Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g81 22/12 blz. 13-16
  • Een controversiële visserij

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een controversiële visserij
  • Ontwaakt! 1981
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De dolfijnen komen in het geding
  • Onder de limieten blijven
  • Herinneringen
  • De andere vorm van vissen
  • Een nieuw soort visserij en een nieuwe controverse
  • Vangverhalen en visgerechten
    Ontwaakt! 1976
  • Drijfnetvisserij op haar retour?
    Ontwaakt! 1992
  • Het leven in Bijbelse tijden: De visser
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2012
  • Smakelijke atleten van de diepte
    Ontwaakt! 1999
Meer weergeven
Ontwaakt! 1981
g81 22/12 blz. 13-16

Een controversiële visserij

„Ik stopte met de ene vorm en belandde in een andere!”

Het vissen op tonijn is een omstreden zaak geworden sinds de Amerikaanse regering een limiet heeft gesteld aan het aantal dolfijnen dat in de netten van de tonijnvissers mag omkomen. „Ontwaakt!” interviewde Roger Soares, die jarenlang met zijn eigen boot op tonijn viste. De tonijnvisserij heeft hij eraan gegeven, maar nu beoefent hij een andere vorm van vissen, en ook die is controversieel.

Door een stafschrijver

„DE RINGZEGEN sloot zich om de school dolfijnen. Aan de bovenrand van zo’n net zitten kurken drijvers en de rest hangt vele vadems omlaag in het water. Er vormt zich een cirkelvormig netgordijn zonder bodem, diep genoeg om de geelvintonijnen die onder de dolfijnen zwemmen, in te sluiten. Terwijl anderen dan met de sluitlijn het net van onderen dichttrokken, sprong ik met nog een paar jonge mannen in het water om de dolfijnen over de kurklijn heen te helpen en ze hun vrijheid te hergeven. Het was gevaarlijk werk, want er zaten ook haaien binnen het net.”

Zo beschreef Roger Soares een van zijn taken in het begin van zijn loopbaan als tonijnvisser. Het beklemtoont één punt: vissers met verantwoordelijkheidsgevoel hechten er veel waarde aan zo veel mogelijk dolfijnen te redden.

„Roger, hoe ben je ermee begonnen”, vroeg ik.

„Door mijn vader. Hij is een Portugees. In die tijd waren de meeste tonijnvissers uit San Diego Portugezen, Italianen of Japanners. Hij begon toen hij tien was. Er werd toen nog met hengels gevist; de netten kwamen later. Hij en zijn broer werkten samen, kregen ten slotte een eigen boot en hadden uiteindelijk zelfs verscheidene boten. Op zestienjarige leeftijd begon ik ’s zomers op vaders boot te werken. Wij visten met hengels en aas. Er waren destijds in 1956 slechts vijf of zes ’tonijnclippers’ aan de westkust die waren overgegaan op een nylon ringzegen. Een paar jaar later werkte ik zelf met netten — nu spreek ik over de tijd waarin ik het water indook om de dolfijnen over de kurklijn te helpen.”

„Met de haaien?” vroeg ik, hopend meer te horen.

„Met de haaien. Soms kwam je er niet zonder kleerscheuren af. Eén jongen die ik kende, stierf na een aanval door een haai.” Na een stilte ging hij verder: „Tegen de tijd dat ik 21 was, werd ik kapitein op een van de boten, een groot voor de ringzegenvisserij toegerust schip.”

De dolfijnen komen in het geding

„En met de ringzegen”, zei ik, „kregen de dolfijnen en de vissers met elkaar te maken.”

„Inderdaad”, zei Roger. „Toen er nog alleen met hengels gevist werd, had men opgemerkt dat de geelvintonijnen zich vaak onder scholen dolfijnen ophielden. Dus toen men netten ging gebruiken, liet men deze rond de dolfijnen zakken om zo de tonijnen die eronder zwommen, te vangen.”

„Is het bekend waarom tonijn onder dolfijnen zwemt?” vroeg ik.

„Het kan zijn dat er een vorm van communicatie is. Misschien laten de dolfijnen wel veel voedsel opdwarrelen met hun duiken en springen, zodat de vis daarvan profiteert. We treffen ook tonijn aan onder blokken hout en afval, vanwege de schaduw of misschien vanwege het daar voortgebrachte geluid. Dat kan ook de reden zijn waarom tonijn onder dolfijnen zwemt — de schaduw van de dolfijnen. Er kunnen best ook nog andere redenen zijn.”

„Maar het is niet zo”, vervolgde hij, „dat er onder elke school dolfijnen tonijn zit. We weten niet waarom. We moeten op bepaalde tekenen letten. Springen er rondom de school vissen uit het water? Cirkelen er hoog in de lucht fregatvogels? Kleine witte duiven die over het water scheren? Dat zijn allemaal aanwijzingen die de aanwezigheid van tonijn verraden.”

„Als jullie dolfijnen hebben gelokaliseerd met tonijn eronder,” vroeg ik, „hoe gaan jullie dan te werk?”

„Er worden speedboten op afgestuurd om de dolfijnen dichter opeen te drijven. De tonijnen blijven onder de dolfijnen zwemmen. Het net ligt opgetast op het achterdek van het schip, en zit met één eind vast aan een kleine snelle motorboot en met het andere eind aan het grote schip. Het bootje wordt in het water neergelaten en trekt één eind van het net mee het water in. Het grote schip maakt met het net achter zich aan een cirkel om de dolfijnen heen. Al die tijd houden de speedboten de dolfijnen binnen het hen omcirkelende net, totdat de cirkel gesloten is. Dan wordt het net van onder afgesloten door de sluitlijn aan te trekken . . .”

„Je bedoelt”, viel ik hem in de rede, „zoals je de veters van zo’n ouderwetse geldbuidel zou aantrekken om hem dicht te maken?”

„Precies. Vervolgens wordt de kurklijn die het net aan het wateroppervlak houdt, ingehaald totdat ze nauw rond de lading vis en natuurlijk ook de dolfijnen sluit. In het verleden kwamen veel dolfijnen in de netten om, zodat de milieupressiegroepen in het geweer kwamen. De Amerikaanse regering stelde een limiet aan het aantal dolfijnen dat gedood mocht worden,en dit schoot de vissers in het verkeerde keelgat.”

Onder de limieten blijven

Ik vroeg naar de limieten.

„In 1977”, zo vertelde hij me, „mochten er volgens de limieten ruim 62.000 worden gedood. De vissers doodden er 24.100. Tegen 1980 was de limiet gedaald tot 31.100, terwijl slechts 12.400 dolfijnen werden gedood.”

„Hoe konden de vissers de sterfte zo sterk verminderen?” vroeg ik.

„Door een bepaalde achterwaartse manoeuvre. Wanneer het net aan de onderzijde dichtgetrokken is, wordt de bovenlijn, met de kurken drijvers, zo ver ingehaald dat ze haar slapheid verliest en helemaal rondom een regelmatige, maar nog steeds grote cirkel vormt. De motor wordt in zijn achteruit gezet en terwijl de boot achteruit gaat, oefent dat een bepaalde kracht uit op het net dat vol vis zit. Dit veroorzaakt dat de drijvende kurklijn aan de kant het verst van de boot zo’n zestig centimeter onder het wateroppervlak duikt. Zo ontstaat er een ontsnappingsroute voor de dolfijnen. Er gaan een paar man naar dit gedeelte om de dolfijnen over de kurklijn te helpen.

Ze komen er niet allemaal overheen. Sommige duiken, en dan kunnen ze met hun snuit in het net verstrikt raken en stikken. Om deze verliezen te beperken is op kritieke plaatsen het grofmazige net vervangen door fijnmazig net. Oorspronkelijk was de maaswijdte elf centimeter; de dolfijnen staken daar hun snuit doorheen en raakten verstrikt. Bij het fijnmazige net kan hun snuit er niet meer doorheen, zodat ze niet verstrikt raken.”

„Hoe groot zijn de netten?” vroeg ik.

„Toen ik pas begon, waren ze 450 vadem lang en 36 diep. Een vadem is één meter tachtig. Nu zijn ze meer dan 1000 vadem lang en reiken ze tot een diepte van zeventig of tachtig vadem.”

„Het kost de vissers beslist tijd en geld dat ze meer dolfijnen sparen”, zei ik. „Maar toch las ik dat een vangst tonijn enkele jaren geleden al een miljoen dollar waard was en dat moet nu nog veel meer zijn.”

„Het is inderdaad meer, maar de brandstofprijzen zijn omhooggeschoten. Een boot die vier of vijf maanden buitengaats is, verstookt alleen al aan brandstof verscheidene honderdduizenden dollars. Ook het voedsel voor de bemanning is duurder geworden. De hypotheekrente is hoger. Zoals gezegd, het kost tijd en geld om aan de regeringsquota te voldoen — iets waarover concurrenten die onder vreemde vlag varen, zich geen zorgen hoeven te maken. En uiteindelijk moet je nog maar afwachten of je aan het eind van de reis je schip vol tonijn hebt.”

„Je stelt het niet erg rooskleurig voor.”

„De visser verdient een goed belegde boterham, maar bekijk je het op basis van uurloon, dan is het helemaal niet zo veel.”

„Je bent er nu mee gestopt”, zei ik. „Toch moet je wel enkele goede herinneringen hebben aan je jaren op zee.”

Herinneringen

„Ja, die heb ik inderdaad. Mannen die hard werken, als een team. Grote vangsten. De zee, vredig en kalm. Of opwindende stormen, waarbij de wind en de golven tekeergingen. En de dolfijnen. Ze zijn zo ongelooflijk gis. Er zijn er die je nooit te pakken zult krijgen. Ze laten zich niet bijeendrijven door de speedboten, reageren op niets wat wij doen. Ze zien ons komen en ze zwemmen weg, en de tonijn gaat mee.

En toch, als ze zo slim zijn, waarom springen er dan niet meer over de kurklijn om te ontsnappen? De vissers denken dat het misschien aan hun sonar ligt die de lijn en het net als obstakels waarneemt. Eens, toen ik ze in het water over de kurklijn aan het helpen was, kwam er één naar me toe en stopte zijn snuit onder mijn arm en bleef zijn kop in de lucht heen en weer bewegen opdat ik hem met zijn snuit over het net zou helpen. Ik was geroerd. Ik kan wel begrijpen dat mensen zich hun lot sterk aantrekken.

Eén ervaring zal ik nooit vergeten. We hadden een grote school dolfijnen in zicht gekregen. We wisten dat er heel wat tonijn onder moest zitten — vissen sprongen uit het water op, er cirkelden vogels. We zagen ook twee orka’s — zoals Shamu in Sea World, maar dit waren geen tamme. Ze jaagden op de dolfijnen, elk aan een kant van de school. Een halve dag lang volgden ze de doodsbange vluchtende dolfijnen en putten ze uit. Soms verlieten drie of vier dolfijnen de school in een poging de orka’s weg te lokken. Het mocht niet baten, en de dieren — uitgeput nu — gingen dicht opeen zwemmen. Toen stortten de orka’s zich midden in de school.

Ik hoopte nog steeds de tonijnen te pakken te krijgen die zich onder de dolfijnen bevonden, en dus stuurde ik de boot midden in de school in de hoop de orka’s af te schrikken. Maar ze kennen geen vrees. Plotseling schoot er een op drie meter van mij vandaan uit het water en greep in de lucht een springende dolfijn, zoals een hond een bot grijpt. Nooit meer vergeet ik die sprong en hoe hij daarna met de dolfijn in zijn bek in de kristalblauwe diepte verdween.”

Een momentje zaten wij beiden in gedachten verzonken. Ten slotte vroeg ik: „Je bent er nu mee gestopt. Waarom eigenlijk? Je bent toch nog vrij jong.”

„Er zijn een aantal redenen. Ik stopte in 1972. De druk nam toe. De visserij kreeg steeds meer problemen. Milieugroeperingen zetten ons onder druk. De regering omgaf ons met een net van voorschriften die ons steeds minder ruimte lieten. Dat had natuurlijk ook goede kanten. Het gevolg was dat de vissers duizenden dolfijnen spaarden. Het verhoogde echter ook onze kosten en verkleinde onze vangsten. Ik veronderstel dat het in de eerste plaats de druk, de pressie, was. Ik voelde me in een goudviskom, terwijl de regering en de milieugroeperingen me van alle kanten bestookten. Ik voelde me gewoon niet langer opgewassen tegen al het geharrewar, dus stopte ik ermee.”

Roger lachte toen hij eraan toevoegde: „Ik stopte met de ene vorm van vissen en belandde in een andere, en beide zijn controversieel.”

De andere vorm van vissen

„Dat”, zei ik, „vraagt om enige uitleg. Ik weet welke soort visserij je achter je hebt gelaten, maar welke heb je dan nu ter hand genomen, en hoe ben je daarin verzeild geraakt?”

„Welke soort vertelt Jezus in Matthéüs 4:19: ’Komt achter mij en ik zal u vissers van mensen maken.’ Het ’hoe’ is een langer verhaal.” Hij nam er even de tijd voor om zijn gedachten te ordenen en begon toen.

„Ik was katholiek. Mijn vrouw, Elizabeth, ook. Ik raakte gedesillusioneerd over het katholicisme en religie in het algemeen. Onze grootste ruzies hadden we over het naar de kerk gaan — zij wilde wel gaan, maar ik niet. Als ik ging, vertrok ik al weer snel, en dan gingen de kinderen met me mee. Dat bracht haar helemaal van haar stuk. ’Je geeft een slecht voorbeeld’, protesteerde ze dan. ’Het spijt me’, was mijn weerwoord, ’maar het is niets voor mij.’

Ik geloofde in God. Op zee had ik heel wat ontzagwekkende tentoonspreidingen van zijn macht gezien, en vaak moest ik aan de 107de Psalm denken: ’Zij die met schepen de zee opgaan, die handel drijven op uitgestrekte wateren, zíj hebben de werken van Jehovah gezien en zijn wonderwerken in de diepten, hoe hij het bevelende woord zegt en een stormachtige wind doet opsteken, zodat ze haar golven verheft. Zij rijzen op tot de hemel, zij dalen neer in de afgronden. Wegens de rampspoed komt hun eigen ziel te versmelten. Zij waggelen en bewegen zich onvast als een beschonkene, en zelfs al hun wijsheid blijkt verward te zijn. En zij gaan luid tot Jehovah roepen in hun nood, en uit hun benauwenissen voert hij hen dan. Hij brengt de storm tot bedaren, zodat de golven van de zee zich stilhouden. En zij verheugen zich omdat deze tot rust komen, en hij leidt hen naar de haven van hun welbehagen.’”

Inmiddels was Elizabeth erbij komen zitten. Zij vertelde hoe zij uiteindelijk haar illusies ten aanzien van de katholieke Kerk was kwijtgeraakt door een „Las Vegas”-avond. Er werd gegokt, de mannen deelden aan de speeltafels de kaarten rond, de vrouwen serveerden de cocktaildrankjes, er was een homoseksuele priester — de hele avond was een slag voor haar geloof in de Kerk.

„Er gebeurden toen twee dingen”, herinnerde Elizabeth zich. „Op een dag kwam mijn dochter uit school, een katholieke school, en zei: ’Ma, ik heb er genoeg van. Ik ga niet meer.’ Ik was geschokt. ’Wat bedoel je daarmee? Wil je niet meer over God leren?’ ’Ik leer helemaal niks’, zei ze. ’Er is smerige taal, slecht gedrag. Ik verdoe mijn tijd.’ Dus nam ik haar van die school. Ik maakte me zorgen, bad veel, en verlangde echt dat God in het leven van ons hele gezin zou zijn.

Tegen die tijd gebeurde het tweede: er werd een traktaat bij ons achtergelaten.”

Roger nam het verhaal weer over.

„Mijn vrouw gaf mij het traktaat en zei: ’Je moet dit eens lezen. Het klinkt goed.’ Ik las het. Het klonk inderdaad goed. Later kwamen we te weten dat het een traktaat van Jehovah’s Getuigen was, en dat mijn moeder al meer dan een jaar met hen studeerde. Zij had deze Getuige gestuurd om met ons te praten. Ik raakte in een verhitte discussie met haar. ’Hoe weet u dat uw religie de juiste is? Religie is één grote dieverij!’

Niettemin draaide het erop uit dat er een bijbelstudie bij ons thuis kwam. Ik zat erbij om een oogje in het zeil te kunnen houden: het zou communistisch kunnen zijn en ik wilde mijn vrouw en kinderen niet laten hersenspoelen. Het resultaat? Geen communisme, geen hersenspoeling, maar bewijzen uit de bijbel.

Die eerste studie was op een maandagavond. Dinsdagavond gingen we naar de bijeenkomst van de Getuigen in hun Koninkrijkszaal, en vóór het eind van de maand bezochten we een van hun congressen. Mijn vrouw en ik werden gedoopt. Dit gebeurde in 1976. Sindsdien zijn we actieve Getuigen.”

„Was dat geen snelle overgang voor je, eerst de mening toegedaan te zijn dat religie dieverij is, en dan je leven eraan wijden?” vroeg ik. „Hoe verklaar je zoiets?”

„Wat ik uit de bijbel leerde, maakte indruk op me, dat is zo, maar ik geloof dat destijds de Getuigen zelf de belangrijkste factor waren, vooral de kinderen. Ze waren de hele vergadering stil, gaven antwoorden, hadden een aandeel aan de programma’s. Wij hebben ook de drukkerij van de Getuigen bezocht op hun hoofdbureau in Brooklyn, New York. Alweer waren het de voorbeelden die we zagen — honderden jonge mannen en vrouwen die zonder salaris hun tijd wijdden aan het produceren van bijbelse lectuur.”

Een nieuw soort visserij en een nieuwe controverse

„Ik veronderstel dat dit dan verband houdt”, zei ik, „met je gezegde dat je nu een nieuw soort vissen beoefent.”

„Dat klopt. Zo net haalde ik Jezus’ woorden aan die hij sprak tot Petrus en Andréas, vissers die hun netten destijds in de Zee van Galiléa neerlieten. Hij zei hun dat ze hem moesten volgen en dat hij hen tot ’vissers van mensen’ zou maken. Onmiddellijk maakten zij een aanvang met deze nieuwe soort visserij, en dat is de soort waarin ik nu ook werkzaam ben.”

„Je zei ook dat het een controversiële visserij is”, herinnerde ik hem.

„Wij zouden het heus liever anders zien”, zei Roger. „Maar Jezus heeft gewaarschuwd dat het zo zou zijn, dat het gezinnen zou verdelen en vervolging van de kant van mensen en natiën zou brengen. Jehovah’s Getuigen hebben bemerkt dat het inderdaad zo is. Hun werk als ’vissers van mensen’ is zelfs vroeger en ook nu in vele landen onder verbodsbepalingen gesteld. In mijn tonijnvisserij was er nog een zekere rechtvaardiging voor de regeringsvoorschriften; er bestaat geen rechtvaardiging voor inmenging in het ’vissen naar mensen’.”

Er viel even een stilte, en toen vatte Roger alles samen door te zeggen: „Zo zie je dat dit de tweede keer is dat ik in een controversiële vorm van vissen verwikkeld ben. Maar ditmaal gaat de controverse er niet om hoe er zo veel mogelijk dolfijnen gered kunnen worden, maar hoe er zo veel mogelijk mensen gered kunnen worden.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen