De indrukwekkende wereld van de Inka’s
DE STAD Lima zakte onder ons weg terwijl ons vliegtuig snel hoogte won en wij koers zetten in de richting van het Andesgebergte. Al gauw landden wij in Cuzco, het hart van de oude wereld der Inka’s!
Het Inka-imperium was in korte tijd van een klein rijkje uitgegroeid tot een gebied zo groot als België, Luxemburg, Nederland, Frankrijk, Italië en Zwitserland samen. Maar sneller dan de opzienbarende wijze waarop het rijk tot bloei was gekomen, ging het ook plotseling ten onder door toedoen van slechts een handjevol Spaanse avonturiers.
Wie waren de Inka’s? Wat voor leven leidden zij? Hoe kwam het dat zij ten onder gingen en van het toneel verdwenen?
De dageraad van een imperium
Onze Peruaanse gids legde uit dat de eerste Inka, Manco Capac, de stad Cuzco zou hebben gesticht op een plek die de zonnegod had aangewezen. Historisch bezien, begint de geschiedenis van de Inka’s echter omstreeks 1200 G.T. In die tijd waren de Inka’s slechts „heren van Cuzco” en vormden zij een van de vele stammen in de Andes. Nauwkeuriger gezegd, was de uitdrukking „Inka” de titel van de heerser. In het moderne taalgebruik worden met de term Inka’s ook de onderdanen van het rijk aangeduid, ofschoon zij zichzelf waarschijnlijk capac-cuna noemden, wat „heerlijken” betekent.
De oorlogsmachine van de Inka’s kwam traag op gang. Mettertijd kwamen zij rechtstreeks in conflict met de machtige Chanca-stam. Maar de Chanca’s waren geenszins bereid zich over te geven. Zij deden zelfs een onverhoedse aanval op Cuzco en drongen de stad binnen. Inka Viracocha ontsnapte. Zijn zoon Pachacuti hield stand, organiseerde de verdediging en verdreef de Chanca’s. Nu was het toneel gereed voor de opkomst van Tahuantinsuyu („Rijk van de Vier Windstreken”), het Inkarijk.
Na de dood van zijn vader werd Pachacuti (hetgeen „hij die de aarde schudt” betekent) in 1438 tot Inka verheven. Onder zijn heerschappij en die van de zoon die hem opvolgde, werden de grenzen van het rijk dermate uitgebreid dat zij een gebied omsloten van zo’n 984.195 vierkante kilometer, grotendeels in wat nu als Peru, Ecuador, Bolivia en Chili bekendstaat. Deze uitbreiding kwam voor het grootste deel tot stand in een periode van slechts 30 jaar, van 1463 tot 1493, en dat in een van de onherbergzaamste gebieden der aarde.
Een welvaartsstaat
Pachacuti blonk niet alleen uit als krijgsman maar ook als ontwerper van de staatsinrichting en als bestuurder. Vertellend over de wijze waarop het rijk was georganiseerd, deed onze gids ons verbaasd staan door zijn beschrijving van het Inkarijk als een welvaartsstaat. Niemand leed honger, zo legde hij uit, maar daar stond tegenover dat er geen luiheid werd getolereerd.
Iedereen hoorde bij een ayllu, een groep gezinnen die in een toegewezen gebied woonden. Landerijen, gewassen en dieren waren gemeenschappelijk bezit. Het land was het eigendom van de ayllu en werd eenvoudig aan de gezinnen in bruikleen gegeven. Elk jaar vond er in de herfst een herindeling plaats. Naar gelang de grootte van het gezin kregen zij land erbij of raakten zij land kwijt.
De steunpilaar van hun cultuur was de landbouw. De bevolking moest het land bebouwen om de hele gemeenschap te onderhouden: de staat, de priesters en zichzelf. De oogsten die de staatslanderijen opleverden, werden opgeslagen om gebruikt te worden door de adel, de rijksambtenaren en het leger, alsook door het gewone volk wanneer er een misoogst was geweest.
Belasting werd gevorderd in de vorm van dienst ten behoeve van openbare werken. Bovendien moest elke gezonde, belastingplichtige mannelijke Indiaan, wanneer dit maar nodig was, militaire dienst verrichten.
Wat werd er nog meer van het volk verlangd? Een opmerkelijke verplichting die onder de Inka’s gold, was dat iedere man op de leeftijd van 20 jaar moest trouwen. En wanneer hij aarzelde, koos het stamhoofd een vrouw voor hem uit.
Terwijl wij over deze strakke reglementering nadachten, roerde de gids nog een aspect hiervan aan. Elke tien belastingplichtige arbeiders werden bestuurd door een conka-kamayoc. Boven tien van zulke groepen stond een voorman. Tien voormannen vielen onder de jurisdictie van een superieur zoals een dorpshoofd. Een districtsgouverneur ging over 10.000 mensen. Tien districten ressorteerden onder een apo, een gouverneur over een van de vier delen waaruit het rijk bestond. Deze verdeling in vier gebieden kwam op natuurlijke wijze tot stand door vier wegen die van de hoofdstad Cuzco uitgingen. Deze hele indeling vereiste 1331 ambtenaren op elke 10.000 mensen en maakte het mogelijk om over iedereen, tot de laatste man in het rijk toe, controle uit te oefenen.
De „goddelijke” Inka
Het hart van de Inkabeschaving vormde de heerser zelf, die als een „afstammeling van de Zon” de grootste privileges genoot. Gewoonlijk koos een raad van adviseurs als opvolger de meest bekwame van de wettige zonen die de Inka bij zijn coya, of voornaamste vrouw, had. Ofschoon hij een harem van bijvrouwen bezat, was de coya zijn echte vrouw en in de meeste gevallen tevens zijn eigen zuster.
De Inka was de politieke heerser, het hoofd van de staatsreligie en „goddelijk” in de ogen van het volk. Zijn macht was absoluut en zijn manier van regeren werd gekenmerkt door schranderheid. Hoe dat zo?
De vele nakomelingen van de Inka bekleedden vertrouwensposities als belangrijkste bestuurders. Zo waren bijvoorbeeld de gouverneurs van de vier rijksdelen bloedverwanten van hem. En van Huayna Capac, de Inka die tijdens de Spaanse verovering heerste, wordt verteld dat hij 500 mannelijke nakomelingen had.
Volkeren die pas overwonnen waren, werden in het arbeidsproces van het rijk opgenomen. Wanneer men bepaalde delen van de onderworpen bevolking niet vertrouwde, werden zij naar elders overgebracht en loyale mensen die mitakona werden genoemd en die de Quechua-taal spraken, namen hun plaats in en brachten er de Inkacultuur.
De Inka-organisatie en integratie was zo goed uitgedacht dat er tot op de huidige dag nog steeds sporen van te zien zijn. Zo’n vijf miljoen mensen spreken nog steeds de Quechua-taal. Ook de man die voor ons als gids optrad, sprak deze taal. Hij vergeleek de moderne comunidades met de oude ayllus. Landbouwmethoden, de aard van de mensen, muziek, alles ademt nog de oude levenswijze van de Inka’s.
Doeltreffend communicatiesysteem
Hoe was het mogelijk het uitgestrekte rijk bijeen te houden? Onze gids wees ons op het verbazingwekkende netwerk van wegen en bruggen en een koeriersdienst. Daar het wiel in hun berggebied geen praktische waarde had, hebben de Inka’s dit nooit gebruikt. Alle wegen waren dus aangelegd met het oog op reizigers die zich te voet verplaatsten en lama’s als lastdieren gebruikten.
Beschouw eens hoe doeltreffend deze hoofdwegen waren. Om de 7,2 kilometer had men een afstandsmarkering aangebracht, terwijl om de 20 tot 30 kilometer pleisterplaatsen waren. Tevens stonden de koeriers of estafettelopers extra kleinere pleisterplaatsen ter beschikking. Elke hardloper, gekleed in een karakteristiek geruit tuniek, legde een afstand van 2,4 kilometer af. Op deze wijze konden zij binnen vijf dagen een boodschap over een afstand van meer dan 2000 kilometer bezorgen!
Kunst en architectuur
In een plaatselijk museum ontdekten wij dat de Inkakunst aan de sobere kant was. Hun hoog ontwikkelde techniek bij het weven van vicuñawol leverde een uitstekende kwaliteit op, maar getuigde van weinig fantasie.
Zij waren echter zeer bedreven in het smeden van goud. Deze kunst werd zo hoog gewaardeerd, dat de goud- en zilversmeden in afzonderlijke districten woonden en vrijgesteld waren van het betalen van belasting. De Spanjaarden waren verrukt over wat zij zagen.
Volgens de beschrijving die onze gids van Cuzco gaf, was er overal goud te zien. Enkele gebouwen waren met gouden platen overtrokken. Door de rieten daken van de tempels waren gouden draden geweven. De Tempel van de Zon en zijn omheinde ruimte stonden vol met gouden voorwerpen.
Op welke andere wijze de Inka’s ook aan de beschaving hebben bijgedragen, het zinkt in het niet bij hun architectuur en stadsplanning. Wat zij met kolossale rotsblokken hebben gepresteerd, is in de westerse wereld nooit geëvenaard. De omvang van de gebouwen en hun aantal is overweldigend.
Men beweert dat Sacsahuaman, de vesting die als bescherming van de stad Cuzco diende, een van ’s mensen grootste prestaties op het gebied van de architectuur is. Dit bouwwerk is zo’n 550 meter lang. Drie zware stenen muren boven elkaar reiken tot een hoogte van wel 18 meter. Enkele van de reusachtige fundamentstenen wegen tussen de 90 en 135 ton! In de hele vesting zijn zo’n 300.000 stenen verwerkt.
Goden en heilige voorwerpen
Wat valt er over de levensopvatting en de religie van de Inka’s te zeggen? De staat en de religie gingen hand in hand. De Inka’s geloofden in het bestaan van een schepper, Viracocha genoemd. Volgens zeggen bevond zich een leger van lagere goden aan zijn zijde. Onder hen nam Inti, de zonnegod, de voornaamste plaats in. De zonnegod werd feitelijk het symbool van de Inkacultuur, en de aanbidding van de zon werd de staatsgodsdienst.
Zij kenden een omvangrijke priesterschap, alsook vele tempels. Regelmatig waren er plechtstatige ceremoniën waarbij de priesters waarzeggerij beoefenden en slachtoffers brachten. Maar de mensen in het algemeen beoefenden hun eigen soort van religie, die minder gekunsteld was en die verband hield met heilige plaatsen en voorwerpen, die zij huaca noemden. Alles kon huaca zijn — bijvoorbeeld een tempel, een berg, een rivier, dieren, stenen, mummies van voorouders, sterren. De landbouw was heilig en alles wat ermee in verband stond, werd huaca. Van de heilige voorwerpen was de zon het grootste. De mensen deden alles om in de gratie van de huaca’s te blijven.
Einde van de Inkaheerschappij
In 1527, toen de Inka’s op het hoogtepunt van hun luister en macht stonden, stierf Huayna Capac. Er volgde een vijf jaar durende burgeroorlog vanwege een strijd om de macht. Maar twee weken na de overwinning die Atahualpa op zijn halfbroer Huascar behaalde, verscheen de Spanjaard Pizarro op het toneel. Met slechts 180 mannen, waarvan 67 ruiters op paarden, was hij uit Tumbes vertrokken in de richting van Cajamarca. Atahualpa wist dat zij onderweg waren.
Was hij nieuwsgierig? Bezat hij een te groot vertrouwen? Of hechtte hij waarde aan bijgeloof met betrekking tot die gebaarde blanke vreemdelingen? Niemand weet het. Maar één ding is zeker: als hij van mening was geweest dat zij een bedreiging vormden, had hij hen kunnen vernietigen terwijl zij via de honderden smalle bergpassen omhoogklommen. Maar Atahualpa wachtte passief af.
Ten slotte bereikten de Spanjaarden het ontruimde Cajamarca en bezetten het. Als toppunt van zijn vermetelheid nodigde Pizarro Atahualpa uit om hem in de stad te bezoeken — maar ongewapend! Zou Atahualpa op zijn uitnodiging ingaan? Het leggen van een hinderlaag was in de militaire strategie van de Inka’s niets nieuws. Niettemin trok Atahualpa’s stoet op de avond van 16 november 1532 het plein van Cajamarca op. Hij kwam in vol ornaat, met al zijn koninklijke pracht, vergezeld van een gevolg, maar allen waren ongewapend. Had hij reden de vreemdelingen te vertrouwen? Of wilde hij met deze daad zijn figuur redden en geen lafaard lijken? Wij weten het niet.
Een rooms-katholiek priester trad naar voren om de Inka te begroeten. De schrijver Hammond Innes beschrijft wat er toen gebeurde: „Het schijnt voor de hand te liggen dat de monnik Atahualpa de bijbel overhandigde als de autoriteit waarop het christelijke geloof was gebaseerd, en dat de Inka hem op de grond gooide. Hoe moeilijk hij het wellicht ook heeft gevonden het theologische betoog van de Dominicaan te volgen, over de bedoeling kan hij niet in het onzekere hebben verkeerd: deze miserabele vreemdeling met zijn geschoren kruin en zijn kruis drong er bij hem op aan zijn eigen goddelijkheid te verloochenen ten gunste van een god die op stompzinnige wijze door zijn eigen volk was vermoord, en terzelfder tijd in keizer Karel een koning te erkennen die groter was dan hijzelf. Met andere woorden, er werd van hem verlangd alles op te geven waarvoor hij juist zo hard gevochten had. Zijn toorn over deze onbeschaamdheid ontvlamde onmiddellijk, zijn verwerping van het Boek was onvermijdelijk. Het trotse gebaar waarmee hij op de zon wees en de woorden: ’Mijn God leeft nog’, zijn ons vermoedelijk correct overgeleverd.”
Plotseling klonk er een kanonschot en toen kwam de Spaanse cavalerie uit de smalle toegangswegen rondom het plein aangestormd en viel de Indianen aan. Binnen 30 minuten waren zij overweldigd en waren 6000 van hen gedood. De enige Spanjaard die gewond raakte, was Pizarro, die een zwaardslag opliep toen hij Atahualpa, die hij levend in handen wilde krijgen, verdedigde. Atahualpa was gevangen!
Atahualpa werd beloofd dat hij in leven zou blijven wanneer hij zijn aanbod gestand zou doen om de grote kamer die als zijn gevangenis diende, éénmaal met goud en tweemaal met zilver te vullen. Uit alle delen van het rijk stroomden de kostbaarheden binnen. Maar de Spanjaarden waren niet tevreden. In hun begeerte naar goud vroegen zij om meer. Ten slotte wisten zij een ongelooflijke hoeveelheid schatten te vergaren.
Maar Atahualpa was in leven en men was niet van plan hem vrij te laten. Het was niet zo dat hij zijn deel van de afspraak niet was nagekomen, maar hij stond hun in de weg. Daarom beschuldigden zij hem er onder andere van dat hij bezig was een opstand te organiseren. Of dat nog niet genoeg was, beschuldigden zij hem van „misdaden tegen de Spaanse staat”, en dat in zijn eigen land! Hij werd berecht en „schuldig bevonden”. Toen hij smeekte of hij op een andere manier terechtgesteld mocht worden dan door verbranding, wat indruist tegen de religieuze overtuiging die de Inka’s er met betrekking tot een leven na de dood op na houden, werd hij geworgd, maar slechts nadat hij ermee akkoord was gegaan om als rooms-katholiek te worden gedoopt. Dit gebeurde op 29 augustus 1533.
De Inkabevolking bood weinig weerstand toen de Spanjaarden over de hoofdweg naar Cuzco oprukten. De hoofdstad viel op 15 november 1533. Dit betekende het einde van de Inkaheerschappij.
Noch de installatie van een Inka die slechts als stroman diende, noch ruzies onder de Spaanse conquistadores (veroveraars), noch Inka-opstanden of de moord op Pizarro konden de macht van de Inka’s in haar oude glorie herstellen. Een Neo-Inkastaat was een kort leven beschoren en bestond slechts 36 jaar. Feitelijk is Tupac Amaru de allerlaatste Inka geweest. Hij werd op het plein van Cuzco onthoofd. Met hem eindigde de geschiedenis der Inka’s.
Tegenwoordige tijd en toekomst
De Spanjaarden bewonderden de bestuursvorm van de Inka’s en vele instellingen werden gehandhaafd of aangepast. Maar als volk hebben de Indianen de Spaanse gewoonten nooit werkelijk aanvaard. Zij houden vele oude gebruiken in ere en hebben deze met rooms-katholieke ceremoniën vermengd.
Hoe droevig het einde ook is geweest van de Inka’s als volk, er leven tegenwoordig nog nakomelingen van deze mensen in Peru, Bolivia, Chili en Ecuador. Jehovah’s Getuigen hebben het goede nieuws van Gods koninkrijk onder deze mensen gepredikt. In en rondom de „heilige vallei” van de Inka’s, de Urubamba Vallei, hebben de Indianen bereidwillig bijbelse lectuur aanvaard. In Cuzco zijn drie gelukkige christelijke gemeenten. Enkele leden van de gemeenten voeren hun afstamming op de Inka’s terug.
Ook rondom het Titicaca Meer in Bolivia zijn een aantal christelijke gemeenten. Deze bestaan voornamelijk uit Aymara-Indianen, maar veel Quechua-Indianen in Bolivia hebben eveneens het ware christendom aanvaard.
Of zij nu afzonderlijk hun afstammingslijn tot de Inka’s kunnen terugvoeren of niet, zij zien vooruit naar de tijd dat Gods koninkrijk in de zeer nabije toekomst personen van alle stammen en talen zal verenigen. Zelfs zij die reeds lang dood zijn, zullen terugkeren en in de gelegenheid zijn eeuwig leven op aarde te verkrijgen (Hand. 24:15). Zullen vertegenwoordigers van de oude wereld der Inka’s zich onder die menigte bevinden? Dit zal ongetwijfeld het geval zijn. — Ingezonden.
[Kader op blz. 24]
„Alle mensen hebben een gemeenschappelijke afstamming”, zegt „The World Book Encyclopedia”. „Maar veel menselijke groeperingen hebben lange tijd geïsoleerd gewoond en zijn in verscheidene opzichten van elkaar gaan verschillen.” Deze verscheidenheid kan veel tot iemands levensvreugde bijdragen.