„Daar moet iets aan gedaan worden!”
DE MAN was kennelijk goed ontwikkeld, wist zich gemakkelijk uit te drukken en werd alom gerespecteerd. Hij bekleedde een leidende functie in het bedrijfsleven en hij had een gezin. Maar hij stond terecht omdat hij een tegen de regering gerichte groep had georganiseerd, die zich toelegde op brandstichting en moord. Waarom? Zijn antwoord kwam hierop neer: „Wij moesten iets doen. Wij moesten handelend optreden!”
Velen raken gefrustreerd door de problemen die zij om zich heen zien, en vinden dat ’iemand er iets aan moet doen’. Zij maken zich zorgen over de wijdverbreide armoede en honger; over de corruptie op regeringsniveau; over de door industriële vervuiling veroorzaakte vergiftiging van de lucht die zij inademen en het water dat zij drinken; over de explosieve toename van de misdaad; over de dalende levensstandaard en de stijgende inflatie; over de enorme bedragen die aan bewapening worden uitgegeven.
Ja, wij leven in een onvolmaakte wereld en er zou veel moeten veranderen. Toch schijnt niemand in staat te zijn die veranderingen tot stand te brengen. Dat maakt sommigen cynisch of apathisch. Anderen „geven er de brui aan”, worden hippies of gaan drugs gebruiken. Sommigen proberen „een woordje mee te spreken” door druk bezig te zijn in de politiek of met liefdadigheidswerk. Maar al te vaak komen de frustraties tot ontlading in demonstraties, rellen, revoluties of daden van terreur zoals hierboven genoemd.
Helaas moet men toegeven dat geen van deze reacties op de lange duur veel nut schijnt te hebben. Revoluties en hervormingen hebben in sommige landen wel tot tijdelijke veranderingen geleid; maar over het geheel genomen schijnt het altijd weer onherroepelijk dezelfde kant op te gaan. Corruptie en oneerlijkheid zijn er nog steeds, evenals inflatie, uitgaven voor bewapening, industriële vervuiling, armoede en een hele reeks andere problemen.
Er is echter een andere manier om op deze situatie te reageren, een realistische en praktische manier, die op de lange duur wel nut zal hebben. Dat is de benaderingswijze van een man die een in deze tijd steeds zeldzamer wordende eigenschap bezat. Die man was Jezus Christus, en de eigenschap was een absoluut vertrouwen in God.
Jezus’ benadering
Veel van de hedendaagse problemen bestonden al in de dagen van Jezus, en klaarblijkelijk was hij zich er terdege van bewust. In zijn gelijkenissen toonde hij dat hij besefte hoe moeilijk het voor een arme was om recht te verkrijgen en hoe mensonwaardig de omstandigheden van een bedelaar konden worden (Luk. 18:2-5; 16:20, 21). Dikwijls werd hij door de omstandigheden van de gewone mensen „door medelijden bewogen”, terwijl hij keer op keer in aanraking kwam met de onderdrukkende mentaliteit en het fanatisme van de heersers in zijn tijd.
Hoe reageerde hij? Hij werd niet cynisch of gaf er niet ’de brui’ aan door de gehele treurige toestand de rug toe te keren. Evenmin werd hij gewelddadig of revolutionair. Eens wilde een grote menigte hem tot hun koning maken, maar Jezus weigerde daarop in te gaan. — Joh. 6:14, 15.
Neen, Jezus vertrouwde op God. Hij wist dat politieke veranderingen, hoe goed ook bedoeld, onmogelijk alle problemen van de mensen doeltreffend konden oplossen, aangezien de diepere oorzaak van die problemen buiten het bereik van de politiek lag. Zelfs toen hij met de dood werd bedreigd, deed hij geen beroep op zijn volgelingen om in opstand te komen en hem te redden. Vol vertrouwen verliet hij zich daarentegen op zijn Vader, met de woorden: „Niet mijn wil, maar de uwe geschiede.” — Luk. 22:42.
Jezus vertelde de mensen over Gods koninkrijk en verkondigde dat dit koninkrijk de oplossing voor hun problemen zou brengen. Niet dat hij weigerde fysieke of materiële hulp te verlenen aan degenen die in nood verkeerden. Vele malen genas hij mensen van kwalen die hen in de diepste armoede hadden gedompeld. Bij twee gelegenheden gaf hij blijk van menslievendheid door grote scharen van voedsel te voorzien (Mark. 10:46-52; 6:35-44; 8:1-9). Maar het werk waar hij zich voornamelijk mee bezighield, was de prediking omtrent Gods koninkrijk. Het verslag vertelt ons: „Toen trok hij rond door geheel Galiléa, terwijl hij in hun synagogen onderwees en het goede nieuws van het koninkrijk predikte.” — Matth. 4:23.
Wat hij tot stand bracht
Wat voor goeds werd hiermee bereikt? Het droeg bij tot een blijvende oplossing voor de problemen van de mensheid. Jezus was zich ervan bewust dat er belemmeringen zijn waardoor de mensheid haar eigen situatie in dit samenstel van dingen slechts in beperkte mate kan verbeteren. Uit zijn hele levensloop bleek hoe volledig hij erop vertrouwde dat God, op zijn eigen tijd en wijze, die belemmeringen uit de weg zou ruimen. Wat zijn die belemmeringen?
Een ervan is de menselijke onvolmaaktheid en zondigheid. „Want allen hebben gezondigd en bereiken niet de heerlijkheid Gods” (Rom. 3:23). Zolang dit zo is, zullen de mensen altijd zondigen en sterven, zal er altijd onderlinge wrijving zijn en zullen velen van God vervreemd zijn. Een andere belemmering is de activiteit van Satan en zijn demonen. De meeste mensen onderschatten de invloed die Satan op de menselijke aangelegenheden heeft, en sommigen trekken zelfs zijn bestaan in twijfel. Maar Jezus noemde hem „de heerser van de wereld” (Joh. 14:30). Zolang de mens onvolmaakt en onder Satans invloed blijft, zal de menselijke samenleving doortrokken blijven van zelfzucht en andere slechte geesteshoudingen. Verkeerde handelwijzen zijn zo diep geworteld dat een wereldleider, hoe oprecht hij ook is, weinig kan doen om in dit late stadium nog veranderingen tot stand te brengen.
Daarom predikte Jezus over Gods koninkrijk, want alleen onder dat koninkrijk kunnen werkelijk heilzame veranderingen tot stand komen. God heeft beloofd dat hij ’oorlogen doet ophouden tot het uiteinde der aarde’ (Ps. 46:9). In deze huidige wereld is een dergelijke hoop ondenkbaar, maar onder Gods koninkrijk zal het werkelijk gebeuren. Dit koninkrijk zal worden geschraagd „door middel van gerechtigheid en door middel van rechtvaardigheid” (Jes. 9:7). Alleen onder een dergelijk systeem zou corruptie op regeringsniveau kunnen worden uitgeroeid. En alleen door dit koninkrijk zal God „elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn”. — Openb. 21:4.
Het prediken van zulk een boodschap betekende dat Jezus een absoluut geloof in God bezat. Waarom? Welnu, „geloof is de verzekerde verwachting van dingen waarop wordt gehoopt” (Hebr. 11:1). Jezus sprak over iets wat nog in de toekomst lag. Hij moest tonen dat hij er onvoorwaardelijk op vertrouwde dat God zijn beloften zou vervullen. Het betekende dat Jezus de mogelijke voordelen van de wereld waarin hij leefde, moest opofferen en haat en spot van ongelovigen moest verduren. Het betekende ook dat hij erop voorbereid moest zijn een offerandelijke dood te sterven, aangezien God door Jezus’ dood de macht van Satan de Duivel teniet zou doen en tevens de mensheid uit haar zondige staat zou loskopen. — Joh. 1:29; Hebr. 2:14.
Jezus bezat dat vertrouwen. Hij wist dat God ’de beloner is van wie hem ernstig zoeken’ (Hebr. 11:6). En zijn vertrouwen werd gerechtvaardigd, want, zoals honderden getuigen hebben bevestigd, hij werd na zijn dood weer tot leven opgewekt. Thans is hij de regerende koning van het Koninkrijk waarover hij predikte. — Openb. 11:15.
Een praktische benadering
Jezus’ benadering was praktisch, omdat ze gebaseerd was op het vertrouwen dat God zou voorzien in een succesvolle en blijvende oplossing voor de talloze problemen waardoor de mensheid wordt belaagd. Is een dergelijke benadering ook in deze tijd praktisch?
Jazeker. Velen die het op andere manieren geprobeerd hebben, zijn ertoe overgegaan Jezus’ benadering als de enige praktische gedragslijn te kiezen. Een zekere jongeman bijvoorbeeld was zeer actief als leider van studentendemonstraties. Ontgoocheld door de corruptie waarop hij bij die activiteiten stuitte, nam hij zijn toevlucht tot drugs. Ten slotte hoorde hij het „goede nieuws van het koninkrijk” en besefte hij dat dit de oplossing was. Nu heeft hij het tot zijn voornaamste levensdoel gemaakt mensen te vertellen over hetzelfde koninkrijk dat Jezus verkondigde. — Matth. 24:14.
Evenals Jezus doen ware christenen hun naasten zoveel mogelijk goed. Zij tonen hun vertrouwen in God door ernaar te streven bijbelse beginselen in hun dagelijks leven toe te passen. Wanneer zij met problemen geconfronteerd worden, verlaten zij zich op de bijbel voor goddelijke leiding. Zij vertrouwen erop dat hun hemelse Vader in deze onzekere wereld over hen waakt. Telkens opnieuw hebben christenen de waarheid ondervonden van Jezus’ belofte: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd.” — Matth. 6:33.
Zij geloven oprecht dat God nu spoedig een eind zal maken aan de verwarring en het leed in deze wereld, en dat hij dit zal doen door middel van zijn koninkrijk. Vol vertrouwen bidden zij: „Uw koninkrijk kome”, en dit vertrouwen schenkt hun „de vrede van God, die alle gedachte te boven gaat”. Evenals Jezus offeren zij zelfs liever enkele van de tijdelijke voordelen van deze wereld op dan dat zij hun hoop op een erfdeel onder dat koninkrijk op het spel zetten. — Matth. 6:10; Fil. 4:7.
Neen, ware christenen reageren niet gewelddadig op het onrecht dat zij in de wereld waarnemen. Zij zeggen niet gefrustreerd dat ’iemand er iets aan moet doen’. Zij weten dat Iemand al bezig is er iets aan te doen. En zij weten aan de hand van al het bewijsmateriaal dat Zijn voornemens weldra op zegevierende wijze verwezenlijkt zullen worden.