Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g82 22/12 blz. 17-20
  • Ik verliet de kerk, ik stopte met roken, ik gaf mijn zaak eraan

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik verliet de kerk, ik stopte met roken, ik gaf mijn zaak eraan
  • Ontwaakt! 1982
  • Vergelijkbare artikelen
  • U kunt breken met de tabaksgewoonte
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
  • „U kunt ermee stoppen — net als wij!”
    Ontwaakt! 1998
  • Waarom stoppen met roken?
    Ontwaakt! 2000
  • Sigaretten — Bedankt u ervoor?
    Ontwaakt! 1996
Meer weergeven
Ontwaakt! 1982
g82 22/12 blz. 17-20

Ik verliet de kerk, ik stopte met roken, ik gaf mijn zaak eraan

Edward George vertelt waarom

HET grootste deel van mijn leven heb ik tot de Presbyteriaanse Kerk behoord. Ik ging naar de kerk vanaf mijn vierde jaar. Ik werd diaken. Gaf vijftien jaar les op de zondagsschool. Zong in het koor. Was actief bij allerlei kerkelijke activiteiten betrokken. Toen verliet ik de kerk.

Het was 1943. De Tweede Wereldoorlog was aan de gang. Ik was ongeveer twintig, ik nam dienst bij de luchtmacht en ik begon te roken. Ik rookte dertig jaar lang, op het eind zo’n drie en een half tot vier pakjes per dag. Toen stopte ik met roken.

Mijn vader ging meer dan vijftig jaar geleden in tabak handelen. Dertig jaar later werd ik zijn compagnon. Het was een zeer winstgevende handel, die jaarlijks drie tot vier miljoen dollar opleverde. Met de dood van mijn vader werd ik de enige eigenaar. Had jarenlang de leiding over de firma. Toen gaf ik de zaak eraan.

Dat ik een punt zette achter de kerk en het roken en de zaak, was niet omdat het in mijn aard ligt het bijltje erbij neer te leggen, maar omdat ik met iets anders begon. Ik begon de bijbel te bestuderen.

Aan het opgeven van al deze dingen is echter heel wat voorafgegaan. Het roken begon toen ik dienst nam bij de luchtmacht. Ik was zeer patriottisch gezind. Ik ben drie en een half jaar hopman bij de padvinders geweest. Ook de kerk was erg patriottisch. Jongens die in dienst waren, genoten speciale eer. Je naam kwam met een ster eromheen op een groot bord te staan, waar iedereen het kon zien.

Ik was drie jaar in dienst. Ging in 1944 met mijn onderdeel naar Europa. We moesten vijftig missies vliegen. Ik was op mijn zesenveertigste vlucht toen ik boven het Zwarte Woud in Duitsland werd neergeschoten. Ik vloog een B-24, een viermotorige bommenwerper. De bemanning telde tien koppen en ik was de piloot.

Al vaak genoeg waren we de dans ternauwernood ontsprongen. Op één vlucht werden twee motoren uitgeschakeld en moest ik een noodlanding maken op Corsica. Wij bleven daar totdat ons vliegtuig gerepareerd was. De flak, het luchtdoelgeschut, vormde voor ons het grootste gevaar. Het gebeurde maar zelden dat we door jachtvliegtuigen werden aangevallen. De Duitsers hadden er genoeg, maar ze hadden niet genoeg brandstof om ermee te vliegen — hun olievelden waren zwaar gebombardeerd door de Amerikanen. Eén ding was wel beangstigend: de Duitsers waren de eersten die een straaljager ontwikkelden. Het was ontzagwekkend om die vliegtuigen zo snel langs te zien flitsen. Gelukkig konden ze slechts vijftien minuten in de lucht blijven — net genoeg om tot onze hoogte te klimmen, te proberen je te raken en dan weer noodgedwongen te landen.

Zoals ik zei, de flak was ons grootste probleem. Wij vlogen op zo’n zes tot zeven en een half duizend meter en zij wisten dank zij hun radar precies waar wij zaten — een heel onrustig idee! Hun flak schoot met granaten — 88 of 105 millimeter — die waren voorzien van een tijdbuis. Een granaat bereikte een bepaalde hoogte en explodeerde dan, naar alle kanten scherven sproeiend. Ontplofte de granaat dicht bij, dan richtte ze behoorlijke schade aan en kon ze zelfs het vliegtuig doen neerstorten.

Dat gebeurde op onze zesenveertigste vlucht. Een granaat boorde zich in onze vleugel, vervolgde haar weg door een benzinetank en ontplofte boven ons. Als ze direct bij het treffen was ontploft, had ik dit verhaal nu niet verteld.

Tijdens de oorlog bezocht ik de avonddiensten van de luchtmachtpredikanten. Zij waren meer psychiaters dan geestelijken. Toch zocht ik religieuze vertroosting; ik wist nooit of ik wel of niet van mijn volgende missie zou terugkomen.

En ik kwam niet op onze basis terug na mijn zesenveertigste missie. De granaat had onze benzinetank geraakt en een van de vier motoren uitgeschakeld. Het was gebeurd waar Tsjechoslowakije aan Duitsland grenst, niet ver van de Russische grens. Spoedig daarna gaf ik het bevel: „Oké, open de deuren van het bommenruim, ga op de loopbrug en spring!” Zeven man sprongen eruit. Met zijn drieën bleven wij in het toestel.

Nu bevonden wij ons boven het Russisch-Duitse front, op de grond werd zwaar gevochten en wij hadden zware schade. Alles viel uit. Wij begonnen in een spiraalbeweging naar beneden te duiken. De besturingssystemen werkten niet meer, het landingsgestel zakte niet en terwijl wij omlaagkwamen, trok het toestel weer vlak, raakte de grond, schoof door en kwam toen tot stilstand. Toen het in brand vloog, sprongen wij uit het bovenluik.

Ik werd door de Duitsers gevangengenomen. Voor mij was de oorlog voorbij. Ik was zes maanden krijgsgevangene en werd toen bevrijd door de Russen. Toen mijn diensttijd bij de luchtmacht erop zat, keerde ik terug naar Jacksonville in Florida. Dat was in 1946.

Mijn familie en de familie Belloit woonden in Jacksonville. Tijdens de oorlog waren de beide families met elkaar in contact gekomen. Na de oorlog ontmoette ik Yvonne Belloit en wij trouwden. Familieleden van haar waren Jehovah’s Getuigen maar zij was zelf geen gedoopte Getuige. Ik ging wel met haar familie om, maar ik had Yvonne gezegd dat zij hun mond moesten houden over hun geloof.

Ik zette mijn activiteiten in de Presbyteriaanse Kerk voort, Yvonne behield haar omgang met de Getuigen. Wij hadden geen onenigheid over religie, maar mettertijd werd Yvonne’s contact met de Getuigen minder. Zij studeerde niet meer met hen, werd erg werelds, begon kerstmis en nieuwjaar en andere feestdagen te vieren en raakte zelfs verwikkeld in politieke activiteiten.

In die jaren hoorde ik heel weinig over de activiteiten van de Getuigen. Toen deed een van hen wat werk voor mij en voor een vriend van mij, Dr. Ivy. Deze man vertelde Dr. Ivy over de komende oorlog van Armageddon. De dokter had Yvonne sinds haar jeugd gekend, en hij belde haar en vroeg: „Yvonne, jij bent thuis als Getuige opgevoed. Waarom heb je me nooit van Armageddon verteld?” „Ik bel mijn broer Don”, zei zij, „dan kan hij het u wel uitleggen.” Het resultaat was dat Dr. Ivy en zijn vrouw en Yvonne en ik de bijbel met Jehovah’s Getuigen begonnen te bestuderen. Don Belloit leidde de studie.

Zo is het dus begonnen, en tegen die tijd wilde ik de studie ook. Er gebeurden dingen in mijn kerk waarmee ik niet gelukkig kon zijn. Ik was diaken, en mijn werk bestond ten dele uit het vragen om toezeggingen van geld. Ik vond het helemaal niet prettig. Ik kwam op huisbezoek bij mensen die niet wisten waar hun volgende maaltijd vandaan moest komen, en ik kwam om geld vragen.

Wij betaalden onze predikant $12.000 per jaar en in die tijd was dat meer dan haast ieder ander in de gemeente verdiende. Een van de diakens keurde dit dan ook sterk af en zei: „Waarom wordt een predikant toch altijd beroepen naar een grotere gemeente? Ze worden nooit beroepen naar een kleinere, maar altijd een grotere met een groter salaris!”

De leer van de kerk was nog iets waarmee ik het moeilijk kreeg. Wij hadden destijds de Presbyterian Survey, en er stond een groot artikel in over het hellevuur en de hel als een plaats van eeuwige foltering voor goddelozen. Ik wist dat dat niet juist was, dat de ziel niet iets onsterfelijks was, maar dat wanneer mensen stierven, zij totaal niet meer bestonden. Als zij ooit opnieuw zouden leven, dan zou dat door middel van een opstanding zijn. — Ezech. 18:4, 20; Pred. 9:5, 10; Rom. 6:23; Joh. 5:28, 29.

In elk geval was nu deze bijbelstudie begonnen, en het gevolg zou zijn dat ik heel wat activiteiten in mijn leven zou beëindigen. Het eerste wat eindigde, was mijn binding met de Presbyteriaanse Kerk.

Don Belloit was vier of vijf jaar lang trouw iedere week naar ons huis gekomen, en had iedere keer drie uur met ons gestudeerd. We hadden verschillende boeken doorgewerkt, samen met de bijbel — hij ondersteunde alles altijd met de bijbel. Ook waren Yvonne en ik de Koninkrijkszaal gaan bezoeken samen met de gemeente van Getuigen die daar bijeenkwam. Ik was onder de indruk van hun oprechtheid en vriendelijkheid. Op een avond hadden zij een Getuige die een grove zonde had begaan, uit de gemeenschap gesloten en ik zei tot mijzelf: „In de presbyteriaanse kerk waar ik kwam, zou dat nooit gebeuren.” De Getuigen doen er alle moeite voor hun gemeenten moreel rein te houden.

Tegen deze tijd was ik gereed mijn leven aan Jehovah op te dragen en mij te laten dopen. Ik rookte nog, maar het lukte me om tijdens de studie niet meer dan twee of drie sigaretten te roken. Ik wist dat roken door de Getuigen werd afgekeurd, maar verboden was het niet. Maar nu, net toen ik gedoopt wilde worden, werd de gedragslijn veranderd zodat roken nu helemaal verboden was!

Stel u voor hoe ik mij voelde. Natuurlijk wist ik dat roken slecht was voor mijn gezondheid. Ik was tientallen jaren een zware roker geweest, en wanneer ik ’s morgens opstond, hoestte ik anderhalf uur lang. Maar in de loop der jaren had ik heel erg mijn best gedaan om te stoppen — minstens acht- of tienmaal, en het was me nog nooit gelukt.

Hoe het ook zij, ik besloot het nog één keer te proberen. Mijn motivatie was nu sterker. Ik had nu Jehovah leren kennen. Ik had nu nagedacht over Jezus’ woorden, ’Jehovah met je hele hart lief te hebben’ en — bij uitstek toepasselijk voor roken — ’je naaste als jezelf lief te hebben’ (Matth. 22:37-39). In al die vijfenveertig jaar in de orthodoxe religie was mij nooit onderwezen op dit gebied mijn naaste als mijzelf lief te hebben.

Ditmaal moest ik dus een geestelijke kracht aanwenden in mijn gevecht tegen mijn verslaving. Ik bad om Jehovah’s hulp. Ook mijn gezin bad tot God om mij te helpen het gevecht te winnen. Op een avond hoorde ik tot mijn grote ontroering mijn vierjarige dochtertje Kelly tot Jehovah bidden: „Help alstublieft Papa met roken te stoppen.”

Ik stelde mijzelf een tijdslimiet. In 1975 zou er een groot congres van Jehovah’s Getuigen komen. De avond voor het congres zou ik mijn laatste sigaret roken! De twee maanden die eraan voorafgingen, rookte ik meer dan ooit, vier en een half pakje per dag. Het was niet verstandig, maar ik denk dat ik mij voor het laatst nog even liet gaan, een soort van afscheid, een psychologische finale. De avond voor dat congres van 1975 drukte ik mijn laatste sigaret uit. Ik heb er sindsdien nooit meer een opgestoken.

Geen terugval. Ik ga nooit meer roken. Maar het verlangen ernaar komt wel terug. Zelfs zeven jaar later. Als iemand zegt dat roken niet verslavend is, geloof hem niet! Het eerste jaar droomde ik iedere nacht dat ik rookte. Zelfs nu nog overkomt dat me soms. Ik heb een zak pepermuntjes in de auto voor het geval dat ik weer behoefte aan een sigaret krijg. Het vreemde is, wanneer dat verlangen zich voordoet, is het even sterk als op de dag dat ik stopte, maar de aandrang duurt gelukkig slechts een paar seconden. Het is een voortdurende reeks gevechten, maar dank zij Jehovah’s onverdiende goedheid heb ik de strijd gewonnen.

Nu kwam ik tegenover de derde uitdaging te staan: als het voor mij als christen verkeerd was om te roken, zou het dan ook niet verkeerd zijn om anderen tabak te verschaffen om te roken? Zou ik, moest ik, mijn winstgevende tabakshandel verkopen? Ik had gehoord van Getuigen die banen hadden opgegeven die onjuist werden geacht voor een christen — banen waarin zij een salaris van tien- tot vijftienduizend dollar per jaar hadden genoten. Maar mijn handel in tabak leverde jaarlijks een paar miljoen dollar op. Mijn omzetbelasting bedroeg per maand al tussen de $100 en $110 duizend.

Ik was een tussenpersoon. De grote fabrikanten kochten de tabak van de verbouwers, bewerkten die en maakten het eindprodukt en verpakten dat. Ik kocht van hen en verkocht aan de detaillisten. De omvang van de tabakshandel is verbijsterend. Het gaat niet alleen om sigaretten, maar ook sigaren, pijptabak, pruimtabak en snuiftabak. Men heeft daar geen besef van, maar alleen al snuiftabak is een produkt waarin enorme bedragen omgaan. Ik verkocht er tonnen van. En in deze handel treedt geen recessie, geen achteruitgang, op. Ja, als het slecht gaat, maken mensen zich zorgen en dan roken zij nog meer.

Wat moest ik dus aan met mijn tabaksfirma? Ik besloot mijn zaak te verkopen en heb dat ook gedaan. Mijn drie moeilijke beproevingen, een einde te maken aan dingen waaraan een eind moest komen, waren voorbij.

En dit alles vloeide voort uit een bijbelstudie met de christelijke getuigen van Jehovah! De climax van die studie kwam in 1975 toen de vier studenten, dokter en mevrouw Ivy en Yvonne en ik, werden gedoopt op een congres van Jehovah’s Getuigen.

[Inzet op blz. 18]

Ik gaf het bevel: „Oké, open de deuren van het bommenruim, ga op de loopbrug en spring!”

[Inzet op blz. 18]

Ik ging wel met haar familie om, maar ik had Yvonne gezegd dat zij hun mond moesten houden over hun geloof

[Inzet op blz. 19]

Ik kwam op huisbezoek bij mensen die niet wisten waar hun volgende maaltijd vandaan moest komen, en ik kwam om geld vragen

[Inzet op blz. 20]

Nu kwam ik tegenover de derde uitdaging te staan: als het voor mij als christen verkeerd was om te roken, zou het dan ook niet verkeerd zijn om anderen tabak te verschaffen om te roken?

[Inzet op blz. 20]

Ik was diep ontroerd toen ik mijn vierjarig dochtertje Kelly tot Jehovah hoorde bidden: „Help alstublieft Papa met roken te stoppen”

[Illustratie van Edward George op blz. 17]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen