Hulp voor mishandelde dieren
Door een stafschrijver
SOMMIGE van de dieren heeft men vroeger als huisdier gehouden. Andere zijn mishandeld, waren hun moeder kwijtgeraakt of hadden een verwonding opgelopen. Weer andere waren door de autoriteiten geconfisqueerd. Lang niet allemaal zijn het inheemse dieren, die in de Verenigde Staten thuishoren; vele zijn in nood verkerende exotische dieren. Bij sommige zijn de klauwen verwijderd, de tanden uitgetrokken, ze zijn gecastreerd of verzwakt en kreupel ten gevolge van ondervoeding of de wreedheid van vroegere eigenaars. Al deze dieren hebben hulp gevonden in Wildlife Waystation (’Tussenstation voor in het wild levende dieren’), dat er prat op gaat ’nog nooit een dier in nood te hebben afgewezen’.
Mijn bezoek hier vorig jaar augustus heeft mij ervan overtuigd dat het Wildlife Waystation dit met recht mag zeggen.
Nadat wij, een fotograaf en ik, verscheidene kilometers de Little Tujunga Canyon in de San Gabriel Mountains boven Los Angeles waren ingereden, arriveerden wij bij dit 65 hectare grote dierenpark. Wij werden verwelkomd door een gebruinde, gezonde jonge vrouw — Martine Colette, stichtster en presidente van deze — geen winst beogende en van belasting vrijgestelde — faciliteit voor dieren. (Bezoekers worden alleen na afspraak ontvangen.) Vriendelijk, ter zake kundig, zich gemakkelijk en duidelijk uitdrukkend gaf zij ons een rondleiding door Wildlife Waystation.
„Dit is Cowboy”, zei Martine toen wij bij de eerste kooi stopten. In de kooi bevond zich een prachtige grote poema.
„Dit dier was zes maanden oud toen ze hem in een dierenzaak ontdekten, slecht gevoed en met een slecht gebit — gelukkig waren het zijn melktanden. Hij is nu in prima conditie en goed geluimd.”
„Maar die naam Cowboy?” aarzelde ik.
Zij lachte. „Toen hij klein was, liet ik hem los bij de paarden. Hij vond het prachtig om achter ze aan te jagen. De paarden vonden het toen niet erg — nu zouden ze er geen zin in hebben.”
Het trieste verhaal van Sheena
Later bij de kooi van een andere poema was er geen aanleiding voor luchthartigheid.
„Dit is een triest verhaal”, begon Martine. „De man had een heel elegant appartement — meubels in Louis Seize-stijl, kroonluchters, met witte zijde beklede canapés, antiek. Hij zag voor zijn geestesoog nog een mooi ’meubelstuk’ — een elegant dier dat tussen al deze weelde rondliep. Hij kocht een jonge poema. Hij had echter geen begrip van de aard van de poema. Het jong begon de dingen te doen die zulke dierebaby’s nu eenmaal doen. Dus verwijderde hij haar nagels. Ze werd ouder, maar ze gedroeg zich nog steeds niet volgens zijn specificaties. Dus moesten haar hoektanden eruit. Dat was niet genoeg en al haar tanden gingen eruit. Hij was nog steeds niet tevreden met haar en daarom is ze nu hier.”
Martine boog zich dicht naar de kooi toe en zei zachtjes: „Hallo Sheena.” De grote kat keek haar mistroostig aan, maar met wat aandrang sperde Sheena haar bek open. Alleen naakt tandvlees, geen tand in haar bek. Een pan met iets wat op maïspap leek, stond naast haar. „Haar voedsel wordt speciaal bereid”, legde Martine uit.
Toen wij bij Sheena wegliepen, zei Martine uit zichzelf: „Er zijn maar weinig mensen die een wild dier als huisdier kunnen hebben. De meesten schieten in hun zorg voor hen te kort. Niet door opzettelijke wreedheid, maar door onwetendheid, of zorgeloosheid, of omdat ze zelf in het middelpunt van de belangstelling willen staan, of wat het ook is.”
„Veel mensen”, zei ik, „voelen zich tot deze prachtige grote katten aangetrokken, verlangen ernaar ze als huisdier te hebben en te kunnen aanhalen. Ik begrijp dat gevoel wel. Ik heb het zelf ook. Maar poema’s zijn geen poedels. Ze zijn gemaakt voor de wildernis en niet voor de huiskamer. Sommigen, zoals de man die Sheena ruïneerde, willen voedsel verschaffen aan hun eigenwaan, willen zo’n dier gebruiken om een beeld, een image van mannelijkheid te creëren.”
We bezochten de wolven.
„Dit stel komt uit een dierentuin. Die is uit een dierenpark waarvan de eigenaar werd gedood. Deze hebben we ergens in het noorden aan een ketting in iemands achtertuin gevonden.” Terwijl Martine haar toelichting gaf, onderbrak zij zich telkens door elke wolf een groet toe te roepen, waarop de dieren ook steeds reageerden.
„Wolven worden zo verkeerd begrepen. Mensen die ze houden, doen alles precies verkeerd, zondigen tegen de sociale gedragscode van het dier, komen tussen hem en zijn voedsel of tussen hem en zijn wijfje. Dan reageert het dier en bijt iemand.” Ze zweeg even en vervolgde toen: „Ik heb medelijden met de wolven. Ze zijn heel uitbundig, het zijn hardlopers, die kilometer na kilometer afleggen. Deze kennels van twaalf meter zijn niets. Hopelijk is ons volgende project dat we ze een omheinde ruimte van een acre [0,4 hectare] kunnen geven.”
Nasty haat ons
In de volgende kooi zag ik een Chinese panter. „Deze soort is de grootste van de panters”, zei Martine. „We moeten wat tandartsenwerk aan dit dier verrichten.” Ze riep: „Dag Nasty, dag m’n jong!” De panter sperde zijn bek open en begon hevig te blazen naar haar. „Zijn naam is Dynasty”, legde ze uit, „maar we noemen hem Nasty [’onaardig’].”
„Beantwoordt hij aan zijn bijnaam?” vroeg ik.
„Volkomen!”
„Hij zit al weer naar ons te blazen.”
„Dynasty gelooft niet in mensen. Hij is in een dierentuin geweest, toen in een soort safaripark, toen bij ons. Als we zijn tanden weer goed krijgen, hopen we hem in een dierentuin te kunnen plaatsen.” Toen we weggingen, gaf Nasty ons nog een blaasconcert ten afscheid.
„Dit is George de jaguar”, vertelde Martine. „In circussen zie je geen nummers met jaguars of het moeten jonge dieren zijn. Oudere dieren zijn onvoorspelbaar. Nee”, verbeterde zij zichzelf, „ze gedragen zich wel voorspelbaar. Ze eten je op.”
„Dat is voor mij voorspelbaar genoeg.” Tot de jaguar zei ik: „Wat je dan ook verder bent, George, je bent beslist mooi!”
„Kijk dat gezicht toch eens! Is het geen prachtig gezicht?” vroeg Martine terwijl wij stonden te kijken naar een grote Siberische tijger. Het dier had een bijzonder mooie kop. „De eigenaar was een dokter die altijd een tijger had willen hebben”, legde zij uit. „Hij droomde ervan vanaf de tijd dat hij nog een kleine jongen was. Hij kocht dit dier voor $3000 toen het nog heel jong was. Tegen de tijd dat het dier vier maanden oud was, lag de dokter de meeste tijd op de keukenvloer. Bij het spelen kegelde het jong hem constant omver. Gelukkig was hij een verstandig man en geen egoïst en hij besefte: ’Als dat dier mij met vier maanden al alle hoeken inmept, wat doet hij dan als hij volwassen is?’ De goede dokter zond hem naar ons.”
„Reesha, Reesha”, riep zij zachtjes tot de tijger, en de grote gele ogen staarden haar kalm aan uit dat ongelooflijk mooie gezicht. Martine’s toewijding jegens de aan haar zorg toevertrouwde dieren is onmiskenbaar. Zij stak een hand door het gaas heen. Met een grote roze tong waste Reesha hem schoon voor haar.
„Hoe oud is Reesha?” vroeg ik.
„Hij is nog een kind — drie jaar oud.”
„En hoeveel weegt hij?”
„Nu ongeveer 500 pond, op den duur bijna 700.”
Verderop bewonderde ik een grote leeuw met manen. De fotograaf wilde een plaatje van hem maken. Hij rees statig overeind en liep weg. „Hij wil niet op de foto. De koning geeft u te kennen dat uw audiëntie beëindigd is”, zei Martine.
Droevig verhaal met een goede afloop
Vervolgens brachten wij een bezoekje bij een prachtige leeuwin. „Hier is een droevig verhaal met een goede afloop”, zei Martine. „Als jong zat ze in een kleine kooi met een jong mannetjesdier. Door verhongering of ziekte stierf het mannetje en, om haar honger te stillen, begon zij hem op te eten. Toen de eigenaar dat zag, gaf hij haar een kastijding met een ijzeren pijp. Zij vloog hem aan en hij sloeg haar al haar tanden uit. Toen zij hier kwam met zes maanden, had ze geen vacht meer op haar lijf, omdat niemand haar kooi had schoongemaakt en de urine en uitwerpselen al het haar hadden weggebrand. Ze had een hartstochtelijke haat jegens mensen. Als je dicht bij haar kwam, probeerde zij je te doden. Nu is ze ontspannen en gezond, met goede klauwen en tanden — het waren haar melktanden die eruit waren geslagen.”
Wij hadden nu het midden bereikt van het zich in alle richtingen uitstrekkende kamp. „Hoeveel dieren hebben jullie hier?” vroeg ik.
„Ik weet het werkelijk niet. Ik wil ze niet tellen. Als ik ze ging tellen, zou ik wel eens tot de conclusie kunnen komen dat ik ze nooit kan blijven voeden. U hebt het grote spul gezien, maar we hebben dozijnen wasbeertjes, vossewelpen, jonge coyotes. En ik weet niet hoeveel vogels.”
„Er is niets wat jullie niet aannemen, is het wel?”
„Nee, we nemen niet alleen het grote spul. Die zijn natuurlijk erg zichtbaar en dramatisch, maar de hoofdmoot van ons werk is het kleine grut.”
De onvoorspelbare beren
Het volgende dier was echter heel groot spul — een geweldige Kodiakbeer die tegen de tralies van zijn kooi gezakt zat.
„Dit is Chow. Op een dag was zijn trainer hem vis aan het voeren, en Chow pakte de vis en ook het been van de trainer. Begrijpelijkerwijs verloor de trainer zijn interesse in Chow en daarom kwam Chow bij ons terecht. Naar mijn mening,” bracht Martine naar voren, „zijn beren van alle carnivoren wel de meest onvoorspelbare. De uitdrukking van hun ogen verandert nooit. De grote katten, de wolven en andere dieren geven een waarschuwing. De uitdrukking van hun ogen en ook de taal die hun lichaam spreekt, verandert. Bij beren verandert niets, hun ogen niet en hun lichaam niet — tenzij hij natuurlijk in een aanval op je af stormt. Maar hij kan op je af komen lopen om een vis aan te pakken en je in plaats daarvan een mep verkopen.”
„Gaat een van je mensen hier bij Chow naar binnen?”
„Beslist niet.”
„Hij lijkt volgzaam.”
„Misschien is hij het, misschien niet. Wie zal het zeggen? Hij zou een goede pokerspeler zijn. We hebben beren waar we wel naar binnen gaan, de zwarte beren. Ze mogen met ons in de vijver zwemmen als ze willen komen.”
„Als ze willen komen?” vroeg ik.
„Dat klinkt misschien gek, maar sommige gekooide dieren willen nooit hun kooi uit. Het is hun territorium en zij willen het niet verlaten. Het is hun ’home sweet home’.
Hier zijn verscheidene zwarte beren. Ziet u die beer met dat plaatje in het oor? Ze hoorde in een van de nationale parken thuis. Haar moeder werd blijkbaar vanuit auto’s gevoerd. Toen haar moeder haar had, deed ze haar voor hoe ze lekkernijen uit auto’s kon bemachtigen, hoe ze haar klauwen in de groeven langs een autoportier moest zetten en dan het portier kon wegscheuren. Of een andere plek waar ze de auto kon openscheuren. Er was haar geleerd dat in iedere auto lekkers te vinden was. Toen kreeg zij jongen — ziet u die twee jonge mannetjes? Die zijn van haar — en zij leerde hun wat zij zelf van Ma geleerd had: Zoek een auto, scheur hem open en pak het lekkers dat erin is.
Maar de parkwachters vinden dat stout. Zij vangen zulke beren en transporteren ze dieper het park in en hopen dan maar dat ze niet terugkomen. Maar de meeste doen dat wel en zien er helemaal niet tegen op om 80 of 160 kilometer af te leggen om weer bij de auto’s en de lekkernijen te komen. Dan wordt het een kwestie van of de beren te doden of een ander tehuis voor ze te vinden. Meestal draait het uit op doden van de beren. Maar deze moeder, Honeybear, was een gunstelinge. De parkwachters kenden haar moeder, ze hadden haar als heel klein baby’tje gezien en hadden haar zien opgroeien. Zij was een speciaal geval, en daarom kwam zij met haar jongen hier terecht. Beren in de parken voeren”, concludeerde Martine, „lijkt dan wel een goede daad, maar je doet de beren er geen goed mee.”
Naäperij
Wij klommen tegen een heuvel op naar de kooien van de apen die daar tegen de helling lagen.
„Men spreekt niet zonder reden van ’naäperij’. Apen moeten andere apen kunnen observeren om apen te worden. Heel veel van wat ze doen, van het verzamelen van voedsel tot slaapgewoonten, tot seksuele gedragingen, tot de verhoudingen binnen de troep — het is allemaal door observatie geleerd. Kijk maar rond. We hebben overal apenparen, maar u ziet geen enkel jong. Ze zijn geen van alle in staat zich voort te planten, omdat ze het nooit gezien hebben.”
Op dit punt stopte Martine om een paar werkers instructies te geven.
„Hoeveel man heb je hier werken?” vroeg ik.
„Op het moment tien. Ze stellen hun tijd vrijwillig ter beschikking en werken hier voor kost en inwoning.
Daar”, ging zij verder, „is een aap die compleet kaal was toen ze hier kwam. Ze had in een kleine kooi gezeten en haar eigenares had de meeste tijd naast de kooi gezeten. Ze zat en ze at, en ze gaf voedsel aan haar aap, die ook zat en at. Acht jaar lang zaten ze en aten ze. Mevrouw woog ongeveer 270 pond en de aap woog 45 pond. De aap verveelde zich, en wanneer ze niet zat te eten, plukte ze zich de haren uit haar lijf. Ze is nu vier jaar bij ons en het grootste deel van het haar heeft ze weer terug.”
Aan de andere kant van de weg werd gebouwd. „Wat wordt dat?”
„Een ziekenhuis. Wanneer het klaar is, kan alle diergeneeskundig werk hier gedaan worden.”
„Ben jij dierenarts?”
„Nee. Mijn moeder vond dat geen beroep voor keurige jongedames. Zij hoopte dat ik zo’n jongedame zou worden. Haar hoop is op jammerlijke wijze de grond in geboord, maar ik was een gehoorzaam meisje en ik ging niet in tegen wat mijn moeder zei. En zij zei dat ik beslist geen diergeneeskunde kon doen. Dus werd ik wat ik nu ben, wat dat dan ook is.”
Onze rondleiding was voorbij en Martine nodigde ons uit om nog even wat te drinken in het huis van haar en haar echtgenoot, dat op het terrein van het kamp staat. Zij zette ons een koele drank voor — een verfrissende traktatie op deze hete middag in augustus.
Een uitwisseling van gedachten
„Was je vanaf je jeugd in dieren geïnteresseerd?” vroeg ik haar.
„Ja, heel vroeg al. Mijn vader was diplomaat en wij verhuisden nogal eens naar een nieuwe standplaats. Ik kreeg privé-lessen zodat ik weinig speelkameraadjes had. Ik zocht gezelschap bij dieren.
Bij ons werk hier kijken mensen naar bepaalde dieren waarvan rehabilitatie onmogelijk lijkt, of kleine dieren die voor hen onbelangrijk zijn, en zij vragen: ’Waarom houden jullie die? Een dierentuin zal ze nooit nemen. Bespaar dat geld dat nu voor hun verzorging nodig is. Geef ze een spuitje. En deze opossum, het is geen bedreigde diersoort, waarom daar geld aan verspillen?’ Zakelijk bezien hebben ze gelijk.
Vandaag de dag wordt zo veel in dollars, in geld uitgedrukt. Maar Wildlife Waystation is niet opgezet om winst te maken Het is uniek. Het is een liefdadigheidsinstelling die bekostigd wordt uit vrijwillige bijdragen. En dan zijn wij van onze kant barmhartig met levens. En waar moet je de grens trekken? Waarom is deze panter belangrijker dan die opossum of die mus minder belangrijk dan de opossum?”
„Het argument om geld uit te sparen klinkt logisch”, zei ik, „maar zo’n argument komt uit het verstand en niet uit het hart. Jehovah God zelf daarentegen neemt zelfs nota van het lot van een mus. Zijn wet aan Israël beschermde moedervogels. De wet eiste consideratie voor de os en de ezel. Hoe er werd gedacht over jagen bij wijze van sport blijkt uit de veroordeling van Nimrod. Jagen voor voedsel was geoorloofd, maar het bloed moest op de grond worden uitgegoten uit respect voor het leven. En een van de spreuken zegt ’Een goed mens zorgt voor zijn dieren, maar goddeloze mensen zijn wreed tegenover hun dieren’ (12:10a). Maar al te vaak concentreren ’praktische’ mensen zich op het materiële en verwaarlozen dan het geestelijke. Wanneer je de geest verhardt, verlies je de rijkdom van het leven. Het geestelijke is, op de keper beschouwd, praktischer dan het materiële.”
Zij dacht een tijdje na en merkte toen op: „U begrijpt de essentie van wat hier gebeurt. U begrijpt wat ik probeer te doen.” Zij was even stil en ging toen verder: „Ik geloof dat het een gebiedende noodzaak is dat mensen contact hebben met dieren die in het wild leven, en met ongerepte natuurgebieden. Ik geloof dat dat goed is voor de menselijke geest. Wanneer ik verontwaardigd word over het doden van wilde schepselen voor de sport of met het oog op de trofeeën, dan zeggen mensen tegen me: ’Wat kan het mij schelen als er geen poema’s zijn? Ik heb er mijn hele leven nog nooit een gezien, en het doet mij niets als ze er niet zijn!’ Maar wanneer die wilde schepselen en ongerepte gebieden verdwenen zijn, zijn ze voorgoed verdwenen en hebben we een kostbare erfenis verloren.”
„Martine”, zei ik, „waarom willen mensen in de parken de beren voeren, hoewel het niet goed is voor de beren? Waarom willen zij die wilde dieren als huisdier, wanneer het in de meeste gevallen slecht voor de beesten blijkt te zijn? Mensen willen ze geen kwaad doen, ze willen een bepaalde band met die dieren. Dierentuinen verkopen zakjes voer waarmee bezoekers de dieren mogen voeren, omdat men weet dat de mensen dat dolgraag willen. Waarom? We zijn zo gemaakt.”
„Ik behoor niet tot uw religie”, antwoordde Martine, „ik behoor tot geen enkele religie. Ik heb te veel tegenstrijdige dingen gezien in de hele wereld dan dat ik godsdienstig kan zijn zoals andere mensen dat zijn. Ik geloof in de aarde en de hemel, en dat Iemand daarboven de dingen bestuurt. Zelfs in ons werk hier voel ik dat. Wij hebben iets nodig, het is er niet en we hebben niet het geld om het te kopen. Op het beslissende moment komt iemand ermee langs en vraagt: ’Kunnen jullie dit gebruiken?’ En ik antwoord: ’Kan een eend zwempoten gebruiken?’”
Het einde van alle wanbeheer
„Wel, zoals je weet, Martine, zijn Jehovah’s Getuigen een groep die zich naar de bijbel richt”, zei ik. „Wij geloven dat God ons heeft geschapen met dit verlangen om een bepaalde band met dieren te hebben. Toen hij de mens maakte, zei hij tot hem, in Genesis 1:28: ’Uw nakomelingen zullen over de hele aarde wonen en die onder hun bestuur brengen. U geef ik het beheer over de vissen, de vogels, en al de wilde dieren.’ Op het moment schiet de mens jammerlijk te kort in het behartigen van deze taak. In plaats daarvan heeft hij de aarde verontreinigd en vele diersoorten uitgeroeid en nog vele meer in gevaar gebracht. God zal hieraan een eind maken en zegt hierover in Openbaring 11:18: ’De tijd is gekomen om degenen te vernietigen die de aarde vernietigen!’”
Hiermee eindigde ons bezoek aan Wildlife Waystation. Terwijl wij wegreden, dachten wij terug aan alles wat wij gezien en gehoord hadden.
Wij waren droevig gestemd om de dieren die door de mens zo slecht waren behandeld. Wij waren onder de indruk van de mensen van Wildlife Waystation die zo hard werkten om ze te helpen. Maar hoe prijzenswaardig ook, het is slechts een druppel op een gloeiende plaat wanneer de wereldsituatie in aanmerking wordt genomen. Hoe heerlijk zal het zijn wanneer Jehovah handelend optreedt om over de hele aarde een eind te maken aan de slechte behandeling van dieren en ook van mensen die onder het huidige samenstel van dingen lijden! Velen zullen dan genieten van de paradijsaarde die Jehovah zich heeft voorgenomen te schenken aan mensen die daar waardering voor hebben, aan degenen die zijn opdracht zullen uitvoeren om zorg te dragen voor de planten en dieren en die hun naasten zullen liefhebben als zichzelf. — Jes. 11:6-9; 45:18; Ps. 37:11, 28, 29; Spr. 2:21, 22; Matth. 22:34-40.
Kunnen de aarde en haar dieren en volkeren na alle wanbeheer dat beloofde paradijs gebruiken? Om Martine’s kleurrijke antwoord te lenen, „Kan een eend zwempoten gebruiken?”
[Voetnoten]
a Alle aanhalingen zijn afkomstig uit Today’s English Version.
[Illustratie op blz. 20]
Martine met vriend
[Illustraties op blz. 21]
Sheena
Dynasty
[Illustratie op blz. 22]
Reesha
[Illustratie op blz. 23]
Honeybear
[Illustratie op blz. 24]
De trieste apen