Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g80 8/9 blz. 29
  • „El coquí” — het kleine Portoricaanse kikkertje

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „El coquí” — het kleine Portoricaanse kikkertje
  • Ontwaakt! 1980
  • Vergelijkbare artikelen
  • Geven maakt me gelukkig
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2016
  • Eigenaardige broedgewoonten
    Ontwaakt! 1975
  • Het voortplantingsstelsel van de maagbroedkikker
    Ontwaakt! 2014
  • Porto Rico — Een gouden plek onder de zon
    Ontwaakt! 2008
Meer weergeven
Ontwaakt! 1980
g80 8/9 blz. 29

„El coquí” — het kleine Portoricaanse kikkertje

Door Ontwaakt!-correspondent op Porto Rico

NADAT de mannen een hele dag hadden gewerkt, waren zij moe, warm en bezweet. Maar zij lieten de ritmische bewegingen van hun kapmessen niet verslappen — de machete suisde neer en sloeg met een klap in het suikerriet, ging omhoog, suisde weer neer. Ondertussen waren hun oren gespitst voor een ander geluid. Eindelijk kwam het, de luide toon die voor hen het einde betekende van weer een dag werken. Het was de doordringende stem van Porto Rico’s kleine kikkertje, de coquí, die zijn lied van „koo-kie! koo-kie!” begon. Vele jaren geleden, voordat er vakbonden bestonden, was de roep van de coquí het ’fluitsignaal’ waarop de landarbeiders met het kappen van suikerriet ophielden.

Dit kleine kikkertje is gemiddeld 36 millimeter lang. Zijn lichaampje is niet veel groter dan de duimnagel van een man. De kop met de grote uitstekende ogen is breder dan de romp. Die ogen verliezen geen moment hun waakzaamheid terwijl ze uitkijken naar een zorgeloos insekt dat misschien dicht genoeg langsvliegt om een smakelijk hapje te worden.

In tegenstelling tot andere kikkers heeft de coquí aan de achterpoten geen zwemvliezen maar lange, op vingers lijkende tenen. Zijn huid kan van licht in donker veranderen om met zijn omgeving overeen te stemmen. Een ander aspect waarin hij helemaal niet op een kikker lijkt, is de ontwikkeling van ei tot embryo tot kikker. Hij maakt niet een stadium van kikkervisje door. Het wijfje is een reuzin in vergelijking met het mannetje. Ze legt gewoonlijk ongeveer 36 eieren op het blad van een plant, net aan het oppervlak van het water op het onderste deel van het blad. De eieren vormen met elkaar een ovale massa van zes tot acht millimeter in doorsnede.

’s Nachts zitten overal in de planten coquíes te genieten van hun eigen harmonieuze geluiden. Alleen de mannetjes zingen. Soms begint hun melodieuze lied heel zachtjes met een vlug toonladdertje, „koo-kie-kie-kie-kie-kie!” Als hun lied luider wordt, blijft het verder bij het vaste, uit twee tonen bestaande „koo-kie! koo-kie!” De inwoners van Porto Rico vinden dit een alleraangenaamste begeleiding van hun avondmaal.

Eén gezin genoot in het bijzonder van de nachtelijke zang van het kleine kikkertje in de bromelia die op hun veranda hing. Het diertje was de verrukking van bezoekers uit andere landen, en heel wat keren werd er inbreuk gemaakt op zijn privacy als mensen een blad van de plant opzijduwden om een blik te kunnen werpen op dat kleine lichaampje dat die harde stem voortbracht. Eens zag men hem op de metalen jaloezie van een raam zitten, zich opblazend tot tweemaal zijn normale grootte en dan zijn „koo-kie! koo-kie!” uitstotend met een lichaampje dat trilde bij iedere toon.

In een klein eilandstadje smaakte een vrouw het genoegen een coquí-gezin werkelijk geboren te zien worden. Op een avond zag zij het wijfje hoog tegen de muur van de keuken zitten. Het donkerder, ietwat wratachtige wijfje is lang niet zo knap als het mannetje. ’s Morgens keek de vrouw in het holletje waar het mannetje huisde, en vond hem daar op een massa eieren zitten. De nachten waren nu stil, want wanneer papa coquí zich van zijn taak kwijt, zingt hij niet.

De vrouw hield de eieren nauwlettend in de gaten en zij werd beloond voor haar waakzaamheid. Eindelijk gebeurde het dat zij een stroom water over de eieren zag gaan. Keer op keer besproeide het mannetje ze. Al gauw leek een van de eieren te tollen, maar dat duurde maar heel kort. Het membraan brak en wat er naar buiten kwam springen, was een kleine coquí, ongeveer zo groot als een gewone mier maar met lange poten. Het kleine diertje was in een oogwenk verdwenen. Toen begonnen andere eieren uit te komen. Ten slotte wemelde het holletje van tollende eieren en een goed heenkomen zoekende mini-coquíes.

De vader bleef met tussenpozen water sproeien en scheen zich niets aan te trekken van het wegvluchten van zijn kroost. Toen zijn werk voltooid was, vertrok hij. Verscheidene avonden werd zijn stem niet gehoord. Maar na een week of zo kwam opnieuw het vertrouwde geluid van dezelfde plek in de vensterbank die hij vroeger gebruikte. En daar zat hij weer, uit zijn kleine lichaampje die twee welkome tonen uitstotend: „koo-kie! koo-kie!”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen