Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g80 8/12 blz. 20-23
  • Ik vereerde mijn voorouders

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik vereerde mijn voorouders
  • Ontwaakt! 1980
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Herdenking van de doden
  • Bevrijd van vrees voor de dood
  • Veranderde persoonlijkheid
  • Het bijstaan van de levenden wordt beloond
  • Is voorouderverering iets voor christenen?
    Ontwaakt! 1989
  • Waardering hebben voor uw ouders
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
  • Moet u bang zijn voor de doden?
    Ontwaakt! 1996
  • Voorouderverering
    Redeneren aan de hand van de Schrift
Meer weergeven
Ontwaakt! 1980
g80 8/12 blz. 20-23

Ik vereerde mijn voorouders

MIJN vroegste herinneringen als kind draaien om het ochtendritueel van de voorouderverering op Okinawa. Mijn moeder had mij aan mijn tante gegeven toen ik vier jaar oud was en wij woonden bij mijn grootmoeder, een vooroudervereerster. Zij geloofde dat de geest van de overledenen voortleeft en dat nog levende familieleden de plicht hebben hun voorouders te eren. Dit gebeurt door bloemen en voedsel op hun graf te zetten, en door thuis dagelijkse gebeden tot hen op te zenden.

Elke dag voordat de zon opging en vóór het ontbijt maakte ik het familiealtaar schoon, nam de verlepte bloemen weg en verving ze door verse. Grootmoeder knielde dan voor het altaar en recht vooruit kijkend met haar ogen open, bad zij daar geruime tijd tot onze voorouders. Maar omdat de gebeden op zachte toon werden uitgesproken, kon ik niet verstaan wat zij zei.

Grootmoeder leerde mij dat er geen andere goden zijn dan onze overleden voorouders en dat zij superieur zijn aan levende mensen. In overeenstemming met dit geloof wordt er veel zorg besteed aan iemands stoffelijk overschot. Het lijk wordt tijdelijk in een graf geplaatst totdat het vlees geheel tot ontbinding is overgegaan. Dan worden de beenderen verwijderd, schoongemaakt en in een speciale urn gedaan, met de naam van de persoon, de geboortedatum en sterfdatum er aan de buitenkant op geschreven, en overgebracht naar een familie-haka, of graf. De haka heeft de vorm van een baarmoeder, is gemaakt van beton of ander materiaal en bevat alle urnen met de beenderen van overleden voorouders of familieleden. De grondslag van het geloof is natuurlijk de leer dat mensen onsterfelijkheid bezitten en daarom voortleven na hun dood.

Herdenking van de doden

Eenmaal per jaar kwam onze familie bijeen om onze dode voorouders te herdenken. Bij zulke gelegenheden werd er een speciaal menu van motji-rijst, tofoe (sojabonenkaas) en zeewier opgediend. Deze gerechten gelden onder de bevolking van Okinawa als delicatessen en het kostte heel wat geld ze op tafel te brengen.

In speciale gevallen placht mijn familie een priesteres te huren, meestal een oudere vrouw, die voorging bij onze ceremonie ter ere van de doden. Wij moesten allemaal neerknielen terwijl zij ons zo’n half uur lang voorging in gebed. De woorden, die in een zacht gemompel werden geuit, konden we niet verstaan en voor ons, knielende kinderen, leek het wel alsof de gebeden een uur of langer duurden.

Toen ik 11 was, keerde ik naar Hawaii terug om mij bij mijn ouders te voegen. Hier kwam ik in contact met veel religies van de christenheid. Na mijn huwelijk werd ik gedoopt in het baptistische geloof. Mijn echtgenoot was echter vooroudervereerder en wij hadden ons eigen familiealtaar. Elke dag zette ik bloemen op het altaar, brandde er wierook voor en bad tot mijn voorouders net zoals mijn grootmoeder dit had gedaan. Dit leek mij niet vreemd toe omdat de baptistengroep ook gelooft dat mensen een ziel bezitten die na de dood in een geestenwereld voortleeft.

Onze voorouders werd eer bewezen, dacht ik, door tot hen te bidden en hen in kennis te stellen van verschillende aangelegenheden van het leven. Ik geloofde dat zij mij konden helpen òf me kwaad konden berokkenen. Daarom was het mijn oprechte wens hen niet te mishagen, zelfs niet in onbeduidende kwesties. Zo wilde ik op een keer mijn onderwijzer een geschenk geven, maar eerst legde ik het, uit respect voor mijn voorouders, op het altaar.

Bevrijd van vrees voor de dood

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen Jehovah’s Getuigen bij mij aan de deur. Uit hun tijdschriften vernam ik hoe Hitler in nazi-Duitsland de Getuigen in concentratiekampen had geïnterneerd en sommigen ter dood had gebracht omdat zij weigerden deel te nemen aan de oorlog. Dit interesseerde me en bracht een contrast aan het licht tussen Jehovah’s Getuigen en religies van de christenheid. Het duurde niet lang of ik begon de bijbel met de Getuigen te bestuderen.

De dingen die zij mij in Gods Woord lieten zien, maakten diepe indruk. Nooit ben ik vergeten wat in Prediker 9:5 geschreven staat: „Wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust.” Een andere bijbeltekst die mij bijzonder interesseerde was Ezechiël 18:4, waar staat: „Ziet! Alle zielen — mij behoren ze toe. . . . De ziel die zondigt, díe zal sterven.”

Deze en talrijke andere bijbelteksten hielpen mij in te zien dat de menselijke ziel niet onsterfelijk is, dat de doden niet voortleven in een geestenwereld maar dat zij geen bewustzijn bezitten en niet in staat zijn te helpen of kwaad te berokkenen. Wat een opluchting heeft dit voor mij betekend! Ik was niet bang meer voor de mogelijkheid na de dood eeuwig gepijnigd te worden. Ik was bevrijd van mijn vroegere geloof in reïncarnatie. Nu besefte ik hoe zinloos de verering van mijn voorouders was geweest, daar zij dood waren en niet bij machte me te helpen of kwaad te berokkenen.

Toen ik vorderde met mijn studie van de bijbel, leerde ik ook over de vertroostende hoop van de opstanding der doden. „Het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, [Jezus’] stem zullen horen en te voorschijn zullen komen” (Joh. 5:28, 29). Miljarden personen die nu dood zijn, zullen het vooruitzicht hebben eeuwig te leven op een aarde die in een paradijs is hersteld. Dan, zo besefte ik, zal Gods wil werkelijk ’geschieden, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde’ (Matth. 6:10). Het waren deze bijbelse waarheden in verband met de doden die mij vrijmaakten. Mijn kijk op het leven veranderde.

Ik koesterde onmiddellijk het vurige verlangen deze pas geleerde waarheden met mijn vrienden te delen. Mijn eerste pogingen waren op mijn levende familieleden gericht omdat ik nu de doden niet meer vereerde. Eerst nam ik contact op met mijn moeder en legde haar uit wat de ware toestand van de doden was. Na verloop van tijd aanvaardde zij dankbaar de bijbelse leer. Ook met mijn vader stelde ik mij in verbinding en ik begon de bijbel met hem te bestuderen. Voordat hij stierf, aanvaardde ook hij het feit dat de doden „zich van helemaal niets bewust” zijn en liet hij dan ook de voorouderverering varen.

Bij elke gelegenheid deelde ik deze geweldige bijbelse waarheden met mijn vrienden, familieleden en buren. Deze waarheden brachten mij grote troost en vreugde en ik wilde dat ook anderen de bijbelse belofte kenden dat God hier op aarde onder zijn koninkrijk ’elke traan uit hun ogen zal wegwissen, en de dood niet meer zal zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn er meer zal zijn’. — Openb. 21:4.

Veranderde persoonlijkheid

Als ik terugblik naar de tijd dat ik mijn voorouders vereerde, realiseer ik me dat mijn hele leven draaide om de verering van de doden. Er was in zekere zin weinig aandacht besteed aan het betonen van praktische liefde voor mijn gezin en bloedverwanten terwijl zij nog in leven waren. Toen ik een volgeling van Jezus Christus werd, hielp dit mij een nieuwe persoonlijkheid aan te doen, liefdevoller te zijn tegenover mijn nog levende familieleden en anderen.

Toen ik bijvoorbeeld voor het eerst hoorde dat mijn ouders mij op vierjarige leeftijd aan mijn tante hadden gegeven, nam ik hun dat zeer kwalijk en begon ik mijn moeder te haten. Maar nadat ik een van Jehovah’s Getuigen was geworden, besefte ik dat ik geen haat meer jegens mijn moeder mocht koesteren. Zoals Jezus leerde, moeten wij anderen vergeven indien wij willen dat God ons vergeeft. Jehovah zelf geeft het voorbeeld door ons vrijelijk te vergeven (Matth. 6:12; Kol. 3:13). Daarom ging ik naar mijn moeder toe en legde uit dat ik haar niet langer haatte in mijn hart maar haar vergeving wilde schenken. Zij bood haar verontschuldigingen aan en er ontwikkelde zich tussen ons een vreedzame moeder-dochterverhouding die duurde totdat zij stierf.

Ook in de omgang met anderen kon ik meer liefde betonen. Als ik op de een of andere wijze onaangenaam werd bejegend, kon ik werkelijk vergevensgezind zijn in plaats van haat en vijandschap te koesteren. Deze nieuwverworven eigenschappen barmhartigheid en vergevensgezindheid droegen zelfs bij tot het redden van mijn huwelijk. Toen ik pas begon met het bestuderen van de bijbel, liep ik met echtscheidingsplannen rond, maar de bijbel hielp me de onvolmaaktheden van mijn man te leren vergeven, en ons huwelijk heeft 33 jaar standgehouden, tot aan zijn dood.

Het bijstaan van de levenden wordt beloond

Wanneer ik thans de eenzaamheid zie van bejaarde ouders en grootouders en opmerk hoe vaak zij worden verwaarloosd in hun laatste levensjaren, stemt het mij zeer dankbaar dat ik heb geleerd mijn ouders ware liefde en respect te betonen toen zij nog in leven waren. Het geluk dat dit mij heeft geschonken, bevestigt wat Jezus verklaarde, namelijk: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.” — Hand. 20:35.

Nu, op 65-jarige leeftijd, vereer ik mijn overleden voorouders niet meer maar ben ik innig dankbaar een aandeel te hebben aan de aanbidding van Jehovah, de ware en levende God (Jer. 10:10). — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen