Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g82 22/4 blz. 5-8
  • Een ex-terrorist aan het woord

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een ex-terrorist aan het woord
  • Ontwaakt! 1982
  • Vergelijkbare artikelen
  • Berlijn — Een afspiegeling van onze wereld?
    Ontwaakt! 1990
  • Berlijn — tien jaar later
    Ontwaakt! 1971
  • Deel 7: 1960-1969 De jaren ’60 — een periode van roerig protest
    Ontwaakt! 1987
  • Jehovah zorgde voor ons onder verbodsbepalingen — Deel 1
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
Meer weergeven
Ontwaakt! 1982
g82 22/4 blz. 5-8

Een ex-terrorist aan het woord

IK BEN katholiek opgevoed. Reeds als jongen had ik een sterk gevoel voor rechtvaardigheid. Dit verdiepte zich nog toen ik op school geschiedenis kreeg en vernam over de nazi-concentratiekampen. En als studenten werden wij in het begin van de jaren ’60 aangemoedigd om krachtig voor onze overtuiging uit te komen. En dat wilde ik ook doen, om op die manier te ijveren voor een betere, rechtvaardiger wereld.

In mijn leertijd als chemisch technicus kwam ik voor het eerst in aanraking met groepen jonge mensen die actief waren op politiek gebied. Onze lange en soms verhitte discussies overtuigden mij ervan dat het dragen van wapens onverenigbaar was met het christen-zijn.

Sterk tot het pacifisme overhellend, raakte ik zo half en half verbonden met een groep die plannen maakte voor een demonstratie tegen atoomwapens tijdens de paasdagen van 1966. Toen een bisschop op een bijeenkomst van katholieke jongeren mijn „Ban de bom”-button zag, vermaande hij mij ’dat ik mij daar afzijdig van moest houden’. Mijn reactie was snel. Ik brak volledig met de Kerk.

De ondersteuning die mensen aan de Vietnamese oorlog gaven, was voor mij hetzelfde als goedkeuren dat vrouwen en kinderen levend werden verbrand met napalm. Natuurlijk was ik tegen zo iets! Ik moest hier actief tegen protesteren! In 1966 leerde ik het wereldje van de protestmarsen kennen en ik nam aan verschillende ervan deel.

Toen kwam 1967. De Amerikaanse vice-president Hubert Humphrey zou op 6 april een bezoek brengen aan Berlijn. Verscheidene dagen vóór zijn bezoek kwamen ongeveer 40 van ons samen met een groep die een protest-actie op touw wilde zetten. De groep heette „Commune Een”. Direct al werden wij gewaarschuwd dat wie zou deelnemen, moeilijkheden met de politie kon verwachten. De meesten vertrokken. Ik bleef echter.

Na Humphrey’s bezoek begon de politie een onderzoek naar de demonstraties die er hadden plaatsgevonden. Alle leden van „Commune Een” werden in hechtenis genomen, en ik ook. Maar dit was nog slechts de inleiding. Voordat mijn zaak voor moest komen, gebeurde er iets anders dat de werkelijke basis bleek te zijn voor het terrorisme dat zich later in Berlijn ontwikkelde.

Het was een vrijdag — 2 juni 1967 — en de sjah van Perzië kwam die dag. Wij hadden het plan te demonstreren tegen zijn in onze ogen wrede regime. Tot op die tijd waren al onze demonstraties — afgezien van een paar voetzoekers en wat tomaten — vreedzaam geweest. Maar dit keer werden sommige demonstranten door de Perzische geheime politie met houten knuppels geslagen en één demonstrant werd door de politie doodgeschoten. Nu was er een element toegevoegd waarmee in toekomstige demonstraties rekening gehouden moest worden — geweld!

In juli vluchtte ik het land uit om niet voor de rechter te komen in verband met de ongeregeldheden rondom het bezoek van Humphrey, en ik kwam pas terug toen ik hoorde dat de tenlastelegging was ingetrokken. Maar ik was weer op tijd in Berlijn voor de „Vietnam Conventie” die daar op 19 februari 1968 werd gehouden, toen bijna 10.000 mensen een protestmars hielden tegen de oorlog.

Ondertussen was de Berlijnse pers heel sterk tegen ons gekant. Naarmate de nieuwsmedia hun campagne voortzetten, steeg de spanning. De climax kwam op donderdag 11 april. Er klonken schoten op de beroemdste boulevard van Berlijn, de Kurfürstendamm, en een studentenleider werd ernstig gewond, het slachtoffer van een moordaanslag. Dit gaf onmiddellijk aanleiding tot een reeks hevige demonstraties in heel Duitsland. Honderden personen raakten gewond en in München verloren twee mensen het leven.

In Berlijn werd in alle haast voor diezelfde avond een protestmars georganiseerd. Omdat een bepaalde uitgeverij voor ons het symbool was van de nieuwsmedia en van allen die stemming tegen ons kweekten, trokken wij op naar hun hoge torengebouw, vlak naast de Berlijnse muur, net in West-Berlijn. Terwijl een paar honderd politieagenten wanhopig probeerden de orde te handhaven, trokken wij met meer dan 2000 naar het gebouw. Onder de politieagenten die die nacht dienst hadden, was er een die Jürgen heette. Ik kende hem toen niet, maar ik zou hem enkele jaren later leren kennen.

Verscheidenen van ons probeerden vergeefs het gebouw binnen te dringen. Ik greep een zware koperen staaf die was losgerukt van de vernielde voordeuren van het gebouw en tilde hem op met de bedoeling hem met geweld te laten neerkomen op het hoofd van een politieagent die mij in de weg stond. Op het laatste moment verhinderde een van de demonstranten, een advocaat die onze zaak gunstig gezind was, mij op krachtdadige wijze mijn plan uit te voeren. Waar zou ik nu zijn als hij niet zo had gehandeld?

Tegen middernacht begon de menigte uiteen te gaan, een slagveld achterlatend dat bezaaid lag met gebroken glas en omgegooide en uitgebrande auto’s. En het was een slagveld waarop ik had gevochten. Ik, de idealist, die was begonnen met te protesteren tegen het gebruik van geweld, ik was nu ten slotte ook geweld gaan gebruiken. Wat was er gaande?

Tegen het einde van dat jaar vormde een aantal van ons een losjes georganiseerde groep die wij de „Hasj-rebellen” noemden. Dit was een passende naam, omdat velen van ons sinds wij in de protestbeweging verzeild waren geraakt, drugs waren gaan gebruiken.

Onze tactiek was haat tegen autoriteit te kweken en mensen haast tegen hun wil ertoe te dwingen hun toevlucht te nemen tot geweld. Zo namen eens ongeveer 2000 personen deel aan een protestmars die was georganiseerd door een groep studenten van de technische universiteit. Maar er waren slechts twintig van ons „Hasj-rebellen” nodig om de hele aard van de demonstratie te veranderen. Verspreid tussen de demonstranten begonnen wij stenen naar de politie te gooien. Begrijpelijkerwijs probeerden zij zich te verdedigen, en niet alleen de schuldigen maar ook „vreedzame demonstranten” kwamen in het nauw. Op hun beurt verweerden die zich heftig tegen wat zij als „bruut politiegeweld” bezagen.

Ten einde meer mensen voor onze zaak te activeren, hielden wij op de avond van 29 november een teach-in in de technische universiteit in Berlijn. Er waren ongeveer 2500 personen aanwezig. Eerst hoorden wij een voordracht over wat „eervolle misdaad” werd genoemd. Wij verzorgden ook ons eigen muzikale programma. Een van onze bands, waarin ik speelde, heette de Vox Dei, Latijn voor „de stem Gods”. Die naam was duidelijk onjuist, want het voornaamste doel van de band was onze toehoorders emotioneel bij onze zaak te betrekken en meer ontvankelijk te maken voor onze boodschap.

Later op die avond speelde ik een cassette af die was gemaakt door een groep die zich de „West-Berlijn Tupamaros” noemde en die het vermoorden van rechters verdedigde. Verscheidene jaren later werden de president van Berlijns hoogste gerechtshof, Günter von Drenkmann, en de procureur-generaal van de Bondsrepubliek, Siegfried Buback, door terroristen vermoord.

Zowel door de muziek als door wat de sprekers hadden gezegd, was men toen zo aangevuurd dat een grote menigte uit het universiteitsgebouw de nabijgelegen Ernst-Reuter Platz opstroomde en daar etalageruiten begon in te gooien, speciaal die van een maatschappij die wij als symbool van Amerikaans kapitalisme bezagen.

Ondertussen had ik mijn eigen problemen. Mijn druggebruik had geleid tot een storing in mijn bloedsomloop. Ik had ook een ernstige achtervolgingswaan ontwikkeld. Bang om sandalen te dragen, stampte ik rond op zware laarzen, met de gedachte dat ze hun nut zouden bewijzen als ik mij moest verdedigen. Ik waagde mij nooit op straat zonder een mes. Mijn leven, dat bijna verwoest was door drugs en vergiftigd door haat, diende geen enkel werkelijk doel. Ik begon te beseffen dat iemand, als hij niet met zichzelf begint, weinig kan doen om de wereld te veranderen, zelfs met geweld.

In maart 1970 verschenen er twee Jehovah’s Getuigen aan mijn deur en toonden mij hun boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Een van de mannen, zelf pas enkele maanden een Getuige, kwam daarop terug en begon een systematische studie van de bijbel met mij. Verscheidenen van mijn vrienden, soms wel 15, waren daar vaak ook bij aanwezig.

Ik maakte snelle vorderingen in kennis omtrent God en zijn voornemen. Al gauw bezocht ik christelijke vergaderingen en bracht ik diepgaande veranderingen in mijn leven aan. Toen, op 23 mei 1971, werd ik gedoopt als symbool van mijn opdracht aan God, zo ongeveer een jaar nadat ik tegen de twee mannen aan mijn deur had gezegd: „Ik wil best luisteren naar wat u te vertellen hebt, maar één ding moet u goed begrijpen: Ik word nooit een getuige van Jehovah.”

Maar nu was dat toch gebeurd. En wie was deze jonge, pasgedoopte Getuige die zo’n belangrijke rol had gespeeld in mijn redding uit een leven van drugverslaving en geweld? Onze wegen hadden elkaar eerder gekruist — op een aprilnacht in 1968. Ja, hij was Jürgen! Te bedenken dat de politieman die ik drie jaar geleden had willen neerslaan, heel goed Jürgen geweest had kunnen zijn!

In de loop van mijn studie van de bijbel leerde ik heel wat — bijvoorbeeld dat er gedurende de eerste eeuw ook „vrijheidsstrijders” of „terroristen” waren die dachten dat zij een betere wereld konden brengen. Ze waren joden en wilden hun volk bevrijden van Rome. Maar zij konden dit niet. In feite hielpen hun gewelddaden eraan mee dat in 70 G.T. Jeruzalem door de Romeinse legioenen verwoest werd.

De volgelingen van Jezus ondersteunden deze bevrijdingsbewegingen echter niet. Zij vertrouwden erop dat God door middel van zijn koninkrijk een betere wereld zou brengen. Zij waren zich bewust van de bijbelse uitspraak: „Stelt uw vertrouwen niet op edelen, noch op de zoon van de aardse mens, aan wie geen redding toebehoort. . . . Gelukkig is hij . . . wiens hoop is op Jehovah, zijn God.” — Ps. 146:3-7.

Waar zou ik nu zijn als Jürgen niet aan mijn deur was gekomen en mij had geholpen deze bijbeltekst te begrijpen? Of die in 2 Petrus 3:13? Daar staat: „Maar er zijn nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, die wij overeenkomstig [Gods] belofte verwachten, en daarin zal rechtvaardigheid wonen.” Een werkelijk rechtvaardige wereld — die ook de Grootse Schepper wil, en die hij zal scheppen!

Velen van mijn vroegere kameraden zijn blijven strijden voor wat naar hun mening een betere wereld zal zijn. Sommigen van de leden van „Commune Een” en de „Hasj-rebellen” zijn later de kern gaan vormen van de terroristische groep, de Beweging van de 2de juni. Soortgelijke groepen deden de Rote Armee Fraktion en andere terroristische groepen ontstaan. Sommigen van de vreedzame demonstranten van de jaren ’60 veranderden in de bankovervallers, ontvoerders en moordenaars van de jaren ’70. Voorbeelden: Katherine Boudin en anderen die betrokken waren bij de mislukte roofoverval in Nyack, New York, op 20 oktober 1981. Is dat de betere wereld die zij in gedachten hadden?

Ook ik ben blijven strijden, maar niet op een gewelddadige manier. Ik strijd er hard voor om te beantwoorden aan Gods rechtvaardige vereisten voor het verwerven van eeuwig leven in zijn nieuwe samenstel. Ik strijd er hard voor om anderen, met inbegrip van mijn vrouw en twee zoontjes, te helpen dat ook te doen. Dit is een geestelijke strijd die mij gelukkig maakt en mij een waardevol doel in het leven geeft. En het prachtigste is dat het leidt tot iets dat stellig zal komen — een waarlijk betere wereld. — Ingezonden.

„Laat af van toorn en laat de woede varen; betoon u niet verhit enkel om kwaad te doen. Want de boosdoeners zelf zullen afgesneden worden, maar wie op Jehovah hopen, díe zullen de aarde bezitten.” — Ps. 37:8, 9.

[Inzet op blz. 6]

Onze tactiek was haat tegen autoriteit te kweken en mensen te dwingen hun toevlucht te nemen tot geweld

[Inzet op blz. 7]

Ik begon te beseffen dat iemand weinig kan doen om de wereld te veranderen, zelfs met geweld

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen