’Na de bloemen, de stenen’ — op het voetbalveld
NET als de meeste Braziliaanse jongens heb ik mijn hele jeugd gevoetbald, overal waar maar een stukje grond of straat vrij was. De voetbalsterren uit die tijd waren onze idolen. Beroepsvoetballer worden was onze liefste wens. Dus toen wij op mijn dertiende jaar verhuisden naar een huis in de buurt van het São Cristóvão Stadion, was ik dol van blijdschap.
Binnen enkele jaren begon ik enig talent te ontplooien in de voorhoede van ons team. Maar toen raakten wij in 1958, vlak voor een belangrijke wedstrijd, onze keeper kwijt. „Heitor Amorim, jij bent de langste”, zei onze trainer. „Jij wordt onze doelman.” Zo begon mijn loopbaan als die ene speler onder de dwarslat, de speler die nooit mag falen.
De tijd vloog voorbij, terwijl ik al mijn tijd verdeelde tussen school en de training op het voetbalveld. In 1963 werd ik tot mijn grote opgetogenheid gekozen om in het Braziliaanse olympische elftal te spelen. Wij wonnen dat jaar het Pan-Amerikaanse toernooi in São Paulo. Dit baande de weg voor een uitnodiging om bij de beroemde São Paulo Corinthians te spelen. Ik hoefde mij geen tweemaal te bedenken om dat aanbod aan te nemen. Zo gaf ik mijn baan en mijn technische schoolopleiding op en verhuisde naar São Paulo om mij onverdeeld op het beroepsvoetbal te kunnen richten.
Ik grijp hoog
Mijn nieuwe loopbaan begon al spoedig winst op te leveren. Binnen enkele maanden werd ik uitgeroepen tot de doelman-„ontdekking” van het jaar en kort daarop kwamen de trofeeën: één voor de beste keeper en één voor de minst kwetsbare doelman van 1964. Behalve geschenken kreeg ik ook uitnodigingen om in tv-sportprogramma’s te verschijnen. Mijn huis wemelde van de fans en de verslaggevers, mijn avonden werden in beslag genomen door het uitgaansleven, en op mijn bankrekening stroomde het geld binnen.
Een nieuw idool verschijnt
Nooit zal ik die wedstrijd vergeten die wij tegen het team van Santos speelden in het Pacaembu Stadion van São Paulo. Wij waren een goed eind in de tweede helft en de stand was gelijk. Van de uitslag van deze wedstrijd hing onze plaatsing in de finale van het toernooi af. Toen gebeurde er iets verschrikkelijks! Wij maakten een fout en de scheidsrechter besliste voor een strafschop tegen ons, wat betekent dat de tegenpartij van elf meter afstand een schot op ons doel mocht lossen. Dit schot zou praktisch beslissend zijn voor de wedstrijd, en wie werd aangewezen voor die strafschop? Pelé, de wereldberoemde „voetbalkoning”! De 60.000 toeschouwers en miljoenen radioluisteraars hielden de adem in toen wij tegenover elkaar stonden.
Terwijl ik Pelé observeerde, bracht ik mij te binnen hoe hij altijd een bijna onmerkbaar ogenblik wachtte, vlak voordat hij de bal trapte, in een poging de keeper ertoe te verleiden naar de andere kant van het net te springen dan waarheen hij van plan was zijn schot te richten. Daarom bleef ik bewegingloos staan en sprong pas nadat hij de bal getrapt had — en ik hield hem! De hel brak los. Overal in de stad renden duizenden radiofans de straat op om vuurwerk en „bommetjes” af te steken. De wedstrijd eindigde in gelijk spel en ik werd op de schouders van de fans het veld af gedragen. Er was een nieuwe ster geboren!
Te midden van de roes van gelukzaligheid die volgde, herinnerde ik mij de wijze woorden van de doorgewinterde Gilmar, keeper van het nationale team, die in een radioprogramma tegen mij had gezegd: „Heitor, maak je geen illusies. De bloemen van vandaag kunnen de stenen van morgen zijn!”
Tijd om na te denken
Te midden van al die roem kon ik mij „de stenen van morgen” moeilijk voorstellen. Maar mijn huwelijk met Dilma in 1965 hielp mij mijn evenwicht te bewaren en wat helderder over onze toekomst na te denken. Mijn carrière was inderdaad belangrijk voor ons — niet de eer en de roem, maar wel de economische zekerheid die wij daardoor bezaten. Daarmee konden wij in vrede en rust onze kinderen grootbrengen en dingen ten behoeve van anderen doen.
Dikwijls dacht ik aan mijn eerlijke, hardwerkende vader, die er werkelijk alles voor over had gehad om mij als kind cadeautjes te kunnen geven. Maar tegelijkertijd leerde hij ons een intense belangstelling voor anderen te hebben. Deed ik wat hij gedaan zou hebben? Bovendien verslechterde ook de toestand in de wereld. „Zal er nooit werkelijke vrede zijn?” vroeg Dilma dikwijls. Met mijn rooms-katholieke achtergrond zag ik in dat ik mij eigenlijk meer met mijn godsdienst zou moeten bezighouden.
Een internationale tournee in 1965-’66 maakte de zaken er niet beter op. Engeland, Spanje, Italië, Zwitserland, de Verenigde Staten — wedstrijden tegen enkele van de beste elftallen ter wereld. In Londen kregen wij van prins Philip een zilveren schijf als aandenken aan de wedstrijd tegen Arsenal in het Wembley Stadion. En in de kranten prijkte mijn naam naast die van andere sterren — Rivelino, Garrinha — als trekpleisters voor de wedstrijden. Het was allemaal erg opwindend — en ook erg verontrustend.
Mystiek in de voetbalwereld
Wat mij in het bijzonder verontrustte was een element in de voetbalwereld dat vrijwel onbekend en misschien moeilijk te geloven is. Achter de schermen is het Braziliaanse voetbal doortrokken van bijgeloof en zelfs van spiritistische praktijken. Zo werden tijdens de laatste wedstrijd om de World Cup, die in 1978 in Argentinië werd gespeeld, op sommige voetbalvelden in Brazilië kaarsen en andere vodou-voorwerpen geplaatst om hun team te helpen winnen. Maar het team verloor. Er is wel schertsend gezegd: „Als Macumba [vodou-ritueel] werkelijk macht bezat, zouden de voetbaltoernooien in de staat Bahía altijd in gelijk spel eindigen”, vanwege het grote aantal riten dat ten behoeve van ieder elftal wordt verricht.
Ik herinner mij hoe de Corinthians voor dat doel een pai-de-santo (vodou-priester) huurden. Soms werden alle spelers om twaalf uur ’s nachts naar de club ontboden voor een speciaal kruidenbad dat hij had voorgeschreven.
Bij een zekere gelegenheid deed onze club het slecht in een toernooi, en de pai-de-santo kwam tot de slotsom dat iemand toverkracht tegen ons had gebruikt en dat hij die ongedaan moest maken. Dus togen alle spelers en enkele journalisten op een vrijdag om twaalf uw ’s nachts met hem naar het stadion. Hij begon te graven en tot onze verbazing groef hij zeven dolken op die daar begraven lagen, één op elke hoek van het veld één achter elk doel en één in het midden van het veld. Alle dolken waren gelijk en elk had zeven golvingen in het gevest. Hier was schijnbaar de reden voor onze verliezen! Sommige spelers waren diep onder de indruk, anderen hadden hun twijfels.
Niettemin verloren wij het toernooi, en de pai-de-santo werd ontslagen! Later werd hij door een andere ploeg gehuurd en ik herinner mij nog hoe hij bij een bepaalde gelegenheid een vloek op ons legde toen wij het stadion binnenkwamen. Maar wij wonnen! En de dolken? Later kwam ik erachter dat de kantinebeheerder van de club de pai-de-santo verteld had dat de dolken daar waren uitgezet door een vorige pai-de-santo om ons team te „helpen” winnen. Hij wist dus waar hij ze moest opgraven!
Desillusies en zelfs „stenen”
Er volgden nog meer desillusies na onze terugkeer van de internationale tournee. Er werd een toernooi georganiseerd tussen Rio de Janeiro en São Paulo, en gewoonlijk werd uit de elftallen in deze krachtmeting het nationale team gekozen. Hoewel ik in de kranten beschreven werd als de beste doelman, werd ik niet gekozen, blijkbaar vanwege moeilijkheden waarbij ons team betrokken was. Het was een bittere pil om te slikken.
Toen raakte ik ook nog betrokken bij een strijd om arbeidsvoorwaarden voor voetballers en daardoor kwam het tot conflicten met het clubbestuur. Ten slotte kwamen de zaken tot een climax. Mijn vrouw werd voor een medische behandeling in het ziekenhuis opgenomen toen ik een wedstrijd moest spelen. Doordat ik van streek was, speelde ik slecht en verloren wij van een technisch mindere ploeg. Ik kreeg de schuld van dit verlies en werd er zelfs van beschuldigd dat ik steekpenningen aangenomen had. Hoewel één krant verklaarde dat ik het „slachtoffer van menselijke boosaardigheid” was, werd mij zelfs de toegang tot enkele clubgebouwen ontzegd. Mijn vrienden en buren bezagen mij met achterdocht.
Wat een ommekeer! Zondag een idool en maandag ongewenst! Gilmar had gelijk: ’Vandaag bloemen, morgen stenen.’
Ik raakte zo gedeprimeerd dat ik dagenlang zelfs de deur niet uit wilde. Kort daarop werd ik voor een jaar overgeplaatst naar een team in Paraná.
Een bezoek dat precies op tijd kwam
Toen ik op een zondagochtend weg was naar de club, kwam er een oudere man bij ons aan de deur. Na een paar inleidende opmerkingen stelde hij de volgende vraag aan mijn vrouw: „Wist u dat de bijbel zegt dat er weldra geen oorlog meer zal zijn? Zou u het niet heerlijk vinden om eeuwig in vrede op deze aarde te leven?”
Om te bewijzen wat hij zei, vroeg hij haar vervolgens in de bijbel de tekst van Psalm 46:8, 9 te lezen, waar staat: „Komt, aanschouwt de activiteiten van Jehovah, hoe hij verbazingwekkende gebeurtenissen op de aarde heeft gesteld. Hij doet oorlogen ophouden tot het uiteinde der aarde. De boog verbreekt hij en hij slaat de speer werkelijk aan stukken.” Wat was dat goed nieuws voor mijn vrouw! Zo begon een reeks wekelijkse bezoeken die een getuige van Jehovah bij ons thuis bracht.
Hoewel ik persoonlijk niet bijzonder veel belangstelling had voor een bijbelstudie, had ik geen bezwaar tegen deze bezoeken. Af en toe stelde ik een vraag en kreeg dan onveranderlijk een bevredigend antwoord uit de bijbel zelf. Toen werd mijn belangstelling door iets gewekt. Mijn vrouw, die wist dat ik van kindsbeen af geleerd had mij intens om oudere mensen te bekommeren en diep respect voor hen te hebben, stelde mij heel slim voor een artikel te lezen met de titel: „Hoe prettig het is naar grootouders te luisteren”, in de Ontwaakt! van 8 november 1968. Het prachtige artikel moedigde mij ertoe aan meer te lezen en weldra nam ik met mijn vrouw deel aan de bijbelstudie.
Een nieuwe kijk op het leven
Enkele maanden later werden wij uitgenodigd om een congres van Jehovah’s Getuigen bij te wonen in het Pacaembu Stadion, dezelfde plaats waar ik op de schouders van voetbalfans het stadion uit gedragen was. Levendige beelden flitsten door mijn geest terwijl ik probeerde mij te concentreren op de prachtige bijbelse raad die werd gegeven.
Naarmate de congresdagen verstreken, móest ik wel verschillen opmerken. Geen geduw of gejouw, geen gezwaai met vlaggen of heldenverering. De kalme ordelijkheid van de menigte, de liefdevolle consideratie die men elkaar en in het bijzonder ons nieuwelingen betoonde, de hartelijke omhelzingen en de verheugde begroetingen van „broeder” of „zuster” maakten allemaal diepe indruk op mijn vrouw en mij.
Als natuurlijk vervolg op het congres kregen wij de uitnodiging om de Getuigen te vergezellen bij hun predikingswerk van deur tot deur. Bij vele gelegenheden werd ik door de huisbewoner herkend, en dan was het interessant hun onverholen verbazing te zien. Zij waren niet gewend dat een voetbalster bij hen aan de deur kwam om over de bijbel te praten!
Naarmate de tijd verstreek, bemerkten wij dat wij langzaam maar zeker een nieuwe kijk op het leven kregen, met een nieuw besef van waarden en, bovenal, een nieuwe hoop voor de toekomst. Ware zekerheid, zo leerden wij sproot niet voort uit een goed salaris of een mooi huis, maar alleen uit het op de eerste plaats stellen van Gods koninkrijk. „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd”, had Jezus in de Bergrede verklaard (Matth. 6:33). Mijn geweten begon mij te zeggen dat de hevige wedijver die in de voetbalwedstrijden aan het licht treedt, de felle rivaliteit, ja zelfs haat, en de spiritistische praktijken allemaal in strijd waren met de leringen van de bijbel.
Ten slotte besloot ik, hoe graag ik ook voetbalde, mijn loopbaan als beroepsvoetballer te beëindigen en een baan in Rio de Janeiro aan te nemen voor een veel lager salaris. Toen werden mijn vrouw en ik op 18 december 1970 door onderdompeling in water gedoopt als symbool van onze opdracht aan Jehovah om hem te dienen.
Wat hebben wij sedertdien een schitterende voorrechten genoten! Wij hebben verscheidene familieleden van ons kunnen helpen kennis te verkrijgen omtrent de bijbelse belofte van eeuwig leven in een toekomstig aards paradijs. Wij verheugen ons in een gevoel van zekerheid dat alleen deze kennis kan geven.
Ik speel nog graag een vriendschappelijk partijtje voetbal, maar de „bloemen” en de „stenen” zijn verleden tijd. Nu zijn onze dagen gevulder en zinvoller dank zij de kennis van het „goede nieuws” die ons leven heeft verrijkt. — Ingezonden.
[Inzet op blz. 17]
„Ik werd op de schouders van de fans het veld af gedragen”
[Inzet op blz. 18]
„Wat een ommekeer! Zondag een idool en maandag ongewenst!”
[Inzet op blz. 19]
„Zou u het niet heerlijk vinden om eeuwig in vrede op deze aarde te leven?”