Een bericht van getrouwheid
CUBA is niet het enige land waar Jehovah’s Getuigen worden vervolgd. In de Sovjet-Unie, China en andere communistische landen staan zij onder verbodsbepalingen. De afgelopen jaren zijn zij ook in Argentinië vervolgd. In Malawi hebben een aantal jaren lang verschillende afschuwelijke golven van vervolging tegen hen gewoed. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er in nazi-Duitsland pogingen gedaan hen uit te roeien, en vele Getuigen zijn in concentratiekampen gestorven.
De vervolging van Jehovah’s Getuigen is echter niet iets van de laatste tijd. Ook de beschuldiging dat zij opruiend of asociaal zijn, is niet nieuw. De bijbel licht ons erover in dat andere getrouwe dienstknechten van God dezelfde vervolging ondergingen en ook vals werden beschuldigd. — Joh. 19:12; Hand. 16:19-21.
Neutraliteit
Wat sommige naties niet hebben kunnen begrijpen, is dat Jehovah’s Getuigen in politieke aangelegenheden neutraal zijn. Zij bemoeien zich nooit met het politieke systeem van het land waarin zij wonen en berokkenen het een nadeel. Sommige naties, die dit verkeerd begrijpen, denken dat de Getuigen revolutionair zijn omdat zij niet in de oorlog gaan en geen dingen doen die zij, als Getuigen, beschouwen als daden van aanbidding jegens patriottische symbolen.
Het is voor hen echter onmogelijk revolutionair te zijn. Zo iets zou in strijd zijn met hun verheven bijbelse beginselen. Ja, indien degenen die hieraan twijfelen, een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek zouden instellen, zouden zij ontdekken dat Jehovah’s Getuigen nog nooit tegen enige regering een opstand hebben ondernomen. Zij hebben nooit een samenzwering tegen een regering gesmeed of anderen hiertoe aangezet. Integendeel, zij zouden elk van hun lidmaten die de wet van het land waarin zij wonen zou overtreden in verband met moreel gedrag, het betalen van belasting en andere burgerlijke verantwoordelijkheden, ernstig berispen. Daarom behoren zij in elke natie tot de ordelievendste burgers.
Jehovah’s Getuigen geloven niet dat oorlogen de problemen van de mensheid zullen oplossen. Zij geloven dit niet, omdat de bijbel, Gods Woord, zegt dat oorlogen de problemen van de aarde niet zullen oplossen. God belooft daarentegen een tijd dat „natie . . . tegen natie geen zwaard [zal] opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren” (Jes. 2:4). Zelfs thans gehoorzamen Jehovah’s Getuigen het beginsel dat aan die profetie ten grondslag ligt. Zij leven in overeenstemming met de raad die de apostel Paulus in Romeinen 12:18 geeft: „Zijt . . . voor zover het van u afhangt, vredelievend jegens alle mensen.”
Dit is niets nieuws. Het boek History of Christianity, door Edward Gibbon, zegt bijvoorbeeld het volgende over de eerste-eeuwse christenen: „Zij weigerden enig actief aandeel te hebben aan het burgerlijk bestuur of de militaire verdediging van het rijk. . . . het was onmogelijk dat de christenen, zonder een heiliger plicht te verzaken, de positie van soldaat, magistraat, of vorst zouden kunnen innemen.”
In tegenstelling tot vele andere landen heeft Cuba echter geen regeling om degenen die gewetensbezwaren tegen militaire dienst hebben, vrijstelling te verlenen. Daarom hebben jonge christenen in Cuba veel lijden ondergaan wegens het feit dat zij zich getrouw aan de beginselen van Gods Woord houden. De vele duizenden getuigen van Jehovah die nog in Cuba zijn, ondergaan nog steeds lijden wegens hun getrouwheid aan Gods wetten.
Toch zouden regeringen zoals die van Cuba zich moeten afvragen: Wat zou er in werkelijkheid gebeuren als alle mensen zich getrouw van oorlog zouden onthouden, net als Jehovah’s Getuigen? Het voor de hand liggende antwoord is dat oorlog voor altijd zou verdwijnen, zoals dit reeds op internationale schaal het geval is onder de miljoenen getuigen van Jehovah, en zoals dit in Gods nieuwe ordening van rechtvaardigheid volledig over de gehele aarde zal gebeuren. — Joh. 13:34, 35; 2 Petr. 3:13.
Respect winnen in de gevangenis
Door de gevangenzetting van Jehovah’s Getuigen moesten zij hun rechtschapenheid jegens God tonen. Zij hebben dit gedaan, en tegelijkertijd hebben zij hun hoop met andere gevangenen gedeeld.
Samuel Izquierdo vertelt bijvoorbeeld wat er gebeurde toen hij gevangen werd gezet omdat hij niet in militaire dienst ging: „Ik vertelde hun dat mijn geweten mij niet toestond mij aan hun politieke voorschriften te onderwerpen en dat ik geen militaire opleiding kon aanvaarden. De functionaris die mijn zaak behandelde, schreeuwde woedend dat ik in een cel opgesloten moest worden.
De cel was van hout en was 1,20 meter in het vierkant en 1,50 meter hoog. Hierdoor was het voor mij onmogelijk om rechtop te staan. Ook hadden zij over de gehele vloer van de cel menselijke uitwerpselen neergegooid, en daar sloten ze mij op, naakt en barrevoets. De stank was verschrikkelijk.”
Maar deze Getuige vertelt hoe hij in staat was onder deze omstandigheden zijn rechtschapenheid te bewaren: „Ik heb al die tijd een klein bijbeltje, de Griekse Geschriften, bij me kunnen houden. Alhoewel ze het vonden toen ze mij fouilleerden, hebben ze nooit enige aandacht besteed aan het kleine boekje, zoals zij het noemden. Vanaf de eerste dag dat ik mij onder de andere gevangenen bevond, begon ik hun te vertellen over de hoop op Gods nieuwe ordening die de bijbel in het vooruitzicht stelt. Meer dan tien gevangenen vergaderden samen met mij. Ik las hun uit de bijbel voor en gaf hun, zoals zij zeiden, geestelijke troost. Dit hielp mij geestelijk sterk te blijven. En de gevangenen respecteerden mij als een religieuze bedienaar. In die gevangenis beschouwden de soldaten mij uiteindelijk als onschadelijk en straften mij niet langer.”
Vergaderen
De bijbel gebiedt christenen ’het onderling vergaderen niet na te laten’ (Hebr. 10:24, 25). Hoewel de Cubaanse wet Jehovah’s Getuigen verbiedt in het openbaar te vergaderen, kan ze hen niet beletten dit op andere manieren te doen. Zelfs in de gevangenissen vinden zij wegen om te vergaderen.
Eduardo Aboud zegt: „Het was heel vreugdevol als wij op een of andere plaats in het kamp in het geheim konden vergaderen om bijbelse besprekingen te houden. Elke dag bracht een van ons een bepaalde bijbeltekst naar voren die wij dan met elkaar bespraken. Ook vertelden wij elkaar onze ervaringen en de verschillende beproevingen op ons geloof waarmee wij allen werden geconfronteerd en waaraan wij het hoofd moesten bieden. Vervolgens studeerden wij hoe wij de moeilijkheden moesten verduren die zich waarschijnlijk de volgende dag zouden voordoen.
Ook waren wij allen in de gelegenheid om met andere gevangenen die geen Getuigen waren, over Gods voornemen te spreken. In elk van de barakken in het kamp bevond zich een Getuige; ieder beschouwde zijn barak dus als zijn persoonlijke ’predikingsgebied’. Op deze manier was ik in staat twee wekelijkse bijbelstudies te leiden met behulp van de dingen die ik voorheen had geleerd, aangezien wij in die gevangenis helemaal geen geschreven materiaal hadden, ook geen bijbel. Ondanks dat spraken wij iedere maand heel actief met anderen over bijbelse waarheden.”
Buiten de gevangenissen waren de formele vergaderingen van Jehovah’s Getuigen verboden verklaard. Er werden zelfs Koninkrijkszalen door groepen mensen of gepeupel aangevallen. Mannen, vrouwen en kinderen werden geslagen. Gesprekken met provinciale autoriteiten of met vertegenwoordigers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken waren nutteloos. Het antwoord was altijd hetzelfde: „Wij volgen orders uit Havana op.”
Openbare activiteit verboden
Behalve dat de Koninkrijkszalen werden gesloten, werd er ook een poging gedaan om Jehovah’s Getuigen te beletten hun openbare bediening in de huizen van anderen te verrichten. Elke week werden duizenden Getuigen gearresteerd wanneer zij eropuit gingen om hun openbare bediening te verrichten. Zij werden beboet of moesten een tijdlang in de gevangenis doorbrengen.
Toch gehoorzamen Jehovah’s Getuigen in Cuba thans Gods gebod om de goede dingen die zij uit zijn Woord hebben geleerd, aan anderen te vertellen (Matth. 24:14; 28:19, 20; Hand. 20:20). Zij verrichten deze bediening op heel wat verschillende manieren. En zij geven in deze tijd precies hetzelfde antwoord als de eerste-eeuwse christenen die het bevel kregen „nergens meer iets te zeggen of te leren op basis van de naam van Jezus”. Toen die eerste christenen voor de autoriteiten stonden, verklaarden zij: „Oordeelt zelf of het in Gods ogen rechtvaardig is meer naar u te luisteren dan naar God. Maar wat ons betreft, wij kunnen niet ophouden te spreken over de dingen die wij gezien en gehoord hebben.” Ook zeiden zij: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen.” — Hand. 4:18-20; 5:29.
De vluchtelingen berichten dat men door de getrouwe handelwijze van Jehovah’s Getuigen overal in Cuba de naam en het voornemen van Jehovah God heeft leren kennen. Dit heeft vele personen die de waarheid willen horen, ten zeerste tot voordeel gestrekt. In de gevangenissen is een geweldig getuigenis omtrent Gods voornemen gegeven.
Merk op wat de vluchteling Luis Garcia zegt: „Voorheen was in de gevangenissen van Cuba noch het werk, noch de naam van Jehovah’s Getuigen bekend, totdat de Getuigen die naar de gevangenis werden gestuurd, begonnen te arriveren. Mettertijd moesten steeds meer Getuigen naar de gevangenis. Als gevolg daarvan werd er zowel binnen als buiten de gevangenissen een verbazingwekkend getuigenis gegeven. De woorden ’Jehovah’s Getuigen’ werden in elke gevangenis in Cuba opgevat als een synoniem van moed, dapperheid, standvastigheid, getrouwheid en rechtschapenheid in ieder opzicht.”
Vele gevangenen hebben voordeel getrokken van de boodschap, en het gedrag, van de Getuigen. Een groot aantal van die gevangenen zijn meer over God en zijn voornemen te weten gekomen en hebben veranderingen in hun leven aangebracht om dienstknechten van God te worden. Een voorbeeld hiervan is een man die voor roof in de gevangenis zat, voordat hij meer over de bijbel te weten kwam. Hij schreef het volgende naar degene die hem in de gevangenis had onderwezen:
„Mijn geliefde broeder: Het is mijn innigste wens dat, wanneer je deze regels leest, het je lichamelijk en geestelijk goed gaat en je met je geliefde gezin verenigd bent. Ik kan je vertellen dat het met mij heel goed gaat. Ik voel me geestelijk sterk en optimistisch, aangezien mijn geloof elke dag meer en meer toeneemt. Naarmate de dagen verstrijken, begrijp ik alles steeds beter. Ik merk tot mijn grote vreugde dat Gods geest in mij werkzaam is. Ondanks dat ik alleen ben in deze omgeving, heb ik de naam van de Almachtige God op de allereerste plaats kunnen stellen, omdat ik al zijn onderwijzingen in mijn leven probeer toe te passen.
In de korte tijd dat wij samen waren, ben ik heel erg aan je gehecht geraakt, ondanks mijn leeftijd en ondanks het feit dat ik zozeer een deel van deze wereld was. Ik ben nog nooit zo behandeld als ik door jou behandeld ben, omdat ik voorheen alleen maar met wereldse mensen omging, die vroeg of laat hun ware aard toonden. Bij jou heb ik echter altijd liefde, oprechtheid en vriendelijkheid gevonden.
Jij was een geestelijke vader voor mij, en je bent een grote hulp voor mij geweest. Nog iets dat een hulp voor mij is en dat mij in de toekomst van nut zal zijn, is jouw voorbeeld als een dienstknecht van God. Je hebt me niet alleen in de leer van de bijbel onderwezen, maar in jouw handelwijze toonde je mij door je voorbeeld wat de juiste weg is om na te volgen.
Ik bezit nog geen geestelijke rijpheid. Ik schiet nog veel te kort in kennis. Maar zelfs met dat nadeel ben ik gereed de waarheid te verdedigen, want de waarheid kan niet verborgen worden. Soms zeg ik minder dan wat ik graag tot uitdrukking zou willen brengen, maar zelfs met weinig woorden kan ik de waarheid verdedigen.
Hoewel ik me bedroefd voelde toen jij werd vrijgelaten, ben ik heel actief met anderen over de waarheid gaan spreken. Dat heeft de leegte opgevuld.
Ik ben erg blij Gods wegen en zijn voornemen te kennen. Ik heb mij opgedragen om hem ieder moment en waar ik maar ben te dienen, zelfs al zou het mij mogelijk mijn leven kosten (Luk. 9:62; Hand. 20:24). Ik ben ver van je verwijderd, maar ik ben je onderwijzingen niet vergeten. (Getekend) Je broeder en zoon in het geloof.”
Iedere regering die Gods dienstknechten oprecht gadeslaat, kan stellig de vele voordelen zien die hun aanwezigheid biedt. Degenen die tot Jehovah’s Getuigen gaan behoren, worden de beste burgers. Zij zorgen beter voor hun gezin, hun kinderen, en voor hun eigen bezittingen en die van andere mensen. Jehovah’s Getuigen verlenen de hoogste prioriteit aan eerlijkheid en moraliteit.
Wat zij graag zouden willen
Natuurlijk zouden de Getuigen in elk land waar zij wonen, graag begrip van de zijde van de regering willen ondervinden. Zij zouden hun religieuze aanbidding graag in vrijheid en geluk willen uitdragen. En in de meeste landen kunnen zij dit ook.
Deze vrijheid hebben zij in Cuba echter niet. Toch werd deze wens tegenover de regering van Castro tot uitdrukking gebracht in een verzoekschrift dat op 16 december 1978 werd verstuurd. Aan het einde van het document werd verklaard: „Wij bidden voor u en voor de andere functionarissen van de Revolutionaire Regering, opdat u redelijkerwijs ons standpunt zult begrijpen en dat wij, indien het Gods wil en zijn besluit is, spoedig antwoord ontvangen. In de bijbel worden wij ertoe aangemoedigd dit te doen, namelijk in 1 Timótheüs 2:1, 2, waar staat: ’Allereerst vermaan ik daarom dat er smekingen, gebeden, voorbeden, dankzeggingen worden gedaan betreffende alle soorten van mensen, betreffende koningen en allen die een hoge positie bekleden, opdat wij een kalm en rustig leven mogen blijven leiden met volledige godvruchtige toewijding en ernst.’”
Zelfs al wordt dat verzoek echter nog steeds niet ingewilligd, Jehovah’s Getuigen in Cuba zullen ermee blijven voortgaan de Almachtige God getrouw te dienen, ongeacht wie er tegenstand biedt. „Indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” zegt de bijbel (Rom. 8:31). Zij vertrouwen erop dat Jehovah op zijn juiste tijd en wijze een oplossing voor hun situatie zal verschaffen.
[Inzet op blz. 9]
Jehovah’s Getuigen hebben nooit een samenzwering tegen een regering gesmeed of anderen hiertoe aangezet. Integendeel, zij zouden elk van hun lidmaten die de wet van het land zou overtreden ernstig berispen
[Inzet op blz. 10]
’Wij waren allen in de gelegenheid om met andere gevangenen over Gods voornemen te spreken’
[Inzet op blz. 11]
„De woorden ’Jehovah’s Getuigen’ werden in elke gevangenis in Cuba opgevat als een synoniem van moed, dapperheid, standvastigheid, getrouwheid en rechtschapenheid”