Mijn leven als een van de Aboriginals van Australië
Zoals verteld door Janet Strange
IK BEN een Aboriginal, een van de oorspronkelijke bewoners van Australië. Mijn jeugdherinneringen bestaan uit beelden van het leven met mijn moeder op de waterloze Nullarbor Plain in Zuid-Australië. De Nullarbor, wat „geen boom” betekent, is voor blanke mensen een ongastvrije vlakte. Maar voor mij was het mijn thuis.
Ik was de jongste van vier dochters. Mijn stamnaam is Nabonangu, maar de plaatselijke zendeling van de kerk noemde mij Janet. Dagelijks gingen wij kinderen met moeder op zoek naar voedsel. Wij verzamelden wilde bessen en jaagden op kleine dieren. Wij konden zelfs een hagedis in een boom achtervolgen door dubbelgebogen letterlijk tegen de stam op te „lopen”, terwijl wij met onze vingers de schors vastgrepen en ons met onze tenen vastklampten. Dieren- of vogelgeluiden nabootsen en een hagedis opsporen deden wij met gemak.
Spoorzoeken leerden wij doordat moeder een hagedis losliet en ons zijn sporen liet volgen. Ik was daar goed in en kon zelfs zien of een dier haast had. Maar zo goed als Mam was ik niet. Ik herinner mij dat wij eens op bezoek gingen in een ander kamp en ik haar hoorde opmerken: „Die-en-die is hier.” Zij wist dit doordat zij zijn sporen tussen vele andere herkende, maar ik zag geen verschil.
Water vinden was altijd een probleem. Maar wij bleven in leven door te onthouden waar zich poelen en plassen bevonden, door dauw van de bomen te schudden, door water weg te halen dat zich in de oksels van boomtakken had verzameld of door de wortels van de Casuarina-boom af te tappen.
Wij bewerkten het land, maar op een andere manier dan de blanke. Wij streefden ernaar om met het land te leven; zij schenen van het land te leven. Mij werd geleerd de dingen in stand te houden, ze nooit te vernietigen. Wij zouden geen boom kappen of een grote tak afbreken zonder goede reden; wij waren eropuit iedere levende soort te doen gedijen, en behoedden ze voor uitsterven. In tijden van schaarste strooiden sommige stammen bijvoorbeeld zaad uit voor de wilde kalkoen.
Aboriginal-stammen waren altijd onderweg, rondtrekkend door uitgestrekte gebieden, waarbij zij zich lieten leiden door het klimaat, het weer, de seizoenen, de trek van het wild, de zaadtijd van de planten en de vruchtentijd van de bomen. Wij moesten rondtrekken om in leven te blijven. Bij het rondtrekken gingen de mannen voorop, met de bejaarden, de vrouwen en de kinderen in de achterhoede.
De moeders gaven hun kinderen tot hun zesde jaar de borst. In tijden van ernstige droogte kwam het in sommige stammen voor dat een aanstaande moeder een miskraam opwekte met bepaalde kruiden, want, in tegenstelling tot mensen van andere rassen, beschikte zij niet over melkvee als alternatieve melkvoorziening. Om dezelfde reden kon het gebeuren dat, wanneer een moeder stierf, haar baby werd gedood. Ook gebeurde dat wel in het geval van mismaakte baby’s of de ene helft van een tweeling, droevig genoeg.
De kinderen van de Aboriginals waren gehard — dat moest wel, wilden zij in leven blijven. Zodra zij oud genoeg waren, kregen zij taken toegewezen. Ieder lid van de stam had iets te dragen — de meisjes liepen met de baby’s en de jongens sjouwden met speren en graafstokken.
Het „civiliseren” van mijn volk
Toen ik een jaar of vijf was, begonnen zich veranderingen in mijn leven voor te doen. De regering had ons stamdomein uitgekozen voor kernproeven en dwong onze stam verder naar het zuiden te trekken. In de daaropvolgende jaren werden wij steeds sterker afhankelijk van giften in de vorm van thee, bloem, suiker en groenten, die werden uitgedeeld door zendingsposten. Er werden pogingen ondernomen om velen van de kinderen, vooral de Aboriginals met gemengd bloed, die een blanke vader hadden, te „civiliseren” en een schoolopleiding te geven. Tot die categorie behoorde ik.
Mijn moeder, die een open oog voor deze omstandigheden had, wilde wel dat ik iets leerde, maar niet op de zendingsscholen. De reden voor die voorkeur was, dat de kinderen bij hun ouders werden weggehaald en op deze scholen werden geplaatst om te leren lezen en schrijven en te worden geïndoctrineerd met de leerstellingen van een bepaalde religie. Omdat men van oordeel was dat contact met en de invloed van de ouders dat beleid doorkruisten, werden de kinderen dikwijls bij hun ouders weggehaald. Dat was mijn oudere zuster overkomen, en moeder wilde niet dat het mij overkwam. Soms ontsnapten die kinderen uit de zendingspost en dan kwamen er mannen om hen te zoeken, of ze stuurden de politie om dat te doen. Telkens wanneer er een vreemdeling in het kamp kwam, moest ik mij daarom van Mam onder een deken verstoppen en daar bleef ik dan liggen, bijna zonder te durven ademhalen, totdat wij wisten met welk doel de vreemdeling was gekomen.
Om dit probleem te omzeilen, besteedde Mam mij uit aan een goedhartige blanke vrouw, die al voor andere kinderen van Aboriginals had gezorgd. Zij had hen leren lezen en schrijven en had tot contact met de ouders aangemoedigd. Maar toen ik 12 jaar oud was, stierf deze bejaarde dame. Mam huilde.
Mam wilde het goeds dat er tot dusver tot stand gekomen was niet ongedaan maken, en liet mij daarom naar een andere blanke familie gaan, in Port Augusta. Die familie stond goed bekend bij ons volk. Toen ik aankwam, bestudeerde de vrouw des huizes de bijbel met Jehovah’s Getuigen. Ik ging er altijd bij zitten om te luisteren, en ik begon haar te vergezellen naar vergaderingen die in de Koninkrijkszaal werden gehouden. Later begon ik zelf de bijbel te bestuderen en nog later zijn wij Jehovah’s Getuigen geworden.
Na verloop van tijd ging ik welzijnswerk doen onder de Aboriginals. Men bood mij een hogere opleiding aan het Instituut voor Technologie aan, maar die wees ik van de hand. Tegen die tijd had ik mijn zinnen gezet op een ander soort ’welzijnswerk’. Als opgedragen getuige van Jehovah ging ik al mijn tijd besteden aan het geven van bijbelonderwijs. In dit werk trok ik van de ene plaats naar de andere, nu rondtrekkend op een veel betere manier. Vanwege mijn kennis van de Aboriginals, hun talen en hun problemen, legde ik mij er geheel op toe deze mensen te bezoeken.
„Droomtijd”
Wat ik u tot dusver heb verteld, komt voor het merendeel uit mijn persoonlijke geheugen. Maar de Aboriginals hebben nog een ander geheugen, een soort stamgeheugen dat door sommigen „droomtijd” wordt genoemd. Dat omvat de geschiedenis, de gebruiken en folklore van de stam. Er is een gezegde: „Hij die zijn dromen verliest, is zelf verloren.”
Tot dit „dromen” behoren dikwijls verhalen over een voorvader in oeroude tijden, die, naar men gelooft, door het land reisde om de natuurlijke kenmerken van het landschap gestalte te geven. Dit helpt verklaren waarom een Aboriginal zich geheel verloren kan voelen buiten zijn grondgebied of „land”. Hij houdt van zijn „land” en voelt zich ontspannen en gelukkig wanneer hij daar is, want alleen daar, zo gelooft hij, is hij werkelijk één met zijn voorouders. Het „dromen” wordt van de ene generatie op de andere overgedragen door zang, dans en demonstraties op speciale bijeenkomsten die corrobories heten. Bij vele Aboriginals zijn deze geloofsopvattingen tot op de huidige dag nog zeer diep geworteld.
Onze talen
Hoewel zij ongeveer 300 verschillende talen bezitten (volgens hun zeggen van één oorspronkelijke taal afkomstig), kunnen de stammen van de Aboriginals heel goed met elkaar communiceren. Sommigen hebben hun taal herleid tot wat wel is omschreven als hiëroglifisch geometrisch schrift. Onze grammatica is ingewikkeld van structuur.
Een antropoloog schrijft: „Zij bezitten het werkwoord ’zijn’ in een betekenis waar wij blanken geen aanspraak op kunnen maken. Het verenigt de volmaaktheid van het Latijnse en Saksische werkwoord met die van het Keltische en gaat de uitdrukkingskracht van beide te boven.” Vervolgens zegt hij over onze tekentaal: „Deze is dermate hoog ontwikkeld, dat ze een bruikbaar alternatief is geworden voor de gesproken taal, een subtiel meesterstukje van intellectuele ontwikkeling, dat men in patronen van menselijke communicatie betrekkelijk zelden aantreft.” Wij praten in tekens met andere stammen en op jacht, omdat stilte dan belangrijk is.
Een droevig relaas
Naast het leren door ervaring, onderricht en „droomtijd”, had ik mij nu een nieuw middel eigen gemaakt om mij te ontwikkelen — een voorliefde voor lezen. Uit boeken leerde ik de geschiedenis van de eerste ervaringen van mijn volk met de blanke, en het was geen prettige lectuur. Verteld werd hoe kapitein Cook in 1770 aankwam en vanaf zijn schip in Botany Bay rook zag opstijgen van de kust. Dat ene rooksignaal vertegenwoordigde naar schatting een 300.000 Aboriginals, die toen een gevuld en betrekkelijk gelukkig leven leidden. Hun aantal is nu, na 200 jaar, geslonken tot 50.000 volbloed Aboriginals en 150.000 met gemengd bloed. De anderen? Dat maakt deel uit van het droevige relaas.
Het woord „beschaafd” duidt op beleefdheid, hoffelijkheid, gekant zijn tegen geweld en misdaad. Naar mijn overtuiging waren wij beschaafd. Iedere stam had zijn grondgebieden en respecteerde de grenzen van de anderen. Wij verzorgden ons land, zonder het ooit uit te mergelen. Van tijd tot tijd kwamen stammen bij elkaar om handel te drijven, informatie uit te wisselen en huwelijken tot stand te brengen.
Maar die vroege kolonisten beschouwden ons niet als beschaafd. Met het geweer en hun ontoereikende begrip van de bijbel probeerden zij ons hun eigen idee van beschaving op te dringen, hetgeen onder meer inhield dat men het land in bezit had, omheinde en bewerkte — iets wat de Aboriginals volkomen vreemd is. De Aboriginals hadden echter goede redenen voor hun eigen methoden, zoals wordt geschetst door mevrouw M. Bennet, lid van de Raad voor Aboriginal-rechten, die schreef:
„Er zijn geen inheemse dieren die kunnen worden gedomesticeerd, en er zijn geen inheemse planten die zich lenen voor de voedselverbouw. Je kunt kangoeroes niet ’weiden’ of met ze ploegen. Je kunt in het vruchtbare Queensland geen zaailing van een noteboom planten om er nog tijdens je leven een notenoogst van te verwachten, noch in Midden-Australië nardoo [een soort varen] verbouwen met een regenval van 12,5 cm waar je niet eens op kunt rekenen. Onder die beperkende omstandigheden konden de mensen onmogelijk veefokkers, landbouwers of bouwers van steden worden.”
Aangezien de pas aangekomen bootmensen onze stamwetten met betrekking tot gebiedsbetreding schonden, boden wij tegenstand. Nu barstten van kust tot kust en van zee tot zee de gruweldaden los. Met geweren vocht men tegen speren, en een ras werd bijna volledig weggevaagd.
En zo maakte men zich meester van het land. In naam van de vooruitgang, de ontwikkeling en de beschaving, vielen onze wouden onder de bijl van de houthakker, en de uiterst noodzakelijke regenval werd minder. Uitheemse dieren met scherpe hoeven, miljoenen runderen en schapen, verdrongen de kangoeroes met hun zachte voeten, verpulverden de broze bovenlaag van de grond en leverden hun bijdrage tot de vorming van zandduinen. Landbouwchemicaliën joegen winstgevende oogsten de grond uit, maar verstoorden de ecologie. Dieren die uniek waren in Australië en in de wereld werden vrijwel of geheel uitgeroeid. Enorme ijzer-, bauxiet- en andere mijnen verminken het landschap, terwijl hun verwerkingsbedrijven het land, het water en de lucht verontreinigen.
Te midden van dit alles zijn de oorspronkelijke bewoners bijeengebracht in zendingsposten en andere nederzettingen, of zij wonen in bouwvallige hutjes aan de rand van de steden. En als het ware om de vernederingen af te ronden is het ons nu vergund cafés te betreden, waar de eigenaars ons toestaan onze overheidsuitkeringen te verdrinken, en worden wij door een wet nu erkend als burgers in een land dat wij reeds bewoonden lang voordat degenen die deze wet hebben gemaakt, aan de kim verschenen.
Een toekomst die hoop biedt
Tot op zekere hoogte heeft de religie een rol gespeeld in de zojuist beschreven ontwikkelingen, daar de kolonisten trachtten mijn volk te „civiliseren” en zogenaamd te kerstenen. Kunt u zich dus mijn gevoelens voorstellen, toen ik in mijn bijbel las dat in „Babylon de Grote”, het wereldrijk van valse religie, „het bloed [werd] gevonden . . . van allen die op de aarde geslacht zijn”? (Openb. 18:2, 24) Of kunt u mijn reactie begrijpen wanneer ik verder lees over haar naderende einde door toedoen van Christus Jezus, of mijn vreugde als ik verneem hoe zijn koninkrijk zal leiden tot een rechtvaardige, liefdevolle heerschappij over de aarde? Vraagt u zich dan nog af waarom ik dit gelukkige nieuws zo graag wil delen met anderen van mijn volk? — Openb. 18:20.
In deze tijd schijnt mijn volk ontworteld en zonder doel te zijn. Drankmisbruik, ruzies en vechtpartijen zijn aan de orde van de dag. Wij horen niet meer bij het verleden, en ook in het heden hebben wij geen bevredigende plaats. Maar de toekomst biedt hoop voor velen van ons — de hoop om weldra het „openbaar worden van de zonen Gods” te zien, wanneer de hele menselijke schepping — zowel blanken en Aboriginals als mensen van alle rassen — „vrijgemaakt zal worden van de slavernij des verderfs en de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods zal hebben” onder de heerschappij van Gods koninkrijk. — Rom. 8:18-21.
Mijn verlangen gaat ernaar uit andere Aboriginals te bereiken met deze grootse hoop. Als Aboriginal voel ik mij daartoe geschikt, want begrijpelijkerwijs zijn de Aboriginals niet snel geneigd blanken hun vertrouwen te schenken. In de afgelopen jaren hebben vele zelfopofferende blanke dienstknechten van Jehovah, zoals Des Paterson, Colin Maples en Ben Brickell grote afstanden gereisd om deze hoop naar mijn volk te brengen. Er wordt verteld over de vele persoonlijke ontberingen die daarbij werden verduurd, en over groepen die vol waardering bijeenkwamen om de boodschap van Gods koninkrijk te horen. Mijn verlangen en dat van mijn echtgenoot is het werk voort te zetten dat jaren geleden werd begonnen.
Verspreid over het hele land komen mensen van mijn volk tot het besef van de belangrijkheid van de Koninkrijksboodschap en reageren zij er gunstig op. Zij onderscheiden de onjuistheid van een opvatting die blanken, Aboriginals en de meeste andere mensen op aarde gemeen hebben. Dat is dat Australië van rechtswege toebehoort aan de Aboriginals als de oorspronkelijke ontdekkers, of aan de blanken die het hebben veroverd. Geen van beide is waar. Het behoort van rechtswege toe aan Jehovah God, die het heeft geschapen. — Openb. 4:11.
Het is aan Jehovah om te zeggen wie de eigenaar is van Australië en de hele rest van de wereld. Ik ben blij dat onze Aboriginals vertegenwoordigd zijn onder degenen die deze waarheid naar waarde weten te schatten.
[Inzet op blz. 21]
Wij streefden ernaar om mèt het land te leven; de blanke scheen vàn het land te leven
[Inzet op blz. 21]
Wij praten in tekens met andere stammen en op jacht
[Inzet op blz. 22]
De gruweldaden barstten los. Met geweren vocht men tegen speren, en een ras werd bijna volledig weggevaagd
[Inzet op blz. 23]
Behoort Australië van rechtswege toe aan de Aboriginals als de ontdekkers? Of aan de blanken die het hebben veroverd? Geen van beide. Het behoort van rechtswege toe aan Jehovah God, die het heeft geschapen
[Illustraties op blz. 20]
Inheemse dieren van Australië
Kangoeroe
Vogelbekdier
Wombat
Koala