Een goede zaak dienen
Zoals verteld door Charles Tareha
WIJ Maori’s waren de bewoners van Nieuw-Zeeland toen de eerste Europeanen in 1769 aan land stapten. Mijn overgrootvader, hoofdman Tareha te Moananui, was een van de ondertekenaars van het beroemde verdrag van Waitangi. Bij dit in 1840 gesloten verdrag werd overeengekomen dat de Maori’s onderdanen van de Britse koningin Victoria zouden worden, en dat de Britten alle Maori-rechten, met inbegrip van eigendomsrechten, zouden beschermen.
Na de ondertekening van het verdrag van Waitangi — toen er nog maar ongeveer 2000 blanken in Nieuw-Zeeland waren — kwamen de Europeanen in steeds grotere aantallen. Een tijdlang was er vrede. Maar toen namen de spanningen toe omdat de blanken land wilden kopen, maar de Maori’s het niet wilden verkopen. Oorlogen — de Maori-oorlogen genoemd — waren het gevolg en tussen 1860 en 1872 was er steeds opnieuw strijd.
De Maori’s werden verslagen en er werd misbruik gemaakt van hun situatie, zoals Dr. Grenfell Price van de universiteit van Adelaide opmerkte: „De Maori-leiders waren dood of in diskrediet gebracht. Het landbezit van de Maori’s werd geconfisqueerd. Speculant en belastingpachter hadden aan de inheemse bevolking een gemakkelijke prooi.” Mijn volk was in aantal afgenomen van 200.000 of meer tot slechts ongeveer 40.000. De Maori’s voelden zich van hun rechten beroofd, en zelfs hun voortbestaan als ras scheen bedreigd te worden.
Zou ik mij voor hun zaak inzetten?
Tegen de eeuwwisseling had mijn vader het Te Aute College bezocht en een aantal van zijn Maori-vrienden, onder wie Sir Apirana Turupa Ngata en Te Rangi Hiroa (Dr. Peter Buck), kozen een carrière bij het gouvernement om de Maori’s te helpen. Mijn vader werd echter veehouder. Hij had een prachtig huis, groot en ideaal gelegen op een terrasvormig gedeelte van een stuk land van 1,6 hectare. Vlakbij hadden wij tientallen hectaren voortreffelijke weidegrond, en in mijn jeugd molken wij in topjaren wel 70 koeien. Pa was een uitstekende monteur, loodgieter en elektricien. Wij hadden onze eigen krachtinstallatie, waardoor onze boerderij al van elektriciteit werd voorzien tientallen jaren voordat dit in onze plattelandsstreek in de buurt van Napier gebruikelijk werd. Wij hadden zelfs Europese knechten in dienst.
Ik heb dan ook in mijn jeugd nooit het gevoel gehad dat wij minder waren dan de blanken. En de feiten wezen er niet op dat wij inferieur waren. Toegegeven, toen er in 1769 Europeanen arriveerden, hadden de Maori’s geen geschreven taal. Maar die werd niet lang daarna ontwikkeld, en in 1827 werd de bijbel in het Maori vertaald. Daar de mensen van ons volk zich als gretige lezers ontpopten, werden er van 1841 tot 1845 alleen al van het „Nieuwe Testament” ongeveer 60.000 exemplaren geproduceerd. Rond die tijd konden naar verhouding meer Maori’s dan blanken lezen en schrijven.
Maar toch kregen de Maori’s, grotendeels als gevolg van de oorlogen tussen Maori’s en blanken, met grote problemen te kampen. Er werd op velen van ons druk uitgeoefend om ons in te zetten voor een herstel van het onrecht dat, zoals velen zeiden, de Maori’s was aangedaan. Ik herinner me een zekere mijnheer McDonnell, een Europeaan, die dikwijls bij pa kwam en dan over deze aangelegenheden sprak en ons aanmoedigde meer te doen om ons volk te helpen.
Maar om de een of andere reden voelde ik mij niet gemotiveerd om bij zulke activiteiten betrokken te raken. Misschien was het omdat ik zo teleurgesteld was in menselijke regeerders. Zoals ik op school had geleerd, waren velen van de koningen en koninginnen van Engeland zeer immoreel en slecht. En de geschiedenis van de Maori’s was al niet veel beter.
Wat ik over het verleden van de Maori’s leerde
Alhoewel er over de tijd vóór het begin van de 19de eeuw geen geschreven Maori-verslagen bestaan, waren de Maori’s gewend details van honderden jaren geschiedenis van buiten te leren. Dikwijls vertelden mijn grootvader en mijn tantes over onze voorouders en hun vele verwanten, en die verhalen gingen wel zo’n twintig generaties terug, tot de tijd dat onze voorouders met een vloot van kano’s in Nieuw-Zeeland aankwamen. Ja, er werd soms verteld over de gesprekken en de gebeurtenissen in de kano’s, alsof dat alles nog pas de vorige week had plaatsgevonden. Was deze mondelinge geschiedenis betrouwbaar?
Ongetwijfeld werden er verhalen verfraaid bij het steeds weer opnieuw vertellen, maar van vele van de details is de juistheid bevestigd. „De eigen verslagen van de Maori’s”, zo concludeert een geschiedschrijver, „over de Vloot van A.D. 1350 worden door bewijzen uit andere bronnen zo overtuigend bevestigd, dat ze voor authentieke geschiedenis kunnen doorgaan.”
Dikwijls gingen de mondelinge historische verhalen die grootvader ons vertelde, over stamoorlogen en over „wie wie opat”. Ja, de Maori’s waren eens kannibalen. Maar met welk doel? Om hun eetlust te bevredigen? Zo werd het ons nooit verteld, en onderzoekers zijn het daarmee eens. T. E. Donne schreef in zijn boek The Maori Past and Present: „De beschikbare informatie blijkt erop te duiden dat het kannibalisme onder de Maori’s meer als ritueel is ontstaan dan ter bevrediging van de eetlust.”
Weet u, het was bij de Maori’s traditie om een belediging niet zo maar, zonder vergelding, te laten passeren. Bovendien zouden Maori’s nooit een nederlaag vergeten en altijd op wraak zinnen. Wanneer er dus een of andere belediging werd vergolden, of wraak werd genomen, at het zegevierende krijgshoofd het hart van de verslagen hoofdman op. Dit was de grootste belediging die men een andere stam kon aandoen.
Op hun beurt moesten de verwanten van de verslagene echter wraak nemen om de „eer” van de familie of van de stam te herstellen. Ik herinner me nog uit mijn jeugd de bijeenkomsten van verschillende stammen waarbij redenaars opstonden, die de oude geschiedenis in herinnering brachten en bespraken welk stamhoofd een ander stamhoofd had „opgegeten”, en wanneer. Zij kenden de details van deze overwinningen en nederlagen helemaal vanaf de tijd dat de kano’s arriveerden.
Grootgebracht met eerbied voor God
Eerlijk gezegd, zoals ik al zei, trok deze geschiedenis me niet erg aan; ze scheen niet erg eervol. Dat ik er zo over dacht, zal het gevolg zijn geweest van een andere invloed in mijn leven. ’s Avonds voor het slapen gaan las mijn grootmoeder ons kinderen voor uit de Maori-bijbel, waar zij zo van hield. De onderwijzingen daarin — ’doe voor anderen wat u wilt dat zij voor u doen’, ’keer de andere wang toe’, ’vergeld niemand kwaad met kwaad’ — zijn volkomen tegengesteld aan de wijze waarop de mensheid heeft geleefd. Naarmate ik ouder werd, begon ik steeds meer waardering te krijgen voor de wijsheid van de Schrift. — Matth. 7:12; 5:39; Rom. 12:17.
Mijn overgrootvader, Tareha te Moananui, was ook onder de indruk van wat hij in de Maori-bijbel las. Aangezien hij zijn bijbel van een anglicaanse geestelijke had gekregen, werd mijn overgrootvader anglicaan. Hij schonk een groot stuk land dat aan onze boerderij grensde als een marae of vergaderplaats en liet er op slechts 30 meter afstand van ons huis een kerk op bouwen. Ook mijn vader had waardering voor de wijsheid uit de bijbel en werd een anglicaanse lekeprediker.
Pa deed werkelijk zijn best om zijn tien kinderen groot te brengen in overeenstemming met wat hij uit de Schrift had geleerd. Ik was het vierde kind, en de oudste zoon van die tien, maar toch was ons huis groot genoeg om ons allemaal comfortabel te huisvesten. Bij de maaltijd verzamelden wij ons allemaal rond de enorme tafel, gemaakt van het fijnste kauri-hout, en er was zelfs nog ruimte voor bezoekers, die wij dikwijls hadden.
Pa geloofde vast in de bijbelse spreuk die luidt: „Wie zijn roede inhoudt, haat zijn zoon, maar wie hem liefheeft, die zoekt hem werkelijk met streng onderricht” (Spr. 13:24). Aangezien de letterlijke roede niet altijd voorhanden was, gebruikte hij dikwijls zijn vlakke hand of zijn laars, naarmate de situatie dat vereiste, en hij deed die dan op precies de juiste plaats neerkomen om duidelijk te maken wat hij bedoelde. Ik ben ervan overtuigd dat indien ouders die bijbelse raad in deze tijd zouden toepassen, er heel wat minder en misschien zelfs helemaal geen jeugdmisdaad zou bestaan.
Ook moeder speelde een belangrijke rol in het scheppen van een gelukkige gezinssfeer, hetgeen tot onze goede opvoeding bijdroeg. Wanneer ik de eigenschappen van een bekwame vrouw lees, die staan opgesomd in Spreuken 31:10-31, moet ik zeggen dat zij die inderdaad bezat. Alhoewel pa duidelijk het hoofd van het gezin was, had ma een verantwoordelijkheidsterrein waarbinnen zij werkelijk initiatief ontplooide en het huishouden goed wist te besturen.
Samen met mijn broers en zusters had ik een aandeel aan het werk rond de boerderij. Tegelijkertijd bezocht ik een technische school en met daarbij de ervaring die ik opdeed door de samenwerking met pa, werd ik een bekwame monteur en elektricien. Maar wat zou ik met mijn leven doen? Mijn vaders bekwaamheid als monteur had veel met mijn beslissing te maken.
Een nieuw patroon van bijbelstudie
De zusters van mijn moeder kregen bij Wairoa, een stad ongeveer 110 kilometer ten noorden van de plaats waar wij woonden, een ongeluk met hun nog bijna nieuwe Buick. Daarom ging pa een paar dagen naar Wairoa om de auto van mijn tantes te repareren. Hij merkte dat hun manier van leven ongeveer gelijk was aan de onze, behalve met betrekking tot hun religie.
Elke morgen lazen zij een schriftplaats uit de bijbel, gevolgd door een ongedwongen bespreking om het gelezene begrijpelijk te maken. Op een ochtend was de tekst die besproken moest worden, Prediker 9:5, 10, waar staat: „De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets . . . Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat, want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen gij gaat.” — Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap.
Vader herinnerde zich hoe een Maori-tohunga (priester) kort daarvoor tijdens een begrafenisdienst had gezegd dat de ziel van de overledene niet dood was, maar was heengegaan om bij zijn voorouders te zijn. Deze uitleg geleek natuurlijk zeer veel op de anglicaanse opvatting, namelijk dat sommige zielen naar de hemel gaan en de minder begunstigde zielen naar de hel.
Een andere verlichtende bespreking aan de ontbijttafel ging over het feit dat Jezus geringer is dan zijn Vader, en dat zijn Vader een persoonlijke naam heeft (Joh. 14:28; Ps. 83:18). Dit kon pa gemakkelijk begrijpen, want de naam van God, Ihowa (Nederlands: Jehovah), komt in de Maori-bijbel meer dan 6000 maal voor.
Een verandering van religie
Tegen de tijd dat pa naar huis terugkeerde, bezat hij een bibliotheek van zeven boeken, gepubliceerd door het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap, getiteld „Schriftstudiën”. Hij begon onmiddellijk een geregelde wekelijkse gezinsbijbelstudie, waaraan ook naaste familieleden en vrienden meededen. Toen de geestelijke dit te weten kwam, sprak hij er zijn sterke afkeuring over uit. Maar toen hem werd gevraagd een schriftuurlijke ondersteuning te geven voor de kerkelijke leerstelling van de onsterfelijkheid van de ziel en de Drieëenheid, was zijn enige antwoord: „Wees loyaal aan de Kerk.”
Dit overtuigde pa ervan dat wat hij uit de bijbel leerde, de waarheid was. Dus, met de woorden in 2 Korinthiërs 6:14-17 in gedachten, waar staat: „Komt niet onder een ongelijk juk met ongelovigen”, en „gaat . . . uit hun midden vandaan”, stuurde pa een brief waarin hij schreef dat zijn gehele gezin zich uit de anglicaanse Kerk terugtrok. Ik was destijds 19 jaar en stemde volledig met pa’s beslissing in. Hij besloot zijn brief met de woorden: „Wat mij en mijn huisgezin betreft, wij zullen Jehovah dienen.” — Joz. 24:15.
Dit bracht een hele opschudding bij de anglicaanse hiërarchie teweeg, omdat pa in de Maori-gemeenschap een vooraanstaande positie innam. Zij belegden onmiddellijk een speciale vergadering met het doel hem ertoe te brengen zijn uittreden te herroepen. Pa stemde toe in de vergadering, mits die niet in de kerk gehouden zou worden, maar op ons terrein, waar voor die gelegenheid een groot podium werd opgezet. Een aantal geestelijken, onder wie F. Bennett, de anglicaanse bisschop van Nieuw-Zeeland, samen met een grote menigte van zo’n 400 anderen, zowel blanken als Maori’s, waren aanwezig.
De vergadering
De woordvoerder van de Kerk, een Maori, scheen met opzet het gebruik van de bijbel te vermijden. In plaats daarvan deed hij een beroep op de emoties. „Onze voorouders geloofden dat de ziel na de dood voortbestaat”, zo zei hij, „en toch hebt u verkozen een religie te aanvaarden die het voortbestaan van de ziel ontkent.” Vervolgens toonde pa aan de hand van de bijbel aan dat de mens zelf de ziel is en dat daarom bij de dood van de mens de ziel sterft. Pa legde ook uit dat God een mens weer als levende ziel kan opwekken.
Toen duidelijk werd dat de anglicaanse geestelijke zijn toehoorders niet kon overtuigen, maakte hij een ongeduldig gebaar in de richting van de nabijgelegen kerk, die mijn overgrootvader had gebouwd, en riep met een geëmotioneerde stem uit: „Ik doe een laatste beroep op je: Geef dit heilige erfdeel, dat je door je illustere voorouders is nagelaten, niet op.”
Daarna stond pa op, bedankte allen voor hun komst en verklaarde dat hij er meer dan ooit van overtuigd was dat hij nu de waarheid bezat. Hij deelde iedereen de dag en het uur van onze geregelde bijbelstudie mee en nodigde allen uit die te bezoeken. Velen deden dat ook.
Een keus die de loop van mijn leven bepaalt
Die vergadering maakte een diepe indruk op mij. Terwijl wij onze bijbelstudies voortzetten, groeide er in mijn hart een verlangen om de ware God, Jehovah, te dienen. Ik begon in te zien dat zijn Koninkrijk de enige regering is die ’s mensen problemen kan oplossen, met inbegrip van die van de Maori’s. Maar het was niet duidelijk hoe ik de Koninkrijksprediking, zoals die in de bijbel staat beschreven, nu eigenlijk moest verrichten. — Matth. 24:14.
In die tijd kwamen Clifford en Edna Keoghan, pioniers, volle-tijdwerkers van Jehovah’s Getuigen, in ons gebied, en wij zorgden voor een huisje voor hen. Zij nodigden ons uit hen in het predikingswerk te vergezellen, en ik was een van degenen die dit deden. Hoe meer ik een aandeel aan deze activiteit had, des te meer besefte ik hoe onwetend de mensen ten aanzien van Gods koninkrijk waren. Mijn besluit stond vast: Mijn loopbaan zou de pioniersdienst zijn, waardoor ik in de voetstappen zou treden van Christus Jezus zelf en van de apostel Paulus. Met toestemming van pa ging ik begin 1931 in de pioniersdienst. Ik verhuisde naar Wanganui, een stad aan de westkust van het Noord Eiland, om me daar bij Frank Dewar, mijn pionierspartner, te voegen.
Mijn belevenissen als pionier
Met Wanganui als uitgangspunt werkten wij ook in de gebieden rondom. Op een keer koos ik als route een pas aangelegde weg langs de rivier de Wanganui, welke weg naar een groepje dorpen leidde met bijbelse namen, zoals Bethlehem, Jeruzalem, enzovoort. Ik berekende dat als ik bij het krieken van de dag op pad ging, ik ergens in de late namiddag Jeruzalem zou kunnen bereiken.
Het was laat in de herfst en de regens waren al begonnen. De onverharde weg werd zo modderig dat het bijna onmogelijk was mijn afgeladen fiets voort te duwen. De duisternis viel. Ik raakte elk besef van tijd en afstand kwijt. Ik zat van top tot teen onder de modder. Maar ik zette door en even later zag ik in de verte een zwak lichtje. Ik ging er regelrecht op af en al gauw klonk het geblaf van honden me als muziek in de oren.
Er ging een deur open en er verscheen een man met een heldere lamp. Toen hij voldoende dichtbij was gekomen om mij te zien, vroeg hij stomverbaasd: „Waar komt u in ’s hemelsnaam vandaan?” Toen ik antwoordde: „Wanganui”, was zijn enige antwoord een gesmoord: „Nee!”
Hij zei dat ik mijn modderige kleren maar buiten moest laten en wees me naar de badkamer. Nadat ik een bad had genomen en in een schone pyjama was gestoken, en terwijl ik genoot van de pannekoeken en de warme thee die hij me voorzette, vroeg hij me ten slotte: „Vertel me nu eens waarvoor u gekomen bent.” Wij praatten tot diep in de nacht, over de respectieve positie van Jehovah en Jezus, en over de belangrijkheid van het Koninkrijk. Hij was een vrijgezel, een herder, en bezat een krachtig geloof in de bijbel. Hij nam de bijbelse lectuur die ik bij me had graag aan.
De volgende morgen toen ik wakker werd, was hij al weg, zoals hij gezegd had. Ik ging door naar Jeruzalem en verspreidde daar en in naburige dorpen veel lectuur. Vele jaren later was ik op een congres in Napier toen er een breed glimlachende vrouw op me toe kwam en vroeg: „Kent u mij nog?” Ik moest bekennen dat ik niet wist wie zij was. Zij vervolgde: „U hebt 15 jaar geleden in Jeruzalem een serie boeken aan mij verspreid.” Zij was nu ook een Getuige.
Naar Australië en weer thuis
In maart 1932 ging ik naar Sydney in Australië om een congres te bezoeken, maar het draaide erop uit dat ik er ongeveer 15 jaar bleef. Na het congres kreeg ik de uitnodiging om een lid van de Bethelfamilie te worden, voor het proeflezen van Maori-vertalingen van het boek De harp Gods en van andere lectuur, en om te helpen bij het onderhoud van de Bethel-auto’s.
Intussen waren mijn ouders op leeftijd gekomen en dus vroegen zij mij, na de Tweede Wereldoorlog, thuis te komen en te helpen bij het werk op de boerderij. Alhoewel ik niet meer in de volle-tijddienst was, behield ik de pioniersgeest, en hielp mee aan de opbouw van de gemeenten, eerst in Hastings, later in Napier.
Rond die tijd begon de Maori-familie Wharerau in Waima, ten noorden van Auckland, de waarheid te aanvaarden. Uiteindelijk werden ongeveer 100 leden van die familie getuigen van Jehovah! In 1950 werd door de Maori-broeders in Waima de eerste Koninkrijkszaal in Nieuw-Zeeland gebouwd.
In december 1953 begonnen koningin Elizabeth en de hertog van Edinburgh aan een bezoek van een maand aan Nieuw-Zeeland. De Dominion van Wellington (Nieuw-Zeeland) berichtte: „Mijnheer en mevrouw Tuiri Tareha [pa en ma] bevonden zich onder de 74 mensen die aan de koninklijke bezoekers werden voorgesteld. In plaats van de koningin de hand te schudden, gaf mevrouw Tareha Hare Majesteit een klein pakje, netjes in bruin papier verpakt.” Het pakje bevatte de Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften en het boek „Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde”. Pa legde uit: „De koningin heeft eens gezegd dat zij wenste dat zij de wijsheid van Salomo bezat zodat zij haar volk in rechtvaardigheid en gerechtigheid kon regeren. Wij waren er zeker van dat deze boeken haar zouden helpen.”
Naar New York en in het zendingswerk
In 1956 begon ik weer te pionieren, en kort daarna werd ik voor het kringwerk uitgenodigd. Vervolgens had ik het voorrecht in 1958 het „Goddelijke wil”-congres van Jehovah’s Getuigen in New York bij te wonen. Na dat congres kreeg ik de uitnodiging om te blijven en de 33ste klas van de zendelingenschool Gilead bij te wonen. Mijn ouders leefden nog, maar zij waren blij dat ik mijn leven op deze manier aan Jehovah’s dienst wijdde.
Mijn zendingstoewijzing? Ceylon, nu Sri Lanka geheten, in de Indische Oceaan. Ik heb ongeveer 18 jaar op dit prachtige tropische eiland doorgebracht, ver van mijn vaderland, waar mijn geliefde ouders tijdens mijn afwezigheid zijn gestorven. Wat was het getuigenisgeven hier anders — en wat vormde het een uitdaging!
De eerste persoon die je op een dag ontmoet, is wellicht een boeddhist, die je waarschijnlijk zal vertellen dat er geen God is en dat redding helemaal van de mens zelf afhangt. De volgende persoon kan een moslem zijn, die in slechts één God, Allah, gelooft; de derde een rooms-katholiek, die geleerd heeft in een drieënige god te geloven; en de vierde een hindoe die in miljoenen goden gelooft. Maar het feit dat de mensen zo gastvrij zijn, geeft hun de gelegenheid de klank van bijbelse waarheid te horen en te herkennen.
De familie Pullenayegem was een goed voorbeeld. Ik richtte een bijbelstudie op bij William en zijn vrouw Olive en hun drie zonen en twee dochters. Allen, met uitzondering van één zoon, werden ijverige Getuigen. Eén zoon, Vasant, is nu een lid van het bijkantoorcomité op Sri Lanka, Mohandas is ouderling en de twee dochters, Viranjani en Vynodini, zijn beiden met een ouderling getrouwd. William is later gestorven, maar Olive heeft nog steeds een pioniersgeest en gaat wanneer zij daartoe in staat is, in de hulppioniersdienst.
In april 1977 keerde ik naar Nieuw-Zeeland terug omdat ik mijn visum niet kon laten verlengen. Hier heb ik het voorrecht een lid van de Bethelfamilie en van het bijkantoorcomité te zijn.
Bevrediging in het dienen van een goede zaak
Ik word in december 73 jaar. Wanneer ik terugblik naar de tijd dat ik een tiener was en moest beslissen hoe ik mijn leven zou gaan gebruiken, ben ik blij met de keuze die ik heb gemaakt, want ik heb niet alleen de belangen van Maori-mensen kunnen dienen, maar ook van mensen in ver verwijderde streken. Ik ben er meer dan ooit van overtuigd dat het antwoord op de wanhopige behoeften van mensen, waar zij ook mogen wonen, niet gelegen is in menselijke plannen, maar alleen in de oplossing die Gods koninkrijk biedt.
Het verheugt mijn hart te zien dat velen van mijn eigen volk dit beseffen. In Nieuw-Zeeland zijn namelijk van de ongeveer 7000 Getuigen in het land zo’n 1000 Maori’s. Tallozen van deze Maori’s zijn christelijke ouderlingen, velen zijn pioniers, drie hebben als kringopziener dienst verricht, en vijf zijn naar Gilead gegaan en zijn hun medemensen in andere landen gaan dienen. O, wat zal het geweldig zijn wanneer, door middel van het bestuur van Gods koninkrijk, de gehele mensheid als één familie verenigd zal zijn!
[Illustratie van Charles Tareha op blz. 20]
[Illustratie op blz. 20]
Hoofdman Tareha te Moananui