„Bewakers der goede zeden” geven een onduidelijk signaal
HOE krachtig nemen de kerken de leiding in hun traditionele rol van „bewakers der goede zeden” ten behoeve van het volk? In sommige van de grotere, gevestigde richtingen wijzen gebeurtenissen van recente aard erop dat de morele normen van de bijbel steeds meer worden aangevochten, niet alleen van buitenaf, maar juist ook van binnenuit. Ziehier enkele voorbeelden
● Een Werkgroep Seksualiteit van de United Church of Canada publiceerde in het voorjaar van 1980 een rapport waarin ze pleitte voor een „contextuele” benadering van de moraliteit door de kerk. Onder andere suggereert het 100 bladzijden tellende rapport dat seksuele gemeenschap voor ongehuwden onder bepaalde omstandigheden juist kan zijn, dat de nadruk meer moet liggen op een „eerlijk en krachtig streven naar trouw” in het huwelijk dan op de „seksuele exclusiviteit” die huwelijkstrouw nu veronderstelt, en dat „rijpe, zichzelf aanvaardende homoseksuelen” predikant moeten kunnen worden.
En wat maakt een seksuele verhouding dan juist? Volgens het forum moet ze ’creatief en bevrijdend, wederzijds opbouwend, maatschappelijk verantwoord en vreugdevol’ zijn — dingen die, in de geest van de beoefenaren, tijdens vrijwel iedere seksuele daad bereikt worden. Een woordvoerder van de werkgroep betoogde dat „de seksuele moraliteit gelijke tred moet houden met de sociale wetenschappen”, want „God spreekt daardoor evenzeer tot ons als door de bijbel”. Vele leden van de United Church voelden zich verraden. In brieven aan de werkgroep schreven kerklidmaten dat zij „ernstig verontrust”, „van afkeer vervuld” of „verslagen en beschaamd” waren. Eén vrouw schreef: „De duivel moet wel in zijn nopjes zijn. Ik stap er in ieder geval uit.”
● Op overeenkomstige wijze gaf ook de Anglicaanse Kerk van Canada, die in 1979 de ordinatie van homoseksuelen als priester had toegestaan, een rapport uit waarin voorgesteld werd dat het nu maar eens uit moest zijn met de „conventionele preutsheid” ten aanzien van ongehuwd samenlevende paren. Het rapport zegt dat als de verhouding er een is van „vrije wil en seksuele gemeenschap” in het kader van een verbintenis voor het leven, er dan „in wezen” reeds een huwelijk bestaat. Ervoor pleitend dat de kerk deze regeling erkent, zegt het rapport: „Wij moeten bereid zijn ons in stilte te verwonderen, wanneer wij zien dat [God] een ’door het gewoonterecht erkend’ huwelijk soms tot een genademiddel maakt.”
Toen dit rapport onlangs besproken werd op de generale synode van de kerk, drongen voorstanders er bij de bijeengekomen geestelijken op aan „deze realiteit onder de ogen te zien”. En de geestelijke Garry Patterson zei: „Ik heb de afgelopen drie jaar niemand bij mij gehad voor de voorbereiding op het huwelijk, die niet al samengeleefd had.” Anderzijds verklaarde Donald Masters van de Guelph Universiteit: „Ik vind het werkelijk ongelofelijk dat de kerk in een tijd van zedelijk verval iets zou goedkeuren wat zeer vele morele heidenen niet zouden accepteren.”
● In Groot-Brittannië gaf een studiegroep voor de Church of England een rapport van 34.000 woorden uit, waarin stond dat onder bepaalde omstandigheden „een homoseksuele verhouding waarbij de lichamelijke expressie van vrije liefde betrokken is” gerechtvaardigd kan zijn. Het rapport deed ook de aanbeveling homoseksuelen niet uit te sluiten van het priesterschap.
Hoewel dergelijke rapporten niet altijd worden aanvaard als de officiële richtlijn van de kerk, is toch de tendens duidelijk: In plaats dat de grote kerken de klaroen steken ten behoeve van godvruchtige rechtvaardigheid, draaien ze om de zaak heen en onderschrijven ze steeds meer de modieuze opvattingen over moraal van hun tijd. Wat ze zeggen, is regelrecht in tegenspraak met wat de apostel Paulus zo duidelijk zegt in 1 Korinthiërs 6:9, 10. Het weerspiegelt niet de geest van Lot die bedroefd was over wat de Sodomieten deden. — 2 Petr. 2:6, 7.