Hoe zeker zijn hedendaagse jongeren van Gods bestaan?
Wiesbaden, Duitsland
8 januari 1982
Beste Alan,
Ik kan de bezorgdheid die je in je brief tot uitdrukking brengt, heel goed begrijpen. Je woont in een religieus land, je bent gelovig grootgebracht en je bent zelf jong, en dan valt het je moeilijk om te geloven dat zoveel jonge mensen hier in Duitsland Gods bestaan verwerpen. Tenminste, dat is het beeld dat wordt geschetst in het artikel dat je onlangs hebt gelezen.
Natuurlijk vertellen enquête-cijfers zoals die welke in het artikel worden vermeld, niet altijd alles. De directeur van een in New York gevestigd bureau voor opiniepeilingen legde onlangs uit dat enquêtes „zich er niet over uitlaten of het publiek . . . veel of weinig over een onderwerp heeft nagedacht”. Ze onthullen niet „of mensen nog helemaal aan het vage begin staan van hun proces van meningsvorming, er midden in zitten of hun definitieve conclusie bereikt hebben”.
Niettemin zijn er duidelijk tekenen dat het geloof in God onder jonge mensen in Duitsland (en misschien ook wel in jouw land) inderdaad taant. Gedurende de jaren dat ik in Duitsland woon, heb ik met een groot aantal jonge mensen over dit onderwerp gesproken. Maar om je wat recent materiaal te kunnen verschaffen, heb ik een paar vrienden gevraagd me te helpen enkele jongelui te interviewen die als typerend voor de hedendaagse jeugd beschouwd kunnen worden. We ontdekten dat velen van hen een zeer uitgesproken mening hebben, terwijl anderen er echt moeite mee hebben om tot een conclusie te komen ten aanzien van de vraag of God al dan niet bestaat. Hun uitspraken zijn zeer verhelderend. Ik zal je er een paar geven.
Waarom sommigen twijfelen terwijl anderen geloven
De jonge mensen noemden vier basisredenen om niet in God te geloven. Een veel gehoorde was: „Omdat ik God nooit heb gezien, kan ik niet geloven dat hij bestaat.” Maar Joachim, een 15-jarige katholiek, zei dat „de dingen die ik in de natuur heb gezien, reden genoeg zijn om wel te geloven”. Zijn klasgenote Ulrike was het met hem eens en zei dat God „gezien kan worden — in zijn werken”.
Een tweede argument — waarvoor echter geen ondersteunende bewijzen werden aangevoerd — was: „De wetenschap heeft bewezen dat er geen God is.” „Integendeel”, zeiden anderen: wetenschappelijk onderzoek onthult „orde en regelmaat” in het universum, staaltjes van „precisiewerk” die „niet vanzelf tot stand gekomen kunnen zijn”. Sacha, een katholieke tiener, redeneerde dat omdat „de wetenschap heeft bewezen dat alles een begin heeft gehad”, er een Grote Eerste Oorzaak moet zijn die aan alles een begin heeft gegeven — God.
Nog een reden voor twijfel was eerder een klacht dan een argument. „Ze zeggen dat God je zal helpen, maar hij doet het nooit”, klaagde een jong meisje. Niet iedereen was het met haar eens. De volgende illustratie zou gebruikt kunnen worden om de zwakheid aan te tonen: Hebben wij niet allemaal wel eens ondervonden dat vrienden of familieleden nalieten ons hulp te bieden als wij vonden dat we die nodig hadden? Er kunnen allerlei redenen zijn geweest waarom ze ons niet geholpen hebben, maar het was niet omdat ze niet bestonden. En dat ze niet hielpen, zou best wel eens meer onze fout dan hun fout kunnen zijn geweest.
Het vierde bezwaar werd het vaakst gehoord: „Als er een God was, zou hij geen oorlogen, moorden en al de andere verschrikkelijke dingen die er gebeuren, toelaten.” Een Hamburgse student betoogde: „Als er een hogere macht is, waarom verbiedt hij zulke dingen dan niet?” Klaarblijkelijk had deze student het feit over het hoofd gezien dat volgens de bijbel God deze dingen wel degelijk heeft verboden. Maar dat heeft de mens er niet van weerhouden ze te doen. Is het echter logisch uit de ongehoorzaamheid van de mens te concluderen dat God niet bestaat? Wordt door de ongehoorzaamheid van een kind bewezen dat hij geen vader heeft?
Soms zijn mensen getuige geweest van verschrikkelijke misdaden; ze hebben ernaar staan kijken zonder stappen te doen om ze te voorkomen. We kunnen ons afvragen of zij daarmee juist gehandeld hebben of niet, maar zouden we het bestaan van zulke toeschouwers in twijfel trekken? Zo vragen veel mensen zich ook af of God er goed aan heeft gedaan het kwaad toe te laten, maar dat is nog geen reden om aan zijn bestaan te twijfelen.
Het kan moeilijk schijnen de oplossing voor dit probleem te vinden. Eenmaal gevonden, is het antwoord echter volkomen bevredigend. Het gaat erom te begrijpen dat er een strijdvraag is opgeworpen waarbij de rechtmatigheid van Gods heerschappij en de betrouwbaarheid van zijn woord werden betwist. Als wij beseffen dat er, om deze strijdvraag doeltreffend te beslechten, een tijdsperiode nodig is, kunnen wij ook begrijpen dat God het kwaad heeft toegelaten. Het bijbelboek Job (de hoofdstukken 1 en 2), legt dit, vind ik, voortreffelijk uit.
Geloof, maar geen „krachtige overtuiging”
Veel jonge mensen hebben weinig om hun mening op te baseren. Sommigen zeggen dat zij geloven, maar zij weten niet precies waarom — soms zeggen zij eenvoudig: „Omdat mijn ouders geloven.” Anderen geloven niet. Vaak zeggen zij: „Wat ik over God heb gehoord, is niet overtuigend.” Maar hebben zij een onderzoek ingesteld om na te gaan of dat wat zij gehoord hebben, waar is? Hoe groot is hun ijver geweest om zich in het onderwerp te verdiepen?
Van de 66 studenten in één groep gaven er 29 toe dat zij niet wisten of hun ouders in God geloofden of niet. Klaarblijkelijk wordt er bij hen thuis over het algemeen niet veel over God gepraat. Daar deze jonge mensen niet veel over het onderwerp hebben nagedacht, staan zij nog „aan het vage begin . . . van hun proces van meningsvorming”.
Dit geldt ook voor veel ouderen. In een artikel in het Duitse blad Der Spiegel werd onlangs toegegeven dat het geloof bij de meeste Duitsers „meer hoop is dan geloof, meer een vage veronderstelling dan een krachtige overtuiging”. Maar hoe is dat mogelijk in een zogenaamd christelijk land?
„De kerk” — „Een storende factor tussen God en mens”
Veel jonge mensen maken onderscheid tussen geloof in God en geloof in „georganiseerde religie”. In feite vinden veel mensen dat de orthodoxe kerken weinig hebben gedaan om hun geloof in God te bevorderen. Geen wonder dat alleen al in het laatste decennium ruim 2.000.000 mensen hun lidmaatschap van de katholieke en de lutherse Kerk in Duitsland hebben opgezegd.
Een student in de politieke wetenschap en geschiedenis, die toch in een religieus milieu was grootgebracht, zei dat het ’slechts door persoonlijke overdenking was dat hij tot de overtuiging was gekomen dat er een God bestaat’. Feitelijk zeggen deze jonge mensen: „God, ja — Kerk, nee.”
Reeds in 1968 waarschuwde het tijdschrift Stern: „Een derde van alle christenen in de Bondsrepubliek loopt het gevaar [het geloof in] God te verliezen.” En daarna voegde het er met een beschuldigend uitgestoken vinger aan toe: „Predikanten helpen hen daarbij.”
Dat is waar. Predikanten die jarenlang een „God is dood”-theorie hebben voorgestaan. Predikanten die een ongepaste nadruk hebben gelegd op een doe-het-zelf „maatschappelijk evangelie”, en Gods koninkrijk, de van God afkomstige oplossing voor de problemen van de mens, hebben genegeerd. Predikanten die, in Gods naam, leerstellingen hebben onderwezen die zowel onredelijk als duidelijk onschriftuurlijk zijn. Predikanten die, als groep, een miserabel voorbeeld hebben gegeven. „Zelfs de Kerk volgt niet het patroon van de bijbel”, redeneerde een Noordduitser. Waarom zou een ander dat dan wel doen?
Een jongeman die boos verklaarde dat ’alles wat met de Kerk in verband staat, zwendel is’, bracht daarmee de mening van velen onder woorden. In zijn geval omvatte „alles” ook „geloof in God”. De kerken hebben, hoewel ze beweren de Schepper te vertegenwoordigen, hem in werkelijkheid verkeerd voorgesteld en zijn er daardoor in geslaagd grote aantallen van hun eigen mensen zelfs te laten twijfelen aan zijn bestaan.
Dit is niet onopgemerkt gebleven. Een jonge Afrikaanse student in Hamburg, met ogen die maar nauwelijks konden verbergen dat hij zich verraden voelde, voer uit: „Hoe durven jullie Europeanen! Jullie zijn naar Afrika gekomen en hebben ons van zogenoemde heidense godsdiensten bekeerd tot de aanbidding van een God waarin, zoals ik nu ontdek, jullie zelf helemaal niet geloven!”
In een poging de verloren leden terug te winnen, wordt in alle ernst door de katholieke en de lutherse Kerk overwogen een reclamecampagne te gaan voeren. Tijdschriftenlezers zouden dan tussen de advertenties voor zeep en tandpasta ook door de kerk betaalde advertenties gaan aantreffen die „geloof aan de man brengen”. Volgens persberichten zijn reclamedeskundigen die de campagne voorbereiden, het erover eens „dat het ’goede nieuws’ wordt verkocht in het jasje van eergisteren, in plaats van in de taal van de mensen van vandaag”. Om deze fout te corrigeren, hebben zij knappe slagzinnen en aantrekkelijke afbeeldingen uitgedacht om hun produkt te verkopen.
Maar pogingen om het geloof te verkopen door het te verpakken in een aantrekkelijk jasje, gaan niet ver genoeg. Belangrijker dan de verpakking is het produkt zelf. De mensen — en vooral jonge mensen — willen weten wat zij moeten geloven, waarom zij het moeten geloven, waarom het logisch is het te geloven, en wat voor voordelen het biedt het te geloven. Om kort te gaan, zij willen antwoorden op hun vragen.
De kerken van de christenheid en hun predikanten hebben in plaats van Jezus’ voortreffelijke voorbeeld te volgen door duidelijke, rechtstreekse antwoorden uit Gods Woord te geven, hun toevlucht genomen tot langdradige en ontwijkende verklaringen die een van de reclamedeskundigen deden opmerken: „De Kerk is een storende factor tussen God en mens.”
Jonge mensen helpen een krachtig geloof op te bouwen
Dat waarin de geestelijken van de kerken der christenheid te kort zijn geschoten, proberen Jehovah’s Getuigen onvermoeid tot stand te brengen. Door Gods Woord der waarheid te laten spreken in antwoord op de vragen van belangstellende jongeren, boeken zij succes. De volgende ervaring van iemand die nu een getuige van Jehovah is, is typerend voor velen:
„De vragen die ik aan predikanten stelde toen ik naar school en naar catechisatie ging, werden onjuist, onbevredigend of helemaal niet beantwoord, waardoor ik in het stadium geraakte dat ik het bestaan van God niet kon ontkennen, maar ook niet geheel en al overtuigd was. Maar ik maakte me er niet zo druk om. Per slot van rekening verschilden zelfs geleerde theologen van mening over God en de bijbel. ’Als predikanten die aan de universiteit theologie studeren, de bijbel niet kunnen begrijpen, dan moet het wel een boek zijn dat niet te begrijpen is en dat zichzelf tegenspreekt.’ Daarvan was ik volkomen overtuigd.”
Deze woorden beschrijven hoe duizenden jongeren er thans over denken. De wens en de behoefte om te geloven leven bij velen; de logische basis daarvoor ontbreekt vaak. Zij staan nog „aan het vage begin . . . van hun proces van meningsvorming”. Dit wordt goed geïllustreerd door de woorden van een jongeman die uitlegt waarom hij een getuige van Jehovah is geworden.
„Ik had altijd geloofd dat God bestond, maar ik had er geen idee van wat zijn voornemen was met de aarde of met de mensheid. Ik verkeerde in volslagen duisternis over de ware betekenis van het leven. Ik had de ene vraag na de andere voor de Getuige die me wekelijks kwam bezoeken. Ik probeerde bijzonder moeilijke vragen voor hem te bedenken, overtuigd dat hij ze niet zou kunnen beantwoorden. Het tegenovergestelde was het geval. Hij was niet van zijn stuk te brengen en op elke vraag had hij een bijbels antwoord. Geen priester had ooit de betekenis van de bijbel voor me ontvouwd zoals hij dat deed.”
Wat aangenaam is het te horen hoe bijbelse antwoorden iemands geloof in Gods bestaan kunnen sterken en hem het vertrouwen kunnen geven dat God spoedig tussenbeide zal komen om de problemen van de mensheid door middel van Zijn koninkrijk op te lossen! En, Alan, ik weet zeker dat je het fijn vindt te horen dat alhoewel veel jonge mensen hier in Duitsland niet in Gods bestaan geloven, er heel wat anderen zijn die dat wel doen. Het is te hopen dat veel jonge mensen die „nog helemaal aan het vage begin staan van hun proces van meningsvorming”, of „er midden in zitten” en wier geloof meer een „vage veronderstelling dan een krachtige overtuiging” is, nog gebruik zullen maken van de prachtige gelegenheden voor onderwijs die Jehovah’s Getuigen hun gratis bieden en aldus het antwoord zullen vinden op hun bijbelse vragen.
Wel, ik vond het erg fijn met je te praten, Alan, al was het dan maar met pen en papier. Hopend spoedig iets van je te horen, stuur ik je m’n hartelijke groeten in christelijke liefde.
Je vriend,
[getekend, Johann]
[Inzet op blz. 18]
De kerken zijn er de oorzaak van dat velen hun geloof verliezen
[Inzet op blz. 19]
’Op elke vraag die ik stelde, had de Getuige die me kwam bezoeken, een bijbels antwoord’
[Illustratie op blz. 16]
„Ik heb God nooit gezien”
[Illustratie op blz. 17]
„God heeft mij nog nooit geholpen”