„Blindvliegen” — Hoe doet men dat?
Wij vlogen van Parijs naar Rotterdam. Het was erg slecht weer. Ik bereidde mij voor op een instrumentlanding. Toen mijn nerveuze passagier en vriend, die naast mij in de stoel van de co-piloot zat, het landingsgestel hoorde uitklappen, vroeg hij bezorgd: „Kun je de landingsbaan zien?”
„De baan ligt daar beneden links”, antwoordde ik kalm. Hij hoefde zich nergens bezorgd over te maken.
ENIGE tijd later, inmiddels weer in Frankrijk, was ik een avond bij deze vriend op visite toen hij plotseling zei: „Je hebt werkelijk ongelooflijk scherpe ogen!” Toen hij mijn verbaasde stilzwijgen opmerkte, vervolgde hij: „Toen wij in Rotterdam gingen landen, zag je de landingsbaan een eeuwigheid voordat ik hem opmerkte. Ik zag hem pas vlak voordat we landden.”
„Mijn ogen zijn heus niet zo uitzonderlijk scherp”, zei ik. „Radio-instrumenten vervangen feitelijk mijn ogen. Daaraan is te danken dat ik het vliegveld kan ’zien’, zelfs wanneer het zicht nul is.”
„Maar hoe is dat mogelijk?” vroeg hij.
Het begon tot mij door te dringen hoe raadselachtig de rijen knoppen en meters in een vliegtuig de gemiddelde persoon moeten toeschijnen. En ongetwijfeld voelen veel passagiers op commerciële lijnvluchten een lichte paniek als zij hun vliegtuig zien dalen naar een schijnbaar onzichtbare landingsbaan!
„Zien” met de radio
„In de eerste plaats moet je bedenken dat vliegen niet alleen op het zicht wordt gedaan. Het is waar dat een piloot zich kan laten leiden door herkenbare punten op de grond en landkaarten, en dat gebeurt ook inderdaad, maar hij steunt daarbij ook op zijn radio. Vaak is het niet praktisch een route op het zicht te volgen. Onderweg zijn er dus radiobakens die een speciaal signaal uitstralen; elk daarvan heeft zijn eigen specifieke frequentie en identificatiecode. Aan boord ontvangt de piloot deze signalen op zijn ADF (automatische richtingzoeker) of radiokompas.”
„Hoe werkt dat?”
„Het oude radiokompas was eenvoudig een radio-ontvanger met een ronddraaiende hoepelvormige antenne. Dit soort antenne krijgt het beste signaal wanneer de zijkant van de hoepel naar de zender is gericht. Maar het signaal wordt zwakker wanneer het vlak van de hoepel loodrecht op de richting van de zender staat. Op die manier kon de piloot de richting van de zender bepalen.”
„Was dat net zo iets als het heen en weer draaien van een transistorradio waarbij je merkt dat de muziek harder of zachter doorkomt?”
„Ja, in de grond der zaak komt dat op hetzelfde neer.”
„Maar hoe kon je nu weten of de zender zich vóór of achter het vliegtuig bevond?” vroeg mijn vriend. „Als je een radio 180 graden draait, krijg je precies dezelfde ontvangst.”
„Daar waren vroeger ook problemen mee”, gaf ik toe. „Daarom moesten wij destijds voor onze peilingen twee opeenvolgende metingen doen. Tegenwoordig heeft de ADF een elektronisch circuit waardoor dit probleem is opgelost. En als je eenmaal op een station hebt afgestemd, wijst de naald op het controlepaneel constant in de richting van de zender.”
„Bedoel je dat als jouw vliegtuig recht op een zendstation zou afkoersen, de naald recht vooruit zou wijzen?”
„Precies!” Mijn vriend begon het te begrijpen.
„Zou de piloot dan op elk willekeurig station kunnen afstemmen, bijvoorbeeld een muziekzender op de middengolf?”
„Inderdaad. Maar radiostations staan niet altijd op een plek waar ze een hulp zijn bij het navigeren. Daarom heeft men speciale zenders geplaatst op strategische punten en in de buurt van vliegvelden. Deze bakens hebben het in feite erg gemakkelijk gemaakt elke gewenste vliegroute te volgen. Als een piloot weet op welk station hij heeft afgestemd (en elk station heeft immers zijn eigen identificatiecode), dan kan hij met behulp van een kaart gemakkelijk ’zien’ waar hij zich bevindt en zijn koers uitzetten.
Natuurlijk is geen enkel systeem volmaakt”, vervolgde ik. „Hoewel deze bakens een grote reikwijdte hebben, zelfs voor laagvliegende toestellen, zijn ze toch gevoelig voor storingen — zoals de bliksem.” (Een onervaren piloot zou hierdoor zelfs recht in een onweersbui kunnen worden gelokt! Maar dit is onwaarschijnlijk.)
„Waarom gebruikt men dan geen FM-zenders? Die worden toch niet door onweer beïnvloed?”
„Nee, dat klopt. Maar de hoge frequenties die men gewoonlijk voor FM-signalen gebruikt, hebben een zeer beperkte reikwijdte en komen niet door als er zich een obstakel tussen de zender en de ontvanger bevindt.”
Gelukkig bestaan er andere systemen. Ik vertelde mijn vriend vervolgens over de VDF (hoogfrequente richtingzoeker).
„Bij dit systeem is het zo”, legde ik uit, „dat nu de piloot uitzendt en dat de luchtverkeersleider op het vliegveld het signaal ontvangt.”
„Heeft hij een ontvanger met net zo’n wijzerschaal als bij jou in de cockpit?”
„Vroeger was dat zo, maar tegenwoordig wordt de informatie digitaal afgelezen. Ook geeft de verkeersleider de piloot slechts aanwijzingen als deze hem erom vraagt. Niettemin controleert de verkeersleider regelmatig de koers van het vliegtuig als een veiligheidsmaatregel.”
„Heeft dit systeem ook nadelen?”
„Het belangrijkste nadeel is dat slechts een paar vliegtuigen tegelijk kunnen worden geholpen — en bij een landing slechts één. Ook de reikwijdte is beperkt (ongeveer 260 kilometer) en het vliegtuig moet voldoende hoogte hebben zodat er tussen de zender en ontvanger geen obstakels zullen zijn. Daarom gebruikt men dit systeem alleen bij de nadering van vliegvelden en landingen.”
„Is er niets op gevonden om dit zwakke punt te overwinnen?”
„Ja. Men heeft het VOR(Very-High Frequency Omnidirectional Radio Range)-systeem. Het is ongevoelig voor meteorologische storingen, het is accuraat en kan door verschillende vliegtuigen tegelijk worden gebruikt. In dit geval bevinden de zenders zich op de grond. De piloot stemt op het juiste station af en houdt de naald van zijn 360 graden bestrijkende VOR-wijzerschaal in het oog. Als hij zich op de juiste koers bevindt, beweegt de naald zich naar het midden. Dit instrument laat de piloot ook zien of het vliegtuig in de richting van het baken vliegt, of ervandaan. En er verschijnt de aanduiding OFF als het vliegtuig te veraf is of te laag vliegt voor een goede ontvangst.”
„Maar wat kan een piloot doen als dat gebeurt?”
„Op een ander baken afstemmen. Dat is niet zo moeilijk omdat ieder baken zijn eigen frequentie en identificatiecode heeft.”
Wanneer de landingsbaan onzichtbaar is
„Nou, ik geloof dat ik je tot dusver heb kunnen volgen”, zei mijn vriend. „Maar ik begrijp nog steeds niet hoe deze instrumenten je tijdens het aanvliegen en de landing kunnen helpen als je de landingsbaan niet eens kunt zien!”
„Op dit moment gaat het ILS (instrumentlandingssysteem) een rol spelen. De piloot stemt zijn ontvanger op de juiste frequenties af. Het is hem om twee radiobundels te doen die van de landingsstrook afkomstig zijn. Ze vormen een ’elektronische afrit’ naar de landingsbaan. Het ’verticale koerslijnbaken’ zorgt ervoor dat hij zijn vliegtuig precies op het midden van de landingsbaan aanstuurt. Terzelfder tijd geeft een tweede radiobundel de juiste dalingshoek aan waarmee de piloot moet aanvliegen. Hij kan van deze bundels gebruik maken door de verticale en horizontale indicatornaald in het oog te houden en zo te vliegen dat hij beide in het midden houdt. (Zie de tekening.) Zo vliegt hij op de juiste koers naar de landingsbaan, ook al ziet hij die niet. En vlak voordat hij bij de landingsbaan aankomt zenden drie kleine grondbakens een speciaal signaal uit. Hierdoor weet de piloot exact hoever hij zich vlak voor de landing van de baan af bevindt. Het klinkt natuurlijk gemakkelijker dan het is, want sterke winden kunnen een vliegtuig uit de koers drijven en er is dus toch wel veel kundigheid en ervaring vereist om te kunnen blindvliegen.”
„Nou, al deze dingen gaan je voorstellingsvermogen te boven!” zei mijn verbaasde vriend.
„Het is verbazingwekkend”, antwoordde ik. „En dan hebben we het nog maar over een paar navigatiemiddelen gehad.”
Mijn vriend had veel om over na te denken, en ik voegde daar nog wat aan toe: „Maar laat ik je iets vertellen dat werkelijk ’het voorstellingsvermogen te boven gaat’. Dat is het feit dat Jehovah God reeds communicatiesystemen heeft geschapen die de menselijke apparatuur in vergelijking daarmee primitief doen schijnen. Bijen, vissen, dolfijnen en vele vogels weten met ongekende precisie te navigeren — en dat met geen enkel van dit soort instrumenten!” (Zie Job 12:7-9.) — Ingezonden.
[Diagram/Illustratie op blz. 26]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
koerslijnbundel
glijpadbundel
glijpadbaken
koerslijnbaken
landingsbaan
te ver naar links
juiste koers
te ver naar rechts