Welke houding de katholieke Kerk tegenover de bijbel heeft ingenomen
HET boek A Guide to Catholic Reading maakt de volgende interessante opmerking: „De meeste oudere katholieke leken zullen bevestigen dat het lezen van de bijbel zonder juiste supervisie iets was dat door de meeste katholieke priesters en nonnen met een frons van afkeuring werd bezien. Gelukkig is de situatie radicaal veranderd en tegenwoordig horen katholieken er van alle kanten op aandringen, ja, bidden en smeken, dat zij het Boek der Boeken lezen.”
Ontegenzeglijk is de houding van de katholieke Kerk tegenover de bijbel in de loop van de laatste paar decennia „radicaal veranderd”. Er zijn in de afgelopen 30 jaar meer katholieke bijbelvertalingen in moderne talen verschenen dan in de voorgaande eeuwen. Maar wat betekenen 30 jaar in de geschiedenis van een kerk die beweert uit de tijd van de apostelen te dateren? Welk verslag heeft de katholieke Kerk in de loop van de eeuwen opgebouwd? Heeft ze liefde voor de bijbel getoond door dat boek aan katholieken in handen te geven en hen aan te moedigen erin te lezen? Of heeft ze haat getoond jegens degenen die de bijbel liefhadden?
Voor en na Karel de Grote
In alle eerlijkheid moet gezegd worden dat de Kerk van Rome aanvankelijk de vertaling van de Heilige Schrift in de volkstaal aanmoedigde. Wij moeten bedenken dat voor de vroege christenen het Grieks de gemeenschappelijke taal was. Ook nadat met de dood van de apostelen de afval begonnen was, bleef dit nog verscheidene eeuwen het geval. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat op het Eerste Oecumenische Concilie dat in 325 in Nicea werd gehouden, de zittingen niet in het Latijn maar in het Grieks werden gehouden, en dat de beroemde geloofsbelijdenis van Nicea, wel de „onwrikbare basis” van het katholieke geloof genoemd, in het Grieks werd opgesteld.
Gedurende de vierde eeuw G.T. ontwikkelde zich tussen Rome en Byzantium (Constantinopel) rivaliteit over de vraag welk van beide de religieuze hoofdstad van de Kerk zou worden, en in die rivaliteit ging ook de taal een rol spelen. Het oostelijke deel van de Kerk, onder de patriarch van Constantinopel, gebruikte Grieks in de liturgie en bezat de hele bijbel in het Grieks (de Septuaginta-vertaling van de Hebreeuwse Geschriften en de christelijke Griekse Geschriften). De gemeenschappelijke taal in het westen was echter niet Grieks, maar Latijn. Er bestonden verschillende Oudlatijnse versies van de Schrift, maar geen hiervan had als standaardtekst gezag boven de andere. Tegen het einde van de vierde eeuw gaf bisschop Damasus van Rome daarom opdracht aan een geleerde, Hieronymus genaamd, om een dergelijke standaardversie van de bijbel in het Latijn te vervaardigen.
Hieronymus gebruikte geen klassiek Latijn, maar vulgair Latijn — de taal van het gewone volk. Uiteindelijk kwam zijn vertaling bekend te staan als de Vulgaat (editio vulgata, algemene of volksuitgave). Deze vertaling werd voor een periode van meer dan duizend jaar de standaardbijbel van de katholieke Kerk, een positie die ze bleef behouden tot lang nadat het Latijn een dode taal was geworden. Maar het belangrijke feit is dat de Latijnse Vulgaat oorspronkelijk een bijbel in een algemeen gebruikte taal was.
Met het uiteenvallen van het Romeinse Rijk en van het wereldlijke schoolstelsel dat in de Romeinse tijd bestond, kwam de hogere geestelijkheid van de katholieke Kerk wat het geven van onderwijs betreft praktisch in een monopoliepositie te verkeren. Zij hebben deze gelegenheid jammerlijk verwaarloosd, en een wijdverbreide onwetendheid die kenmerkend werd voor de donkere middeleeuwen, was hiervan het gevolg.
Tegen het einde van de achtste eeuw had Karel de Grote er geen vrede mee dat de onwetendheid van het volk en de lagere geestelijkheid in zijn rijk zo groot was. Hij is wel de „schepper van het middeleeuwse onderwijs” genoemd. Hij liet geleerden naar zijn hof komen, zoals de Engelse theoloog Alcuinus die een herziening verzorgde van de verbasterde tekst van Hieronymus’ Vulgaat. Karel de Grote gaf opdracht tot de instelling van scriptoria of schrijfkamers in de kloosters ten einde daar handschriften te laten kopiëren. Zijn inspanningen om het onderwijs te bevorderen kwamen hoofdzakelijk de geestelijkheid en de adel ten goede, want deze handschriften waren in het Latijn, dat tegen die tijd onder het gewone volk in Europa al door volkstalen werd vervangen.
Kruimeltjes voor het gewone volk
Het is waar dat onder invloed van Karel de Grote het concilie van Tours (Frankrijk), gehouden in 813, verordende dat de preken voor het gewone volk in de plaatselijke taal vertaald moesten worden. Maar er werd geen gelijkluidende verordening uitgevaardigd om de bijbel zelf voor het volk te vertalen. Als excuus verklaart de Catholic Encyclopedia:
„Boeken waren er alleen in de vorm van handschriften en, omdat ze zo duur waren, voor de meeste mensen onbetaalbaar. Trouwens, als brede lagen van de bevolking zich boeken hadden kunnen verwerven, dan hadden zij ze niet kunnen lezen, aangezien in die primitieve tijden onderwijs het voorrecht van weinigen was. Buiten de gelederen van de geestelijken en monniken kon in feite praktisch niemand lezen.” Maar wiens fout was het dat de mensen in het algemeen analfabeten bleven? En waarom wachtte de katholieke Kerk totdat koning Karel de Grote onderwijs ging bevorderen, zelfs onder de lagere geestelijkheid?
In plaats van onderwijs voor brede lagen van het volk te bevorderen en vertaling van de bijbel in de volkstalen te begunstigen, moedigde de katholieke Kerk aan tot het vervaardigen van ’boeken voor de onwetenden’: prentenbijbels (zoals de Biblia pauperum of armenbijbel), bijbelse geschiedenissen, mirakelspelen, beelden en altaarstukken, schilderingen op kerkmuren en gebrandschilderde ramen met bijbelse thema’s. Dit waren de kruimeltjes die de katholieke geestelijkheid liet vallen van de rijke geestelijke tafel van bijbelkennis die zij voor zichzelf en enkele bevoorrechte koningen en aanzienlijken reserveerde.
Onvoorziene consequenties
Karel de Grote’s onderwijscampagne had onvoorziene consequenties voor de Rooms-Katholieke Kerk. Na de dood van Karel de Grote bleef het onderwijs zich uitbreiden onder de lagere geestelijkheid en de adel, en er kwamen handschriften van de bijbel in het Latijn in omloop. Priesters, monniken, koningen, koninginnen, middeleeuwse heren en adellijke dames begonnen vragen te stellen over de katholieke leer in relatie tot de bijbel. Zij riepen ook om de bijbel in de volkstaal en in die tijd stond de roomse Kerk toe dat gedeelten van de bijbel ten behoeve van de geestelijkheid en de adel werden vertaald.
Sommigen van degenen die de bijbel lazen — zelfs sommige geestelijken — werden voorlopers van de Reformatie. Om er een paar te noemen: Berengarius van Tours (gestorven 1088), Petrus van Bruys (gestorven 1140) en Hendrik van Lausanne of van Cluny (gestorven in de gevangenis na 1148) waren alle Franse priesters die de bijbel boven de katholieke leer plaatsten en daarvoor lijden ondergingen.
Naarmate bovendien het gewone volk steeds meer preken in de volkstaal hoorde en men bijbelse thema’s geïllustreerd zag in prentenbijbels (geschreven in het Latijn) en in de verschillende religieuze kunstwerken, werd hun verlangen naar bijbelkennis aangewakkerd. „Niet-geautoriseerde” vertalingen van gedeelten van de bijbel begonnen te circuleren en afgescheiden groepen zoals de Waldenzen begonnen de bijbelse waarheden te prediken in Frankrijk, Italië, Spanje en andere Europese landen. Dit was iets waarop Rome niet had gerekend. Daarom veranderde vanaf de 12de en 13de eeuw de houding van de katholieke Kerk tegenover de bijbel radicaal. Voor Rome werd het een gevaarlijk boek, zoals de volgende historische feiten zullen aantonen.
[Illustratie op blz. 4]
Hieronymus kreeg van bisschop Damosus van Rome de opdracht de bijbel in het Latijn van het gewone volk te vertalen
[Illustraties op blz. 5]
Het onderwijsprogramma van Karel de Grote kwam hoofdzakelijk de geestelijkheid en de adel ten goede
[Illustratie op blz. 6]
Toen andersdenkenden de bijbel begonnen te prediken, veranderde de houding die de Kerk tegenover de bijbel innam