Hij zou er een eind aan kunnen maken, maar als hij dat nu eens deed?
WILLEN degenen die kritiek op God hebben omdat hij het kwaad toelaat werkelijk dat er een eind aan komt? Aan wiens kwaaddoen willen zij dan een eind zien komen? Dat van henzelf, of alleen maar dat van anderen? Als God eens een eind maakte aan longkanker door de sigaretten uit hun vingers te grissen? Of aan levercirrose door hun cocktailglazen in de gootsteen leeg te gooien? Of aan geslachtsziekten door hoereerders van elkaar te scheiden? Accepteren zij dit, of zouden zij moord en brand schreeuwen over deze inmenging in hun vrijheid van keuze?
Misschien zijn zij er allemaal wel voor dat God de vuurwapens uit de handen van roofovervallers slaat. Maar hoe staat het met het feit dat zij zelf als werknemers hun baas bestelen, waarmee veel grotere geldsommen gemoeid zijn? Zouden zij er voorstanders van zijn dat God hen in het kantoor van hun baas neerzet met hun buit nog in de handen? Is het alle diefstal waar zij een eind aan willen zien, of zijn het alleen maar bepaalde vormen van diefstal?
Zouden zij het toejuichen wanneer God de fabrieken sloot die op een vreselijke manier de omgeving vervuilen en ziekte en dood veroorzaken, indien dat ook de fabriek betrof waar zij werken en op de loonlijst staan? Zij klagen over het grote kwaad van oorlog, maar zouden zij ermee instemmen dat er een einde aan de wapenindustrie kwam, waardoor de economie ineen zou storten? En als God hun voedsel nu eens zou delen met de hongerigen en hun rijkdom met de armen?
Hoe ver mag God nu werkelijk gaan met het uitroeien van het kwaad? Misschien is het alles wel beschouwd toch niet het kwaad, dat zij verwijderd willen zien. Misschien gaat het hun alleen om de afschaffing van de straf, de gevolgen van het kwaad. Willen zij vrij seksueel verkeer zonder geslachtsziekten? Zwaar drinken zonder leverkwalen? Tabak roken zonder longkanker? „High” zijn als gevolg van marihuana, zonder hersenbeschadiging? Willen zij kwaad zaaien zonder de vruchten ervan te oogsten? Dat zal niet lukken — net zo min als men appels kan plukken van onkruid, of druiven kan oogsten van distels.
Wanneer de ware aard bovenkomt
De neiging om kwaad te doen als men de straf kan ontlopen, blijkt wanneer een rampsituatie de politie handen vol werk bezorgt en er ongestraft gestolen kan worden. Overstromingen of branden waardoor woonwijken ontruimd moeten worden, of stroomstoringen waardoor steden in het duister worden gehuld, brengen de plunderaars op straat. Het is zoals de bijbel zegt: „Omdat het vonnis over een slecht werk niet spoedig is voltrokken, daarom is het hart der mensenzonen in hen er volkomen op gericht kwaad te doen.” — Pred. 8:11.
Mensen hebben geprobeerd enkele kwade dingen een halt toe te roepen door middel van wetten, rechtbanken, gevangenissen en reclassering, maar zij erkennen dat zij hebben gefaald. Er worden echter veel kwade dingen bedreven en bij velen bestaat niet de wens daar een eind aan te maken. Maar zij hebben kritiek op God omdat hij het toelaat, en als hij er een eind aan maakte zouden zij luidkeels protesteren tegen zijn inmenging in hun vrijheid om kwaad te bedrijven. In beide gevallen hekelen zij God.
Toch wordt met dit alles Jehovah’s voornemen gediend, en degenen die rechtvaardigheid liefhebben, zullen dit gaan inzien.