Zij hebben het graag zo!
Na misdrijf herkozen
Seksschandalen
Aangeklaagde functionaris herkozen
O NEE, zij zullen het waarschijnlijk niet toegeven. En als het hun op de man af gevraagd wordt, zouden zij het wel eens heftig kunnen ontkennen. Maar hun daden verraden hen.
Beschouw bijvoorbeeld eens de kort geleden gehouden verkiezingen in de Verenigde Staten. Met het beruchte „Watergate”-schandaal nog vers in het geheugen van de kiezers zou men hebben verwacht dat zij van de kant van gekozen functionarissen morele rechtschapenheid zouden eisen. Maar nauwelijks vier jaar na „Watergate” kwamen er in Washington plotseling opnieuw onsmakelijke schandalen aan het licht. Dit was de gelegenheid voor de kiezers om zich duidelijk uit te spreken voor een regering zonder smet! Maar deden zij dat?
Charles Diggs, schuldig bevonden aan „29 gevallen van postfraude en misbruik van overheidsgelden”, werd in het Congres herkozen met 80 procent van de stemmen!
Daniel Flood, een congreslid voor de staat Pennsylvania, werd met 54 procent van de stemmen herkozen ondanks de tegen hem ingediende aanklacht dat hij meer dan $60.000 aan steekpenningen zou hebben aangenomen.
Frederick Richmond, een congreslid uit Brooklyn, bekende een 16-jarige jongen geld te hebben aangeboden om ontucht met hem te bedrijven. Ook hij werd herkozen, ondanks het feit dat hij het tegen drie andere kandidaten moest opnemen.
De verkiezing van zulke mannen schijnt het oude spreekwoord te bevestigen dat ’mensen gewoonlijk de soort van regering krijgen die zij verdienen’. Terwijl de mensen luidkeels hun afkeuring uitspreken over de corruptie in de regering en jammeren over het algemeen voorkomen van oneerlijkheid en losse zeden, bestendigen zij dit kwaad door hun keuze van leiders.
Zij hebben het graag zo!
En zo’n morele malaise is niet beperkt tot de Verenigde Staten, noch tot de 20ste eeuw. Men hoeft slechts over de Djingiz Chans, de Adolf Hitlers en de Napoleons van de geschiedenis te lezen om te beseffen dat mensen zich vaak bereidwillig aan uitbuiting onderwierpen. Tirannen heersen, en kunnen ook alleen maar heersen, met de steun van anderen. Het is zoals koning Salomo zei: „In de veelheid van volk ligt het sieraad van een koning, maar in gebrek aan bevolking ligt de ondergang van een hoogwaardigheidsbekleder” (Spr. 14:28). Ja, elke regeerder moet op zowel actieve als passieve steun kunnen rekenen om autoriteit te kunnen uitoefenen.
Het bijbelse verslag over de aanstelling van koning Saul illustreert hoe gewillig mensen zich eigenlijk onderwerpen. Onder het bestuur van door God aangestelde rechters had Israël een aanzienlijke vrijheid genoten (Recht. 21:25). Maar mettertijd begon de natie om een koning te roepen. Rechter Samuël waarschuwde wat het voor de natie zou betekenen om een koning te hebben: dienstbaarheid, uitbuiting en belasting. Toch riep het volk: „Een koning zal er over ons zijn!” waardoor zij de natie een weg deden inslaan die naar een tragisch en rampzalig einde voerde. — 1 Sam. 8:19.
Natuurlijk, niet allen ondersteunen thans oneerlijke politici. Sommigen zijn vertoornd, zelfs diep verontwaardigd, over het gedrag van zulke mensen. En toch blijven zij hun steun geven aan de stelsels die zulke mannen in een positie van autoriteit plaatsen. En dan zijn er degenen die de gevestigde politieke instellingen passief ondersteunen door er lippendienst voor te verrichten.
De bijbel smeekt ons echter: „O gij die Jehovah liefhebt, haat het slechte” (Ps. 97:10). Wat is derhalve uw kijk op goddeloosheid? Laten wij, als hulp om uit te zoeken hoe wij hier werkelijk over denken, eens een ander terrein beschouwen waar onrecht heel gemakkelijk wordt getolereerd.
’Tast diep in uw portefeuille’
Corruptie is niet enkel aan politici voorbehouden. De nieuwsmedia staan vol verslagen over religieuze verdorvenheid. Neem bijvoorbeeld de kwestie van homoseksualiteit. Het bijbelse standpunt is heel duidelijk: „Vergis u niet: . . . niemand die zich schuldig maakt aan overspel of homoseksuele perversie . . . zal het koninkrijk Gods bezitten” (1 Kor. 6:9, 10, The New English Bible). Maar wat zeggen sommige geestelijken nu?
Een methodistische bisschop, Melvin E. Wheatley Jr., steunt de aanstelling van „een voorganger die openlijk erkent homoseksueel te zijn”.
Een in verlegenheid gebracht Vaticaan moest stappen ondernemen om een openhartige rooms-katholieke priester (die zelf niet onder stoelen of banken stak homoseksueel te zijn) „het zwijgen op te leggen” omdat hij „naar verluidt homoseksuele activiteiten van de zijde van priesters vergoelijkt”.
De UCC (United Church of Christ) kondigde plannen aan om een lesbienne tot het ambt te ordineren. Een kranteartikel zei hierover: „Een groot aantal UCC-geestelijken zal zich rond haar groeperen als zij neerknielt . . . en haar de handen opleggend tot een bedienaar van Jezus Christus uitroepen.”
Onbeschaamde overtredingen van de bijbelse maatstaven? Zonder meer. En toch zien wij de mensen niet in drommen hun kerk verlaten of hervormingen eisen. Hoe denkt u evenwel over een dergelijke morele ontaarding?
Er komen ook pijnlijke financiële schandalen in het nieuws: „Schandaal bij bank van de paus” was de titel van een artikel dat in de uitgave van 26 juli 1982 van het tijdschrift Time verscheen. „Een miljardenfraude bij een Italiaanse bank blijkt vertakkingen te hebben tot in het hart van een van ’s werelds meest gerespecteerde instellingen, het Vaticaan”, aldus het artikel. „Tot dusver zijn twee personen die bij de zaak betrokken waren, gestorven . . . In het centrum van het hele schandaal bevindt zich aartsbisschop Paul C. Marcinkus, de in Amerika geboren president van het Instituut voor Religieuze Werken.”
Wat valt er over de protestantse kerken te zeggen? Naar verluidt merken ze in hun financiën dat de tijden moeilijker worden. De evangelist Oral Roberts zoekt het in intimidatie om de lege schatkist van zijn kerk te vullen. Hij liet aan meer dan 1.000.000 mensen een „persoonlijke” brief sturen die als volgt begint: „Wij staan vlak voor een verschrikkelijke gebeurtenis, en ik moet u hier persoonlijk over spreken.” Na over de grote financiële moeilijkheden van zijn kerk te hebben gejammerd, zegt hij: „God staat op het punt u te gebruiken om een wonder te laten geschieden. Als u en nog enkelen van mijn speciale partners $100 als beginkapitaal willen offeren, kan dit wonder gebeuren.”
Dit valt echter moeilijk te rijmen met het verslag in de Denver Post. Oral Roberts, die „jarenlang heeft beweerd geen persoonlijke bezittingen te hebben en slechts zeer weinig te verdienen”, is naar verluidt „eigenaar van een huis met een waarde van $500.000 tot $1 miljoen . . . is aandeelhouder in een stilgelegde goudmijn . . . en zou de afgelopen vijf jaar een jaarinkomen hebben genoten in de orde van $70.000 tot $178.000”.
Ook tv-evangelist Rex Humbard speelt in op de gevoelens van zijn volgelingen in een vier bladzijden tellende smeekbede om geld. Hij zegt: „Ik geloof dat God gereedstaat een honderdvoudige, of zelfs duizendvoudige zegen over u uit te storten.” Dat wil zeggen, als u hem geld stuurt natuurlijk.
De redacteur voor religieuze zaken van de Toronto Star vat het aardig samen: „Een ieder die bekend is met de smeekbeden van de op de tv verschijnende religieuze persoonlijkheden . . . leert al gauw dat wanneer de evangelist over ’diep in mijn binnenste’ of ’diep in mijn hart’ begint te praten, hij op het punt staat een poging te doen om zijn hand zelfs nog dieper in uw portefeuille of beurs te steken.”
Het is waar, sommigen zijn boos geworden. Maar de geuite kritiek lijkt een zwak gemompel in vergelijking met het gejuich van ondersteuning dat zulke religieuze leiders blijven ontvangen. Het geld blijft binnenstromen, hun kerken blijven volgepakt zitten, hun bedenkelijke gedrag wordt door hun aanhangers met een schouderophalen afgedaan.
Hun mensen hebben het graag zo.
Maar is dit oordeel te hard? Kunnen wij werkelijk zeggen dat actieve en passieve ondersteuners de door verdorvenheid beheerste religie en politiek liefhebben?
Gewillige slachtoffers
De bijbel vertelt ons over de door God geprofeteerde vernietiging van de goddeloze steden Sodom en Gomorra. Na Abrahams voorspraak was God bereid de stad te sparen als er slechts tien rechtvaardigen konden worden gevonden (Gen. 18:32). Maar de toestanden waren zozeer ontaard dat er buiten Lots eigen gezin nog niet één waarheidlievende ziel kon worden gevonden.
De mensen hadden het graag zo.
Dan was er de profeet Jeremia, die in een tijd leefde welke overeenkwam met onze tijd. De moraal was zo ver gezonken dat er werd gezegd: „Trekt rond in de straten van Jeruzalem en ziet . . . of gij iemand kunt vinden, of er een bestaat die gerechtigheid doet, die getrouwheid zoekt, en ik zal haar vergeven.” — Jer. 5:1.
„Waarlijk, zij zijn van lage stand”, concludeerde Jeremia. In zijn gedachten was het alleen maar de „lage stand” — de niet-onderwezenen, de onontwikkelden — die in het moeras van liederlijkheid wegzonk. Maar het wellustige gedrag van het gepeupel weerspiegelde slechts het ontaarde denken van hun regeerders en religieuze leiders! (Jer. 5:4, 6; zie ook 6:13, 14; 23:14) Seksuele immoraliteit, vrijheid van morele beperkingen, werd voor de Israëlieten een levenswijze! „Naar het huis van een prostituée gaan zij in drommen”, verklaarde Jeremia. Als „door geslachtsdrift aangegrepen paarden” schonken zij geen aandacht aan de gevolgen van hun daden. — Jer. 5:7, 8.
Het was derhalve geen verrassing dat de corrupte natie Israël corrupte leiders tolereerde, ja zelfs ondersteunde. „Luistert niet naar de woorden van de profeten”, waarschuwde Jeremia! (Jer. 23:16; zie ook 5:26-28, 31) En hoe reageerden zij op deze waarschuwing? Verhieven zij hun stem in protest tegen de afschuwelijke toestand? Eisten zij hervormingen? Bedroefd bekende Jeremia: „En mijn eigen volk heeft het graag zo gehad.” — Jer. 5:31.
O, zij hebben zich wellicht even opgewonden wanneer zij door toedoen van onderdrukkende heersers enig persoonlijk ongerief ondervonden. Maar over het algemeen wilden de mensen geen werkelijke verandering. Zij waren gewillige slachtoffers. Want de morele verdorvenheid van hun heersers veroorloofde het hun het zelf ook niet zo nauw te nemen met de moraal.
Zij hebben het graag zo gehad.
’Hebt u het graag zo’?
Thans wensen de meeste mensen in werkelijkheid evenmin een verandering. En de weinigen die oprecht aandringen op hervormingen, zijn louter bezig ’nieuwe wijn in oude wijnzakken te doen’, dat wil zeggen, oppervlakkige veranderingen aan te brengen ten einde het samenstel wat langer in stand te houden. — Matth. 9:17.
Wij hopen echter dat u anders bent. Dat u ’zucht en kermt over al de verfoeilijkheden’ die in dit goddeloze samenstel van dingen gedaan worden (Ezech. 9:4). Dat uw liefde voor rechtvaardigheid geen dun vernisje is. Dat u een werkelijke verandering wenst — niet een verandering door politieke hervormingen, maar een van het soort dat alleen God kan bewerkstelligen. Indien dit uw wens is, zullen Jehovah’s Getuigen u graag helpen bekend te raken met Gods voornemen de aarde van goddeloosheid te ontdoen en een regering op te richten die in moreel opzicht zuiver en onbesmet is! — Dan. 2:44; Jes. 11:1-9.
De meeste mensen negeren echter zulke glorierijke vooruitzichten. In een huichelachtige klaagzang uiten zij hun afkeuring over de corruptie bij de politie, terwijl zij wel ongestraft de verkeerswetten willen kunnen overtreden. Geshockeerd fronsen zij hun wenkbrauwen vanwege de losbandigheid van de politici, maar gretig verslinden zij met hun ogen tv-shows en films die doortrokken zijn van immoraliteit. Zij praten over een goede regering maar kiezen schurken. Zij veroordelen afpersing, maar helpen de geldkisten te vullen van hebzuchtige geestelijken. Zij spreken over waarheid, maar geven er in werkelijkheid de voorkeur aan „hun oren te laten kittelen” (2 Tim. 4:3). En wat morele hervormingen betreft, wie zit erom te springen? Zij zullen graag onderdrukking, oneerlijkheid en hebzucht verdragen en, op hun eigen subtiele wijze, ondersteunen, zolang zij hun eigen leven maar zo kunnen leven als zij dit zelf willen.
Zij hebben het graag zo.
[Illustratie op blz. 13]
’. . . wanneer de evangelist over „diep in mijn binnenste” of „diep in mijn hart” begint te praten, staat hij op het punt een poging te doen om zijn hand zelfs nog dieper in uw portefeuille of beurs te steken.’ — Redacteur religieuze zaken van de „Toronto Star”