Oneerlijke studenten volgen het voorbeeld van de maatschappij
De Carnegie Commissie voor Ethische Normen rapporteerde dat tussen 1969 en 1976 het plegen van bedrog onder studenten bijna verdubbeld is. Zo luidden de bevindingen van de commissie onder andere: „Hun oneerlijke gedrag omvat het stelen en verminken van bibliotheekboeken, het inleveren van door anderen geschreven semesterverslagen, het door bedrog verwerven van een universitaire graad — en zij kosten de universiteiten een heleboel geld. Twijfelachtig gedrag is ook bij de professoren en bestuurders van de universiteiten te vinden. Nu de verwachting is dat het aantal inschrijvingen tegen 1992 met 25 procent zal zijn gedaald, zijn zij naar beweerd wordt koortsachtig bezig misleidende folders over hun universiteit te verspreiden en huren zij zelfs de diensten van firma’s die welgestelde studenten voor hen moeten vinden. Ondertussen dingt men naar de gunst van de studenten door het gemakkelijk te maken hoge cijfers te behalen; het aantal studenten met de twee hoogste waarderingen voor hun examenresultaten is in tien jaar gestegen van 35 tot 59 procent.”
Het rapport bevatte een aantal voorstellen ter verbetering van de situatie, maar het redactionele commentaar in de „New York Times” van 2 mei 1979 over deze kwestie kwam tot de slotsom: „Toch wordt bij deze aanbevelingen de vraag ontweken waarom zo veel normen schijnen te vervagen. Het is niet juist om alleen de universiteit de schuld te geven. Er ligt ook heel wat verantwoordelijkheid bij Washington en bij de industrie, waar het knoeien met voorschriften en witte-boordenmisdaad in royale mate aanwezig zijn. Waarom verwacht de maatschappij dat studenten nobeler waarden verdedigen dan die van de families waaruit zij zijn voortgekomen, de instituten waar zij hun opleiding ontvangen en de ondernemingen die hen in dienst gaan nemen?”