Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g83 8/11 blz. 24-27
  • Mijn bevrijding uit de prostitutie

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn bevrijding uit de prostitutie
  • Ontwaakt! 1983
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Verkocht als prostituée
  • Religieuze huichelarij
  • In de gevangenis
  • Een keerpunt
  • Mijn vragen beantwoord
  • Een meisje uit een matriarchale maatschappij verkiest de ware God te dienen
    Ontwaakt! 1975
  • Ik bracht mijn leven in het reine — Waarom?
    Ontwaakt! 1979
  • Waarom worden alle soorten van mensen Jehovah’s getuigen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • ‘Ik zal een eind maken aan je prostitutie’
    De zuivere aanbidding van Jehovah eindelijk hersteld!
Meer weergeven
Ontwaakt! 1983
g83 8/11 blz. 24-27

Mijn bevrijding uit de prostitutie

WEER brak er een dag aan. Ik lag transpirerend in bed. Ik probeerde te gaan zitten, maar werd duizelig en moest weer gaan liggen. Ik wist dat ik ziek was. Maar plotseling werd er luid op de deur geklopt en kwam een vrouw van middelbare leeftijd, een van mijn werkgeefsters, de kamer in.

„Kind, wat mankeert je? Nog niet op?”

„Mevrouw, ik voel mij vreselijk ziek”, smeekte ik. „Mag ik niet één dag rust hebben, alleen maar vandaag? Ik verzeker u dat ik morgen weer beter ben.”

„Luister. Die truc om net te doen of je ziek bent, ken ik door en door. Kom, schiet nu maar op, het ziet ernaar uit dat wij goede zaken zullen doen vanavond.”

U hebt zojuist een glimp opgevangen van mijn leven in het inwendige van een bordeel. Ja, ik ben prostituée geweest — bepaald geen beroep om trots op te zijn. Negen lange jaren heb ik onoprechte en lege glimlachjes uitgedeeld en op een schaamteloze manier zaken gedaan. Verder heb ik, in de zeldzame ogenblikken dat ik alleen was, met een gevoel van machteloosheid vele tranen van wroeging geschreid. O, ik snakte er wanhopig naar te ontsnappen. Maar het leek wel of ik vastgebonden zat en nooit vrij zou komen. U vraagt zich misschien af hoe ik prostituée ben geworden.

Nu, ik werd 29 jaar geleden geboren in een bergdorpje dat midden in de Himalaja genesteld ligt. Ik was pas drie jaar oud toen mijn vader stierf. Kort daarop ging mijn moeder met een andere man samenwonen en kwam ik bij mijn oudste zuster en haar man in huis, die voor mij zorgden.

Toen ik 14 jaar oud was, troffen zij regelingen om mij te laten trouwen met een man die 25 jaar ouder was dan ik. Ik werd naar het huis van mijn man gebracht, waar zijn ouders mij met minachting behandelden omdat ik hun geen bruidsschat te bieden had — behalve mijn eigen armoedige persoontje. Hoewel deze fase van mijn leven maar kort heeft geduurd — slechts twee jaar — was dat lang genoeg om langdurige schaduwen van ernstige twijfel en vragen in mijn geest te doen postvatten.

Mijn man was een verhouding begonnen met een andere vrouw in onze buurt. Toch ging hij, ondanks zijn wangedrag, iedere week naar religieuze heiligdommen en kwamen er op zijn uitnodiging brahmapriesters bij ons thuis op bezoek. Maar nooit een woord van terechtwijzing!

Verkocht als prostituée

Toen kwam op een avond de man met wie mijn moeder samenleefde mij opzoeken om mij een voorstel te doen. Hij zei dat het hem voorkwam dat het leven voor mij ondraaglijk moeilijk begon te worden en dat hij mij wilde helpen. Hij kon een erg goede baan voor mij krijgen die weinig werk maar veel geld met zich meebracht. Maar samen met een aantal andere „dorpsschonen” zou ik met hem naar een verafgelegen grote stad moeten gaan. Thuis waren er geen emotionele banden of materiële attracties om mij tegen te houden, dus stemde ik erin toe die reis te maken. Zo begon binnen enkele dagen deze reis naar een stad waarvan ik nooit had gehoord en naar een leven waarvan ik zelfs helemaal nooit had gedroomd.

Toen wij in Bombay aankwamen, nam hij ons mee naar een huis vol jonge meisjes zoals wij — behalve dat zij veel beter gekleed waren en met zwaar opgemaakte gezichten pronkten. Binnen werden wij voorgesteld aan twee vrouwen, die ons met gulzige ogen van top tot teen opnamen. Toen ging de man die ons gebracht had weg, met de belofte later op de dag terug te zullen komen.

Wij waren verkocht! Hij had ons meisjes voor 500 rupees (ongeveer $56) per stuk verkocht! Zodra hij vertrokken was, kregen wij te horen dat wij zouden moeten terugbetalen wat hij ontvangen had — nee, niet 500 rupees, maar 5000 rupees!

„Waarom?” vroegen wij.

„Dat is de regel!” verklaarden zij met grote beslistheid.

Toen nam men zijn toevlucht tot dreigementen voor het geval wij zouden proberen te ontsnappen. Maar ik kon niet weglopen. Waar moest ik heen? Dus aanvaardde ik die beginschuld van 5000 rupees, waar al spoedig rente bijkwam. Er was maar één manier om eraf te komen, en dat was het „werk” doen dat zij voor mij hadden — het werk van een prostituée!

Religieuze huichelarij

Maar verrassend genoeg kreeg ik juist door die negen jaar als prostituée een duidelijk beeld van zeer nabij van de vruchten van de religieuze „boom” waarin ik geboren was. Immoraliteit en huichelarij gingen hand in hand! Een van mijn werkgeefsters was bijvoorbeeld een vrome moslim en onderhield elk jaar weer de langdurige vastentijd ramadan. Devoot gaf zij aalmoezen aan de bedelaars in de moskee. Haar islamitische geloofsgenoten gingen vrijelijk met haar om, en ondanks haar volslagen verdorven praktijken was zij een geaccepteerd lid van haar religieuze gemeenschap.

En met mijn andere werkgeefsters was het al niet anders gesteld. De ene ging geregeld naar de hindoetempel, terwijl een andere tot een van de kerken van de christenheid behoorde. Hun privé-leven was bij hun respectievelijke religieuze leiders en vrienden niet onbekend, en toch waren ook zij gerespecteerde leden van hun religieuze gemeenschap. Kortom, allen genoten zij de stilzwijgende toestemming om te beoefenen wat hun religie in het openbaar veroordeelde — prostitutie. Is dat geen huichelarij?

Het duurde niet lang of ik raakte aangestoken door die huichelarij. En zo baadde ik mij dan iedere zaterdagmorgen, en ging met mijn vriendinnen naar de tempel van de godin Mahalaxmi om suikergoed en geld te offeren, om vervolgens met een gereinigd geweten naar ons bordeel terug te keren! Als wij erom vroegen, kwamen brahmapriesters bij ons op bezoek om religieuze rituelen te volvoeren, en dan namen ze alles aan wat wij hun betaalden en verdwenen weer. Nooit kregen wij ook maar enige raad om ons te verheffen uit onze verdorven staat, noch enige vaderlijke terechtwijzing, hoewel wij daarnaar hunkerden.

In de gevangenis

Toen, in het begin van mijn negende jaar in het bordeel, kregen mijn werkgeefsters ruzie met elkaar. Een van hen deed listig aangifte bij de politie en er werd een inval gedaan in ons bordeel. Wij werden allemaal naar het politiebureau gebracht — allemaal, dat wil zeggen, behalve onze werkgeefsters. Die zaten verscholen in hun grote en „respectabele” woningen.

De twee daaropvolgende weken vormde de koude gevangenisvloer ons bed, terwijl ons eten, dat in feite niet geschikt was voor menselijke consumptie, bestond uit droog, halfgaar brood waarbij af en toe wat groente werd gedaan.

De enige bezoekers die wij kregen, waren een groepje goedbedoelende vrouwen die wilden helpen door ons hindoe-hymnen te leren. Maar het was gewoon zielig zoals dat mislukte! Waar wij werkelijk behoefte aan hadden was de waarheid te weten over het doel van het leven, en de waarheid over God, of er nu wel of niet een Schepper bestaat. En als die wel bestaat, bekommert hij zich dan om ons? Zo ja, waarom had hij dan toegelaten dat zulke onreine praktijken als de onze bestonden? Maar die vrouwen, hoe goed hun bedoelingen ook waren, hadden de antwoorden niet.

De veertien nachten in de gevangenis eisten hun tol van mij en ik werd ernstig ziek. Ik werd naar het ziekenhuis gebracht, waar ik de volgende zeventien dagen het bed moest houden. Ik woog nog maar de helft van wat ik voorheen had gewogen! Toen ik uit het ziekenhuis kwam, gaven mijn werkgeefsters mij een poosje vrij om te herstellen. Dus besloot ik naar huis terug te reizen, daar enige tijd bij mijn familie door te brengen, in de berglucht op krachten te komen en dan ten slotte terug te keren waar ik dacht dat ik thuishoorde — het bordeel!

Een keerpunt

Thuis, daarginds in het dorp, was weinig veranderd, behalve dat de minnares van mijn echtgenoot nu zijn vrouw en de moeder van zijn kinderen was. Mijn zusters werkten zoals gewoonlijk van zonsopgang tot zonsondergang op het land. De eerste paar dagen werden besteed aan het afleggen van beleefdheidsbezoeken en het uitdelen van de kleine geschenkjes die ik nog had meegenomen. Maar het nieuwtje van die dagen was er al snel af, en ik bleef zitten met mijn vragen. Wat wilde ik nu eigenlijk van het leven? Wilde ik het leven dat mijn familie in het dorp leidde of het leven daarginds in de grote stad? Die twee levensstijlen waren verschillend, en toch waren beide zinloos en zonder werkelijk doel.

Omstreeks die tijd kwamen er twee vrouwen bij ons aan de deur. Wij nodigden hen uit om te gaan zitten en boden hun wat tabak aan (zoals bij ons de gewoonte is). Maar zij weigerden de tabak en wij vroegen hun waarom. Zij zeiden dat zij net uit de grote stad waren teruggekomen, nadat zij iets schitterends hadden gehoord. Dus vroegen mijn zuster en ik hun ons er alles over te vertellen.

Zij zeiden dat de goden die wij tot op dat tijdstip aanbeden hadden, volkomen anders waren dan de ware God, onze Maker. Zijn naam is Jehovah en hij heeft ons allen lief. Jehovah zal weldra iedere vorm van goddeloosheid uitroeien, legden zij uit, en hier, op deze zelfde aarde, een Nieuwe Ordening instellen waarin rechtvaardigheid, vrede en zekerheid zal heersen. Ook kregen wij te horen dat de uitnodiging om in die Nieuwe Ordening te leven voor iedereen openstond. Maar het aanvaarden van die uitnodiging betekende dat wij noodzakelijke veranderingen in ons huidige leven moesten aanbrengen.

„Hoe weten wij dat het de waarheid is die u vertelt?” onderbraken wij hen. „En wat zijn die veranderingen die wij moeten aanbrengen?”

„U moet de bijbel, Gods enige boek van waarheid, bestuderen”, vervolgden zij. „Daaruit kunt u alles leren wat u weten moet. En wat die veranderingen betreft — dit is er een die wij al hebben aangebracht — wij zijn opgehouden met sigaretten roken!”

„Maar wat heeft sigaretten roken nu met God te maken?” vroeg ik.

„In de bijbel”, antwoordden zij onmiddellijk, „wordt tot ons gezegd: ’Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf.’ Maar hoe kunnen wij zeggen dat we onszelf liefhebben, als wij onze longen met schadelijke tabaksrook vullen? Het is een onreine gewoonte en Jehovah God wenst dat wij rein zijn.” — Matth. 22:39; 2 Kor. 7:1.

Ik stond versteld! Ergens diep in mijn ongelukkige geest begon een ondefinieerbaar gevoel van vreugde tot leven te komen. Ik gooide mijn sigaretten de deur uit en heb er nooit meer een aangeraakt. Een zeer veelzeggende verandering, nadat ik twintig sigaretten per dag had gerookt!

Mijn vragen beantwoord

Onmiddellijk begonnen mijn zusters en ik plannen te maken om naar de grote stad te gaan en meer te weten te komen over deze God, Jehovah, en zijn voornemens. Het gezin waaraan wij werden voorgesteld, bestond uit Jehovah’s Getuigen. Ik had nog nooit van Jehovah’s Getuigen gehoord. Nu besloot ik in die stad te gaan werken en wonen, zodat ik de bijbel kon bestuderen met dat gezin, dat mij graag in hun huis opnam. Iedere ochtend hadden wij minstens een uur lang een bijbelbespreking. Langzaam maar zeker begonnen de vragen en de langdurige schaduwen van de twijfel, opgeroepen door mijn korte huwelijksleven en mijn jaren van slavernij in het bordeel, te verdwijnen.

Voor het eerst hoorde ik dat het leven een doel heeft. Ik ontdekte dat de bijbel leert dat de mens door God werd geschapen om eeuwig in blijvende vrede en geluk op aarde te leven; en ook dat de dood niet tot Gods oorspronkelijke voornemen voor de mens behoorde. Het schitterende vooruitzicht dat onze eerste ouders en hun mogelijke nageslacht voor ogen werd gesteld, behelsde daarentegen dat zij hun dagen zouden vullen met het verkrijgen van kennis omtrent hun Grootse Schepper en dat zij zich zouden verheugen in het werk van hun handen. — Gen. 1:28; 2:16, 17; Ps. 37:29.

Ook leerde ik waarom God tot nu toe goddeloosheid en onreine praktijken heeft toegelaten. Onze eerste menselijke ouders verkozen in opstand te komen tegen God en zich door zijn tegenstander, Satan de Duivel, te laten leiden (Gen. hfdst. 3). Daarom stond Jehovah, de Grote Rechter, toe dat er tijd verstreek om onomstotelijk te bewijzen dat een regering door mensen, los van een regering door God, geen enkele kans van slagen heeft. Mijn vreugde kende geen grenzen toen ik vernam dat Gods vastgestelde tijd voor menselijke regering onder heerschappij van Satan nu snel ten einde loopt. Maar hoe moest dat nu met mij, een gewezen prostituée?

Ik vertelde mijn hele achtergrond aan het gezin waarmee ik studeerde, en zij legden mij aan de hand van de bijbel de goedgunstige voordelen van het loskoopoffer van Jezus Christus uit. Terwijl ik luisterde, stroomden tranen van louter vreugde mij over de wangen. Mijn verleden kon vergeven en uitgewist worden! Ik kreeg de gelegenheid om de hoop op eeuwig leven onder rechtvaardige omstandigheden te aanvaarden. En totdat die schitterende hoop werkelijkheid zou worden, kon ik leven te midden van reine, eerlijke mensen, die hun best doen om in praktijk te brengen wat de bijbel leert, een volk dat geen verdorvenheid in zijn midden duldt.

Terwijl ik de bijbel bestudeerde, vlogen de maanden om. Ik liet geen tijd verloren gaan en in 1979 symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah God door de waterdoop. Sedertdien smaak ik het voorrecht van de christelijke prediking, en vertel ik anderen over de vertroostende waarheden die ik uit de Schrift heb geleerd.

Mijn dankbaarheid jegens onze hemelse Vader, Jehovah, en jegens zijn Zoon, Christus Jezus, kent geen grenzen. Want dank zij hen ben ik uit de prostitutie bevrijd! — Ingezonden.

[Inzet op blz. 24]

Wij waren verkocht! Hij had ons meisjes voor 500 rupees per stuk verkocht!

[Inzet op blz. 25]

Ik kon niet weglopen. Waar moest ik heen?

[Inzet op blz. 26]

In de zeldzame ogenblikken dat ik alleen was, heb ik met een gevoel van machteloosheid vele tranen van wroeging geschreid

[Inzet op blz. 27]

Tranen van vreugde stroomden mij over de wangen toen ik vernam dat mijn verleden vergeven kon worden!

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen