Een katholiek priester brengt een verandering in zijn leven aan
HET hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen te Brooklyn, New York, ontving in juli 1979 de volgende brief:
„Aan alle betrokkenen,
Even een woord van dank voor uw publikaties die zo veel uitermate belangrijke en verhelderende informatie bevatten. Door middel van uw publikaties en met behulp van een van uw predikers uit Newark, N.J., ben ik geholpen de echte WAARHEID te vinden. Als voor verdienste insignes bestaan, dan moet er een uitgereikt worden aan deze kleine beoefenaarster van de waarheid, Mej. Janet Jones. Eens was ik een zeer prominent katholiek priester en door deze jonge vrouw kwam ik te weten dat ik inderdaad de waarheid niet echt bezat, maar dat wat zij mij liet zien, wèl de waarheid was. Ik wil u nogmaals bedanken en zo Jehovah wil, zal ook ik een prediker van onze liefdevolle Schepper Jehovah worden.”
Op het „Levende hoop”-districtscongres van Jehovah’s Getuigen dat in de zomer van 1979 in het Giants stadion in New Jersey werd gehouden, verhaalde Janet Jones hoe zij deze priester had leren kennen. Zij vertelde:
„Afgelopen jaar werkte ik als secretaresse aan de Seton Hall universiteit. Door geduldig getuigenis te geven, kon ik een bijbelstudie oprichten bij een jonge studente, die eens met zelfmoordplannen had rondgelopen. Zij maakte snel vorderingen met de studie en al gauw vertelde ze mij dat ze haar kerk zou verlaten. Zonder dat ik het wist, had zij haar priester al die tijd fotokopieën gegeven van de stof die wij elke week doornamen.
De priester was erg ontdaan toen hij vernam dat zij de kerk verlaten had en deed zijn uiterste best haar tot andere gedachten te brengen. Kort daarop keerde zij naar haar ouderlijke huis in Florida terug, waar zij in geestelijk opzicht vorderingen bleef maken. Ondertussen kwam de priester te weten dat ik de persoon was met wie zij gestudeerd had en vroeg hij mij om een onderhoud. Hij wilde graag de boeken hebben waaruit wij de stof voor onze studie hadden genomen, namelijk De waarheid die tot eeuwig leven leidt en Is dit leven alles wat er is? Hij zei dat ik een zware zonde had begaan door de jonge vrouw van de katholieke Kerk af te keren.
Bij de paar gelegenheden dat ik hem daarna zag, zei hij ervan overtuigd te zijn dat er veel fouten in die boeken stonden en dat hij ze allemaal onder mijn aandacht zou brengen zodra hij de hele stof had doorgenomen. Het kostte mij veel speurwerk om zijn vele vragen te kunnen beantwoorden. Zonder dat ik het wist, begon hij verscheidene Koninkrijkszalen te bezoeken en gesprekken te voeren met Getuigen die aan het prediken waren en stelde hij hun dezelfde vragen die hij mij had gesteld. Steeds weer kreeg hij dezelfde antwoorden. Zo’n drie tot vier maanden hoorde of zag ik niets van hem. Toen veranderde mijn wereldse baan, waardoor ik ergens anders kwam te werken. Enkele weken later ontving ik een brief van de priester, gedateerd 22 juni 1979. Hij schreef:
’Graag zou ik je willen bedanken voor het inzicht dat je mij hebt helpen verkrijgen door middel van de publikaties „Is dit leven alles wat er is?” alsook „De waarheid die tot eeuwig leven leidt”. Ik moet bekennen dat ik mijzelf na onze eerste kennismaking verschillende vragen aangaande de grondslag van mijn geloof heb gesteld, en ik ontdekte dat mijn geloof niet zo stevig gefundeerd was als het jouwe. Ik heb toen mijn geloof aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen zoals jij me had aangeraden, en ik heb mijn superieuren verschillende vragen gesteld die zij verbazingwekkend genoeg niet zo goed konden beantwoorden als jij. Dat is toen het punt geweest dat ik besefte dat er beslist iets ontbrak in mijn leven, en ik wilde antwoord op mijn vragen hebben. In Irvington heb ik vaak een van jullie plaatsen van aanbidding bezocht, en daar hoorde ik waar ik naar zocht, namelijk „De Waarheid”. Ook wilde ik weten of ik er alles zo zou aantreffen als je mij had gezegd. Welnu, lieve kind, je bent te bescheiden geweest!
Tegen de tijd dat je dit korte briefje ontvangt, zal ik mijn priestergewaad, zoals dat heet, hebben afgelegd en zal ik waarschijnlijk op weg zijn naar huis om daar op zoek te gaan naar een van jullie koninkrijkszalen zodat ik meer van deze waarheid kan vernemen. Je was als een helder licht in een lange donkere tunnel, heel helder schijnend, zelfs voor een oude donkere tunnel zoals ik ben. Wat je ook doet, blijf als een licht schijnen. Laat niemand of niets je hiervan weerhouden, want ik kan naar waarheid zeggen dat God waarlijk door bemiddeling van jou aan het werk moet zijn.
Mijn superieuren stonden verbaasd toen ik hun meedeelde dat ik na 33 jaren van dienst zou vertrekken, maar toen zij de reden vernamen, was een onmiddellijk vertrek hun nog niet snel genoeg. Maar weet je wat nu zo grappig is: enkele jaren geleden vertrok een van mijn collega’s om dezelfde reden, en toen zwoer ik dat ik nooit iets tussen mij en de kerk zou laten komen. En moet je mij nu eens zien! Ik heb het gevoel alsof er een enorme last van mijn schouders is gevallen en het is alsof ik voor het eerst in 33 jaar frisse lucht ruik. Hoe vriendelijk en roemrijk en liefdevol is Jehovah God, onze Schepper!
Ik weet niet of wij elkaar ooit weer zullen ontmoeten, maar wees ervan verzekerd dat je altijd in mijn gedachten zult zijn en dat ik je in mijn gebeden zal blijven gedenken.’
Nadat hij was uitgetreden, werd ik op een dag op het kantoor van de universiteit waar ik werk door twee van zijn collega’s benaderd. Een van hen vroeg mij of ik het goed vond dat zij terugkwamen om mij een paar vragen te stellen. Ik stemde toe.
Een tijdje later kwamen de twee priesters met nog acht anderen terug, allen gekleed in hun traditionele gewaad. Ik schat dat de priesters wat hun leeftijd betreft in de veertig en ouder waren; de oudste was waarschijnlijk in de zeventig. Ik ben nog maar 25 jaar.
De priesters namen plaats in het kantoor en het gesprek begon. Zij stelden vragen over mijn geloof in Christus, zijn dood en het feit dat hij Gods zoon is. Het onderwerp Drieëenheid scheen hun bijzonder te interesseren. Eén priester zei dat ik eeuwig in de hel zou worden gepijnigd, omdat ik anderen van het katholieke geloof had afgekeerd. Ik toonde aan de hand van de bijbel aan dat iemand die zich in de ’hel’ bevindt, geen pijnigingen kan ondergaan aangezien hij zich van helemaal niets bewust is. — Ps. 139:8; Pred. 9:5, 10.
Tijdens het hele gesprek viel mij op dat de oudere priester geen vragen scheen te hebben. Hij leunde maar wat op zijn wandelstok en keek mij oplettend aan, vooral wanneer ik de bijbel gebruikte om de vragen van de anderen te beantwoorden.
Ten slotte zei een zeer geërgerde priester: ’U weet niet waar u over spreekt. U vertelt leugens en zou de waarheid niet herkennen, al liep u er tegenaan.’ Daarop stond de oude priester op en zei: ’Dat weet zij wel. Zij spreekt de waarheid en dat is iets wat wíj weigeren te accepteren.’” — Ingezonden.
[Inzet op blz. 15]
Eén priester zei: „U weet niet waar u over spreekt.” Maar een oudere priester zei: „Dat weet zij wel. Zij spreekt de waarheid.”