toch is deze niet zo goed gedocumenteerd als die van Jezus Christus.”
Het zou daarom wijs zijn de eerder genoemde beschrijvingen van Jezus te beschouwen in het licht van het bijbelse verslag.
Was Jezus God?
Veel katholieken en protestanten zeggen dat Jezus God zelf was, „ware God van de ware God, . . . één van wezen met de Vader”. Dit geloof baseren zij op de Niceaanse Geloofsbelijdenis, die werd aangenomen door de minderheid van bisschoppen die in 325 G.T. deelnamen aan het Concilie van Nicea.
Maar bedenk eens: Hoewel het waar is dat Jezus heeft gezegd: „Ik en de Vader zijn één” (Johannes 10:30), bad hij ook dat zijn volgelingen „één” mochten zijn, toen hij zei: „Evenals gij, Vader, in eendracht met mij zijt en ik in eendracht met u ben, dat ook zij in eendracht met ons mogen zijn” (Johannes 17:21). Zou dit duiden op eenheid van persoon, of veeleer op eenheid van voornemen?
En hoewel het waar is dat Jezus heeft gezegd: „Wie mij heeft gezien, heeft ook de Vader gezien” (Johannes 14:9), is ook waar wat Paulus over Jezus geschreven heeft: „Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping” (Kolossenzen 1:15, Willibrordvertaling, katholiek). Wanneer iemand over een eerstgeboren zoon van een man zegt dat hij het „sprekend evenbeeld” van zijn vader is, bedoelt hij dan dat hij denkt dat zij dezelfde persoon zijn, of alleen maar dat hij vindt dat zij in uiterlijk en karakter zeer sterk op elkaar lijken?
Als Jezus „ware God van de ware God” was, waarom zei hij dan: „De Vader is groter dan Ik”? (Johannes 14:28, WV) Waarom zei hij tot God: „Niet mijn wil, maar uw wil geschiede”, tenzij zij twee verschillende personen waren, ieder met een eigen wil? — Lukas 22:42, WV.
Niets anders dan een gewoon mens?
Veel modernisten zijn het niet eens met de zienswijze dat Jezus „ware God van de ware God” is. Een Westduitse gewezen lutherse predikant bijvoorbeeld zei dat Jezus een normaal mens was die goede dingen wist te zeggen en die later door de vroegere christenen werd verheerlijkt als de Zoon van God. Als Jezus maar een gewoon mens was, hoe verklaren wij dan zijn goedgedocumenteerde vermogen om de elementen te beheersen, om zieken te genezen en zelfs doden op te wekken? (Zie Matthéüs 8:23-27; 9:18-26; Markus 8:22-26.) Hoe verklaren wij zijn vermogen dingen te profeteren die vele jaren na zijn dood zijn gebeurd, ja zelfs gebeurtenissen die zich in deze tijd afspelen? (Zie Matthéüs hoofdstuk 24 en Lukas hoofdstuk 21.) En als de vroege christenen Jezus op een later tijdstip hebben verheerlijkt als de Zoon van God, hoe kunnen wij dan verklaren dat Johannes de Doper helemaal aan het begin van Jezus’ bediening uitriep: „Ik heb getuigenis afgelegd dat deze de Zoon van God is”? — Johannes 1:34; zie ook Matthéüs 16:15, 16.
Misschien bent u van mening dat de waarheid omtrent Jezus ergens in het midden tussen de twee hierboven besproken zienswijzen ligt. Veel unitariërs bijvoorbeeld geloven dat Jezus „geen vóórbestaan had gehad als Zoon van God maar slechts een mens was . . ., door God ’geadopteerd’ bij zijn doop toen hij de goddelijke kracht ontving . . . om hem in staat te stellen zijn verlossingsopdracht te vervullen”. Theodotus van Byzantium heeft deze gedachte tijdens de laatste helft van de tweede eeuw G.T. gepropageerd.
Als Jezus echter de natuurlijke zoon van Jozef en Maria was, waarom zegt Lukas 3:23 dan: „Deze Jezus was bovendien, toen hij met zijn werk begon, ongeveer dertig jaar, terwijl hij, naar men meende, de zoon was van Jozef”? En waarom gaf de engel op Maria’s vraag: „Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?” het volgende antwoord: „Heilige geest zal over u komen . . . Daarom ook zal hetgeen wordt geboren, heilig, Gods Zoon, worden genoemd”? — Lukas 1:34, 35.
Als Jezus Gods adoptiefzoon was in plaats van zijn natuurlijke zoon, waarom zei God dan bij zijn doop niet: „Gij zijt mijn Adoptiefzoon, de geliefde”, in plaats van te zeggen: „Gij zijt mijn Zoon”? — Lukas 3:22.
Slechts een profeet?
Of Jezus nu al dan niet geadopteerd was, velen zullen het erover eens zijn dat er een intieme verhouding bestond tussen Jezus en God. De zienswijze van de koran bijvoorbeeld is dat Jezus een van Gods profeten was, hoewel niet Gods Zoon noch iemand die een offerandelijke dood gestorven is. De koran beweert trouwens dat „Allah nimmer een zoon heeft verwekt”.b Gelovigen krijgen zelfs de opdracht „hen te vermanen die zeggen dat Allah een zoon heeft verwekt”, omdat „dat wat zij uitspreken een gruwelijke godslastering is”.
De koran geeft toe dat „het Boek van Mozes eerder onthuld werd dan deze”, en noemt het „een gids en een zegen voor alle mensen”, en voegt eraan toe: „Dit Boek bevestigt het.” Ook beweert de koran dat hij „geen verzonnen verhaal maar een bevestiging van eerdere geschriften” is. Welnu, indien de koran „een bevestiging van eerdere geschriften” is, in het bijzonder van het „Boek van Mozes”, hoe staat het dan met de schriftplaats in Genesis 6:2, 4, waar gesproken wordt over „de zonen van de ware God” en Exodus 4:22, waar staat: „Dit heeft Jehovah gezegd: ’Israël is mijn zoon, mijn eerstgeborene’”? Waarom zou God zelf in een illustratie zeggen dat hij een zoon heeft, indien dat idee zulk „een gruwelijke godslastering” is?
Als Jezus een ware profeet van God was en toch niet Gods Zoon, waarom sprak hij dan herhaaldelijk over God als zijn Vader? In Matthéüs 11:27 zegt hij zelfs over zichzelf: „Noch kent iemand de Vader volledig dan de Zoon.”
Een bedrieger?
Het joodse standpunt verwerpt het idee dat Jezus een profeet van God was en zegt dat Jezus in het gunstigste geval een groot leraar was; in het ergste geval een bedrieger, maar in geen geval de Messías van Israël of de Zoon van God.
Indien Jezus een bedrieger was, een valse Messías, hoe verklaren wij dan dat hij tientallen profetieën heeft vervuld die in de Hebreeuwse Geschriften zijn opgenomen om de ware Messías te identificeren, waaronder vele waarop hij onmogelijk invloed had kunnen uitoefenen?
Wie hij werkelijk was
Dit brengt ons tot de laatste hierboven vermelde uitspraak, dat Jezus van Nazareth de Christus was, de gezalfde van God — niet God zelf maar zijn eerstgeboren Zoon — in de gedaante van een volmaakt mens naar de aarde gezonden om als Gods profeet te dienen, om getuigenis af te leggen van de waarheid, en om zijn leven te geven als een loskoopoffer voor de mensheid. Deze zienswijze, die wordt ondersteund door het historische bewijsmateriaal in de bijbel, is de zienswijze die door Jehovah’s Getuigen wordt onderwezen.
Jezus was verre van een „felle voorvechter van de onderdrukten”, een „gekruisigde clown”, „warhoofdig mysticus” of „welmenende charlatan”, maar daarentegen de meest evenwichtige persoon die ooit heeft geleefd. Hij was een moedig, mannelijk en krachtig man, maar hij schaamde zich niet om tederheid te tonen; een man die kon genieten van een bruiloftsfeest, maar die geestelijke belangen altijd de eerste plaats toekende; een man die vasthield aan zijn volmaaktheid hoewel hij nooit veeleisend, arrogant of uit de hoogte was jegens anderen. — Matthéüs hoofdstuk 23; 11:28-30; Johannes 13:1-16; 2:1-12.
Jezus van Nazareth — Wie is hij thans?
De aardse man Jezus van Nazareth bestaat niet meer. Hij werd in 33 G.T. ter dood gebracht. Maar bij zijn doop, drie en een half jaar tevoren, had er een verandering plaatsgevonden. Gezalfd met Gods heilige geest werd Jezus van Nazareth Jezus Christus — de gezalfde, de beloofde Messías. En in die hoedanigheid werd hij op de derde dag na zijn dood door God tot hemels leven opgewekt. Dus hoewel de mens Jezus van Nazareth dood is, leeft Jezus Christus. Hoe belangrijk het dus ook is te weten wie Jezus van Nazareth was, het is nog belangrijker te weten wie Jezus Christus is. — Handelingen 10:37-43.
Christus is thans, levend en in de hemel, de heerser van een hemelse regering die weldra de aarde van goddeloosheid zal bevrijden. Stel u voor welke zegeningen deze volmaakte regering zal brengen! „Aan vrede zal geen einde zijn”, belooft Jesaja 9:6, 7. „Zijn koninkrijk” zal stevig bevestigd worden „door middel van gerechtigheid en door middel van rechtvaardigheid”. Voor hoe lang? „Van nu aan en tot onbepaalde tijd”, antwoordt de schriftplaats. En welke garantie hebben wij dat dit werkelijk zal geschieden? „Ja, de ijver van Jehovah der legerscharen zal dit doen.”
Zou u graag meer te weten komen over het schitterende vooruitzicht onder de heerschappij van deze „vredevorst” op een paradijsaarde te leven? Zo ja, voel u dan vrij Jehovah’s Getuigen om nadere inlichtingen te vragen zodat ook u de werkelijke Jezus Christus kunt leren kennen.
[Voetnoten]
a Onder anderen de joodse historicus Josephus, de Romeinse historicus Tacitus, en de Romeinse letterkundige Plinius de Jongere.
b De aanhalingen uit de koran (vertaling van N. J. Dawood) zijn achtereenvolgens soera 23:92; 18:5, 6; 46:13 en 12:112.
[Kader/Illustratie op blz. 10]
PLAATS EEN TEKENTJE BIJ DE ENE UITSPRAAK DIE CORRECT BESCHRIJFT WIE JEZUS WAS
___ God zelf, „ware God van de ware God . . . één van wezen met de Vader”
___ ’een normaal mens die goede dingen wist te zeggen en die later door de vroegere christenen werd verheerlijkt als de Zoon van God’
___ de natuurlijke zoon van Jozef en Maria, door God ten tijde van zijn doop „geadopteerd”
___ een van Gods profeten maar niet Gods Zoon noch iemand die een offerandelijke dood gestorven is
___ in het gunstigste geval een groot leraar; in het ergste geval een bedrieger — maar in geen geval de Messías van Israël of de Zoon van God
___ de Christus, Gods gezalfde — niet God zelf maar zijn eerstgeboren Zoon — in de gedaante van een volmaakt mens naar de aarde gezonden om als Gods profeet te dienen, om getuigenis af te leggen van de waarheid, en om zijn leven te geven als een loskoopoffer voor de mensheid
[Tabel op blz. 12]
OPVALLENDE PROFETIEËN BETREFFENDE JEZUS EN DE VERVULLING ERVAN
Gen. 49:10 Geboren uit de stam Juda Luk. 3:23-33;
Jes. 9:7; Uit de familie van David, Matth. 1:1; 9:27;
11:10 de zoon van Isaï Hand. 13:22, 23
Micha 5:2 Geboren in Bethlehem Luk. 2:4-11;
Jes. 7:14 Geboren uit een maagd Matth. 1:18-23
Jes. 53:4 Droeg onze ziekten Matth. 8:16, 17
Zach. 9:9 Intocht in Jeruzalem Matth. 21:1-9;
op een ezelsveulen Joh. 12:12-15
Jes. 28:16; Verworpen maar wordt Matth. 21:42-46;
Ps. 118:22, 23 de hoofdhoeksteen 1 Petr. 2:7
Jes. 8:14, 15 Wordt steen der Luk. 20:17, 18;
struikeling Rom. 9:31-33
Jes. 53:8 Berecht en veroordeeld Matth. 26:57-68;
Jes. 53:12 Onder de zondaars Matth. 27:38;
gerekend Luk. 22:37
Jes. 53:5; Doorboord Matth. 27:49;
Jes. 53:5, 8, Sterft offerandelijke Matth. 20:28;
11, 12 dood om zonden weg te Hebr. 9:12-15;
dragen en de weg te 1 Joh. 2:2
effenen voor
rechtvaardige positie voor
het aangezicht van God
Jes. 53:9 Begraven bij de rijken Matth. 27:57-60;
Jona 1:17; Gedeelten van drie dagen Matth. 12:39, 40;
2:10 in het graf, vervolgens 16:21;
opgewekt 1 Kor. 15:3-8