Licht laten schijnen in het hart van Afrika
GELEGEN aan weerszijden van de evenaar vormt de republiek Zaïre het hart, het middelpunt, van Afrika. Hier, in wat vroeger de Congo heette, herbergen enorme jungle- en savannengebieden een rijk dierenleven: leeuwen, gorilla’s, luipaarden, apen, olifanten, okapi’s en nog vele andere wilde dieren. Door zijn rijkdom aan delfstoffen is het land reeds lang een voorwerp van internationale belangstelling en is het vaak het toneel geweest van invasies of burgeroorlogen. De meesten van de 26 miljoen inwoners zijn allerminst oorlogszuchtig, maar zijn juist nederige, vriendelijke, vredelievende mensen die, weliswaar sterk beïnvloed door voorouderlijke gewoonten, eerbied hebben voor de bijbel.
Het religieuze leven in het verleden werd bovenal gekenmerkt door bijgeloof en geloof in de geesten van de doden. Mensen leefden in angst voor het onbekende en zochten hulp door fetisjen, zoals amuletten en talismans, te gebruiken. Dit geloof heeft deze mensen in grote duisternis gehouden.
Vroege problemen
Het was aan het eind van de jaren ’40 dat de publikaties van Jehovah’s Getuigen in de Congo begonnen te circuleren, maar er waren geen echte Getuigen die konden uitleggen hoe ze gebruikt moesten worden. Er waren inheemse groepen die zich „Watchtower”-leden noemden, maar zij verdraaiden bijbelse leerstellingen en vermengden die met hun bijgelovige gewoonten en immorele levenswijze. Vaak weigerden zij belastingen te betalen en verzetten zich op nog andere manieren tegen de regering. Het is geen verrassing dat de Belgische regering deze „Kitawala”-bewegingen, zoals ze werden genoemd, verbood. Maar ten onrechte vereenzelvigde men Jehovah’s Getuigen met de leden van deze valse „Watchtower”-beweging en weigerde echte zendelingen van Jehovah’s Getuigen toe te laten die de kwestie hadden kunnen ophelderen.
Niettemin bestond er een kleine groep die in weerwil van de verbodsbepalingen van de autoriteiten ijverig bijbelse waarheden met anderen deelde. Hun oprechte, eerlijke gedrag deed hen totaal verschillen van de moeilijkheden veroorzakende Kitawala.
Met de nadering van de Congolese onafhankelijkheid in 1960 werd het wat gemakkelijker voor hen om de waarheid bekend te maken. Toch vergde het een scherp inzicht en een sterk geloof van hun zijde om neutraal te blijven in politieke aangelegenheden. De onafhankelijkheid bracht meer verdraagzaamheid en tegen het eind van 1960 steeg het aantal van hen die het Koninkrijkslicht lieten schijnen, tot bijna duizend.
Vooruitgang door verbeterde organisatie
Uiteindelijk verkregen in 1961 de eerste zendelingen van Jehovah’s Getuigen toegang tot het land. In de hoofdstad, Leopoldville, nu Kinshasa genoemd, werd een bijkantoor opgericht, waardoor een betere leiding over het werk mogelijk werd. Het werk begon nu snelle vorderingen te maken. Maar er waren nog steeds vele problemen te overwinnen, zoals taalbarrières, polygamie, tribalisme en bijgeloof en spiritisme. De slechte verbindingen maakten het moeilijk contact te leggen met groepjes geïnteresseerde personen in het hele land. Reizende opzieners moesten uitzoeken wie werkelijk waren geïnteresseerd in bijbelse waarheden en wie leden van de valse Kitawala-beweging waren. Dit was niet gemakkelijk.
Bijbelse waarheid verandert levens
Oprechte mensen brachten enorme veranderingen in hun leven aan. Een man schreef:
„Voordat ik de christelijke levenswijze leerde kennen, was ik een groot liefhebber van sport. Ik deed aan worstelen en boksen. Vechten was voor mij een levenswijze, een partijtje worstelen vond ik prachtig. Ik hield ook van gewichtheffen. In 1963 won ik het Congolese worstelkampioenschap en datzelfde jaar werd ik ook eerste met gewichtheffen door 85 kilo op te drukken met één hand en 150 kilo met twee handen. Bij dat alles vertrouwde ik op mijn fetisjen die mij kracht en volharding zouden geven. Dit was nog meer het geval toen zij mij naar Japan wilden uitzenden om mijn land te vertegenwoordigen.
Weer stuurde ik mijn vrouw weg om mij op mijn sportactiviteiten te kunnen concentreren. Zij ging samenleven met een luitenant. Ik ging haar van tijd tot tijd nog wel eens opzoeken, en op een dag vond ik een boek, getiteld ’Van het verloren naar het herwonnen paradijs’, dat deze luitenant voor haar had gekocht. Ik was onder de indruk van dit boek en leende het voor twee weken. Ik werd vooral getroffen door de titel op bladzijde 203, ’Hoe deze wereld zal eindigen’. Ik las het boek zorgvuldig en wanneer ik erover nadacht, maakte het mij bang. Ik besloot naar de uitgevers te schrijven om nog meer boeken, en tegelijk verwijderde ik mijn fetisjen uit mijn kamer en bracht ze over naar mijn vaders kamer. Mijn vader was hier nogal verbaasd over.
Dezelfde dag dat ik mijn brief schreef, werd er op mijn deur geklopt. Er stonden twee Jehovah’s Getuigen die het goede nieuws uit de bijbel met mij wilden delen. Eerst dacht ik dat zij waren gekomen voor mijn vader, die een waarnemend predikant was. Ik zei dat mijn vader niet thuis was, maar zij toonden mij tactvol aan dat hun boodschap ook voor mij was. Toen ik in hun geopende boekenkoffertje ook een Paradijs-boek zag, stak ik mijn hand in de koffer en pakte het. Ik toonde hun mijn Paradijs-boek en de brief die ik juist had geschreven. Ik was erg onder de indruk van de antwoorden die deze Getuigen gaven, en ten slotte nam ik een exemplaar van alle boeken die zij in hun koffertje hadden. Zij vertelden mij het adres van de kleine Koninkrijkszaal waar zij hun bijeenkomsten hielden.
Ondanks tegenstand en dreigementen van mijn vader bleef ik hulp ontvangen van de Getuigen en ik sloeg geen vergadering over. Ik vernietigde elke fetisj die ik had, en op 8 november 1964 trouwde ik officieel met mijn vrouw met wie ik weer samen was. Toen droeg ik mijn leven aan Jehovah op en symboliseerde mijn opdracht door de waterdoop.”
Nu is deze Getuige een speciale pionier (volle-tijdbedienaar) en een ouderling in een gemeente in het noorden van Zaïre. Hij is slechts één voorbeeld uit de duizenden die uit de duisternis zijn gekomen en die hun geestelijke licht laten schijnen.
Religieuze vrijheid — verkregen en weer beperkt
In 1966 was het aantal Jehovah’s Getuigen gestegen tot bijna 4000. Op 9 juni van dat jaar werd de organisatie officieel bij de regering geregistreerd. Van die tijd af konden Jehovah’s Getuigen in het openbaar prediken, vrijelijk vergaderen en grote vergaderingen organiseren voor christelijke omgang en onderwijs. Zendelingen konden het land binnenkomen en het werk ondersteunen. Hulpmiddelen voor bijbelstudie werden vertaald in de zes belangrijkste talen die in het land gesproken werden.
Maar deze toegenomen vrijheid was van korte duur. Op 31 december 1971 werd een wet aangenomen dat alle religieuze denominaties, met uitzondering van de drie grootste, hun verzoek om wettelijke erkenning opnieuw moesten indienen. Religieuze groeperingen die niet binnen drie maanden wettelijk erkend werden, moesten ontbonden worden. Personen die een niet-erkende religie beoefenden, zouden zich blootstellen aan forse boetes en vijf tot tien jaar gevangenisstraf. Jehovah’s Getuigen dienden hun verzoek opnieuw in maar de limietdatum van 31 maart kwam zonder dat een bericht van erkenning werd ontvangen.
Deze beperking van de religieuze vrijheid maakte alles moeilijker. Niet langer konden er grotere openbare bijeenkomsten worden gehouden. Niet langer konden nieuwe zendelingen het land vrij binnenkomen. En in sommige plaatsen waar de plaatselijke autoriteiten door de religieuze leiders verkeerd waren ingelicht, hadden de Getuigen veel vervolging te verduren.
Rond Moba in de provincie Shaba werden in 1973 meer dan 200 Getuigen gevangengezet. Zij werden gedwongen uitermate zwaar werk te verrichten, grond te ontginnen, gewassen te planten, bruggen te herstellen en huizen te bouwen. Al het werk moesten zij met de hand doen, en zij kregen slechts zeer karige voedselrantsoenen. Maar Jehovah’s Getuigen bleven hun kalme en rustige christelijke levenswijze voortzetten en keken naar Jehovah op voor kracht en leiding, en het licht van de bijbelse waarheid bleef helderder worden.
Problemen die overwonnen moeten worden
De enorme uitgestrektheid van het gebied en het gebrek aan goede wegen maken het verbreiden van het „goede nieuws” erg moeilijk. Soms moet men weken wachten voordat men met een boot over een van de talrijke waterwegen van het land kan reizen. Of men zal dagenlang moeten meereizen achterop een zwaar met zakken maïs of maniok beladen vrachtwagen. En voor wie zich de hoge reiskosten niet kan veroorloven, blijft als enige mogelijkheid over te gaan lopen.
Een Getuige van de gemeente Bulungu vernam dat er een districtscongres gehouden zou worden in Kikwit, 108 kilometer van haar huis. Zij had vaak over dergelijke grote vergaderingen gehoord maar had er nooit een kunnen bijwonen en wilde graag zien hoe zo’n vergadering in zijn werk ging. Omdat zij geen geld had om de reis te betalen besloot zij samen met haar 13-jarig kind de hele afstand te gaan lopen. Zij waren twee dagen onderweg en kwamen de derde dag moe en hongerig in Kikwit aan. Daar vertelde zij de broeders: „Ondanks de afstand die ik met mijn zoon heb gelopen, leek het helemaal niet zo ver. Jehovah heeft me geholpen.”
Reizende opzieners in het bijzonder moeten grote moed en groot geloof tonen om hun broeders met geestelijke aanmoediging te bezoeken. De afstanden tussen de gemeenten zijn vaak groot en op hun route liggen vaak gebieden die worden geplaagd door tseetseevliegen, wouden waar wilde dieren zijn of woeste gezwollen rivieren. De afstand tussen Kinshasa en de tweede grote stad, Lubumbashi, is groter dan die tussen Londen en Rome.
Een kringopziener schreef onlangs het volgende aan het bijkantoor om zich te verontschuldigen voor het late binnenkomen van zijn berichten:
„De vertraging is te wijten aan omstandigheden die ik hieronder vermeld. Op 12 april zou de trein uit Kisangani naar Ubundu vertrekken. Het tijdstip van vertrek is 8 uur ’s morgens, maar omdat er zo weinig zitplaatsen zijn, moet men er om 3 uur al zijn om nog een plaats te vinden. Wij waren aan de andere kant van de rivier en besloten dat het het beste was als mijn vrouw en ik en ons zoontje Moza de avond tevoren de rivier zouden oversteken en dan aan deze kant zouden overnachten.
Het is het midden van het regenseizoen en het water van de rivier stond hoog. Om half acht ’s avonds namen wij een bustaxi naar de rivier met de bedoeling een kano met buitenboordmotor te vinden die ons naar de overkant zou brengen. Toen wij in de boot gingen, zagen wij al gauw dat hij veel te veel mensen bevatte. Wij drongen er bij de bootsman op aan dat hij een paar mensen uit de boot zou laten gaan, of dat hij ons tenminste maar weer zou laten uitstappen. Maar geldwolf als hij was, antwoordde hij ’Likambo te!’ — ’Het is niets, wees maar niet bezorgd’, en bracht zijn kleine buitenboordmotor aan de gang. We waren nog pas een 15 meter van de kant toen de boot tegen een grote rots onder water stootte en bijna omsloeg. Roepend, gillend, wild om zich heen slaand vielen 30 mensen in de rivier.
Stel jullie voor, geliefde broeders, wat een tafereel het was. Al onze bagage verdween in het water, met inbegrip van mijn administratie, mijn formulieren, de projector en alle dia’s. Ik riep naar mijn vrouw dat zij kalm moest blijven en het kind goed moest vasthouden totdat ik hen kon bereiken. Mijn vrouw en kind waren als enigen niet uit de boot geslagen, maar die maakte nu snel water en was al half gezonken. Gelukkig werd uiteindelijk iedereen gezond en wel uit het water gehaald, behalve dan dat al onze bagage verloren was gegaan, ook de projector.”
Goede vooruitzichten voor de toekomst
Op 30 april 1980 ondertekende de president van de republiek Zaïre Decreet no. 124 waarbij opnieuw wettelijke erkenning werd verleend aan de Associatie van Jehovah’s Getuigen. Sindsdien heeft de grotere vrijheid van handelen ons grotere toename in het Koninkrijkswerk gebracht dan wij vroeger hebben beleefd.
Aan het eind van de jaren ’40 liet slechts een handjevol Koninkrijksverkondigers actief hun licht schijnen in de Congo. Maar het aantal actieve predikers van het goede nieuws van Gods koninkrijk bereikte in 1981 in Zaïre een hoogtepunt van 25.753. Er zijn meer dan 2200 volle-tijdbedienaren, waaronder zo’n 450 speciale pioniers die zich concentreren op het openen van nieuwe gebieden. Iedere maand bestuderen meer dan 36.000 individuele personen en gezinnen de bijbel met Jehovah’s Getuigen. En te oordelen naar de 107.766 personen die op 19 april 1981 in 838 gemeenten in heel Zaïre de herdenking van Christus’ dood bijwoonden, zijn er nog veel mensen die graag voordeel trekken van het waarheidslicht dat nu in dit land schijnt. Meer dan 200 stammen die ongeveer 300 talen en dialecten spreken, ontvangen een getuigenis omtrent het Koninkrijk.
Er zijn nog steeds heel wat problemen te overwinnen, zoals taalbarrières, tribalisme, polygamie, bijgeloof, spiritisme en gebrek aan transport en communicatie, om er slechts enkele te noemen. En de wereldomvattende economische problemen met hun onstuitbare inflatie hebben ook Zaïre niet onberoerd gelaten. Maar dit brengt vele mensen ertoe te zoeken naar een deugdelijke hoop voor de toekomst. Jehovah’s Getuigen bieden hun die hoop — Gods nieuwe ordening onder zijn koninkrijk in handen van Christus Jezus!
„Licht is er opgegaan voor de rechtvaardige, en verheuging zelfs voor de oprechten van hart.” — Ps. 97:11.
[Kaart op blz. 25]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Zaïre